De opstand van de massamens

Edel leven en vulgair leven, oftewel inspanning en gezapigheid

We hebben in deze tijd te maken met een massamens die machtiger is dan ooit tevoren. Hij kent geen bescheidenheid of dienstbaarheid, omdat hij daar de noodzaak niet van inziet.

Medium gasset2

Wij zijn tot op zekere hoogte wat de wereld van ons vraagt. De omgeving drukt haar stempel op onze ziel en vormt de grondtrekken ervan als een mal. Dat is logisch, want leven is niets anders dan omgaan met de wereld om ons heen. De contouren van ons leven weerspiegelen de contouren van de wereld. Daarom kan ik niet genoeg benadrukken dat de wereld waarin de massamens is opgestaan, een radicaal nieuw aanzien heeft. Voorheen werd het leven van de gewone man bepaald door een continue confrontatie met hindernissen, onvolkomenheden en schaarste. Gebrek en gevaar lagen altijd op de loer en maakten hem afhankelijk. Onze nieuwe wereld daarentegen doet zich voor als een veilige ruimte van bijna onbegrensde mogelijkheden, waarin hij zich van niemand afhankelijk voelt.

Deze primaire indruk heeft een vormende invloed op de mentaliteit van wie nu leven, zoals de mentaliteit van vroeger onder invloed stond van de tegenovergestelde gevoel. Zij fungeert als een innerlijke stem die ons onophoudelijk een levenshouding influistert waar ook een morele opdracht van uitgaat. Waar de oude omstandigheden ons eeuwenlang toefluisterden: ‘Leven is je beperkt voelen en dus rekening houden met wat je beperkt’, daar schreeuwt de nieuwe stem: ‘Leven is nergens op grenzen stuiten, daarom kun je rustig je eigen gang gaan. Bijna niets is onmogelijk, nergens dreigt gevaar en niemand staat in principe boven iemand anders.’ Deze fundamentele ervaring heeft een doorslaggevende invloed op de oeroude innerlijke structuur van de gemiddelde mens. Vroeger stuitte de massamens voortdurend op zowel materiële beperkingen als hogere sociale machten waartoe hij zich moest verhouden. Zo was het leven in zijn ogen nu eenmaal. Als het hem lukte om zijn positie te verbeteren en te stijgen op de maatschappelijke ladder, dan schreef hij dat toe aan een bijzondere, gunstige wending van het lot. En als hij het niet zag als geluk, dan schreef hij het toe aan de enorme inspanning die hij had geleverd en waarvan hij heel goed wist wat het hem had gekost. In beide gevallen begreep men dat als een uitzondering op de gebruikelijke gang van zaken: een buitengewone gebeurtenis met een buitengewone oorzaak.

De massamens van tegenwoordig ziet volledige vrijheid echter niet als iets uitzonderlijks, maar als iets volstrekt natuurlijks, als de normale toestand van de wereld. Er is nu niets meer in zijn omstandigheden dat hem van nature vraagt om grenzen te aanvaarden, of om zichzelf te verhouden tot de autoriteiten die boven hem staan. Tot voor kort geloofden Chinese landarbeiders dat hun welzijn afhing van de persoonlijke deugden van hun keizer. Daarom voelden ze zich altijd wezenlijk verbonden met de hoogste autoriteit: hún leven hing dus altijd af van zíjn leven. Maar de mens die we nu beschouwen heeft geleerd om zich op geen enkele andere autoriteit te beroepen dan die van hemzelf. Hij is tevreden met zichzelf zoals hij is. Hij heeft de neiging om alles wat hij in zichzelf aantreft aan meningen, verlangens, smaken en voorkeuren zonder meer te zien en aan te nemen als iets goeds.

Dat doet hij niet uit ijdelheid maar als iets volkomen vanzelfsprekends, als de normaalste zaak van de wereld. En waarom ook niet? Zoals we hebben gezien is er niets of niemand die hem dwingt om zich af te vragen of dat eigenlijk wel terecht is, en of hij zich niet ernstig vergist. Wie zal hem zeggen dat hij tekortschiet? Wie zal hem duidelijk maken dat hij zelf niet in staat is om de beschaving, die hem zoveel ruimte biedt om ongehinderd zijn opvattingen te ventileren, in stand te houden?

De massamens accepteert geen autoriteit die buiten hemzelf ligt, tenzij de omstandigheden hem daar min of meer hardhandig toe dwingen.

Nu die dwang is weggevallen, lapt hij geheel conform zijn passieve aard iedere vorm van extern gezag aan zijn laars en voelt hij zich baas over zijn eigen leven. De uitzonderlijke, hoogstaande mens daarentegen voelt een zware innerlijke drang om te beantwoorden aan een hogere maatstaf, die buiten hem ligt en boven hem staat en waarvan hij het juk vrijwillig aanvaardt.

Aan het begin van dit boek maakte ik onderscheid tussen de edele mens die hoge eisen aan zichzelf stelt, en de gewone mens die dat niet doet maar genoegen neemt met wat hij of zij al is.* Anders dan wat veel mensen denken, is het dus niet de gewone man wiens leven in het teken staat van dienstbaarheid, maar juist de edele, grootmoedige man. Voor hem heeft het leven alleen smaak als hij het in dienst stelt van een hoger doel. Daarom voelt hij de noodzaak tot dienstbaarheid niet als iets dat hem onderdrukt. Als hij per toeval in een situatie belandt waar die noodzaak afwezig is, wordt hij rusteloos en zoekt snel een nieuwe, nog zwaardere uitdaging, iets dat nog meer van hem eist. Dit is leven als een discipline: een edel leven. Ware adel is een functie van de eisen die wij aan onszelf stellen, en wordt bepaald door plichten, niet door rechten. Noblesse oblige. Goethe zei al: gezapig leven is vulgair, de edele man richt zich naar orde en wet.

De privileges van de adel bestonden aanvankelijk niet uit gunsten of concessies die hun zomaar waren komen toewaaien, maar juist uit veroveringen. Men moest ze in stand houden. Men moest in theorie bereid zijn om ze op ieder moment opnieuw te verwerven als iemand het bezit ervan zou betwisten. Voorrechten, private rechten oftewel ‘privileges’ zijn daarom geen passieve bezittingen waar je rustig van kunt genieten, maar weerspiegelen een verdiende status op basis van aanzienlijke inspanningen. Algemene rechten zoals de mensenrechten berusten daarentegen op geen enkele persoonlijke verdienste, en hebben daarom wél het karakter van een passief bezit waar je rustig de vruchten van kunt plukken. Ze worden gratis aangeboden zonder dat je er iets speciaals voor hoeft te doen, behalve misschien ademhalen en zorgen dat je niet wilsonbekwaam wordt verklaard. Kort geformuleerd: een onpersoonlijk recht heb je; een persoonlijk recht moet je waarmaken.

Het is daarom bijzonder irritant dat de ware betekenis van de inspirerende woorden ‘edel’ en ‘nobel’ in het dagelijks gebruik is ondergesneeuwd. Voor de meeste mensen verwijst ‘edel’ naar iemand ‘van adel’, iemand met blauw bloed. Daardoor krijgt het woord dezelfde passieve connotatie van de algemene rechten, van een statische, onpersoonlijke kwaliteit die men automatisch ontvangt en onveranderd weer doorgeeft. Maar de diepere oorsprong, essentie en betekenis van het woord ‘edel’ verwijst juist naar iets heel dynamisch. ‘Nobel’ slaat op roem, op datgene wat alom geprezen wordt op grond van een schitterende prestatie waarmee men zich heeft onderscheiden van de naamloze massa. Het verwijst naar een buitengewone prestatie die aan deze roem ten grondslag ligt.

Edel is dus identiek aan heldhaftig, voortreffelijk, uitmuntend. De adellijke positie van de zoon is een afgeleide. De zoon heeft een naam omdat zijn vader iets uitzonderlijks heeft gepresteerd dat op hem afstraalt. De geërfde adellijke titel is dus iets indirects, een bleke weerkaatsing van de glorie van de doden, zoals de maan het licht van de zon weerkaatst. Het enige wat de geërfde adel levend, authentiek en dynamisch houdt is het appèl dat ervan uitgaat, wanneer het de nieuwe generatie inspireert om het niveau van de voorvaderen te evenaren en die inspiratie zelf weer door te geven. Ook in deze afgeleide betekenis geldt: noblesse oblige. De oorspronkelijke edele persoon legt zichzelf verplichtingen op; de man van adellijke afkomst wordt verplicht door deze nalatenschap. In die zin schuilt er een zekere tegenstrijdigheid in het erven van een adellijke titel.

De mens van nu is tevreden met zichzelf zoals hij is. Hij accepteert geen autoriteit die buiten hemzelf ligt

De Chinezen zijn wat dat betreft logischer. Zij draaien het om: het is niet de vader die zijn adellijke titel overdraagt aan de zoon, maar de zoon die, zodra hij de edele status heeft verworven, die met terugwerkende kracht verleent aan zijn voorvaderen. Met zijn heldhaftige verworvenheid verheft hij zijn eenvoudige afkomst. Daarbij wordt een rangorde aangebracht in het aantal generaties dat met terugwerkende kracht wordt geadeld: sommigen adelen alleen hun vaders, anderen ook hun grootvader of zelfs tot hun vijfde of tiende betovergrootvader. Zo leven de voorvaderen in de schaduw van de huidige man. Zijn adeldom verwijst dan niet naar vroeger, maar is een actief principe: niet iets van toen, maar iets dat nu werkzaam en van kracht is.

De aanduiding ‘nobilitas’ of ‘adeldom’ raakte in Rome pas formeel in zwang tijdens de periode van de keizers, en juist om het verschil te maken met de erfelijke adel die toen al in verval was. Voor mij staat ware adeldom gelijk aan een leven van heldhaftige inzet om jezelf te overtreffen, om een steeds beter mens te worden conform de hoge eisen en verplichtingen die je jezelf hebt opgelegd. Zo staat het edele leven diametraal tegenover het gewone of vulgaire leven, waarbij je niet in beweging komt.

Het vulgaire leven is statisch en opgesloten in zichzelf, veroordeeld tot continue passiviteit, bij gebrek aan een externe kracht die het in beweging brengt en tot actie aanzet. Daarom noemen wij deze vorm van menszijn massa; niet vanwege het grote aantal of omdat er sprake is van een menigte, maar vanwege de traagheid, de passiviteit en gezapigheid die het typeert.

Bij het ouder worden valt het steeds meer op dat het merendeel van de mannen en vrouwen om ons heen niet bij machte lijkt om zich daadwerkelijk maximaal ergens voor in te zetten, zolang ze daar niet van buitenaf toe worden aangezet. Om die reden beschouwen we diegenen die wel uit vrije wil blijk geven van grootse prestaties, als eenzame monumenten. Dat zijn de besten, de ware edelen, de mensen die de handen uit de mouwen steken in plaats van passief af te wachten, degenen voor wie het leven een voortdurende (in)spanning is, een eindeloze oefening. Oefening is askèsis. Het zijn de asceten.

Het lijkt misschien of we van ons thema zijn afgedwaald, maar dat is niet zo. Om te komen tot een goed begrip van de huidige massamens – die net zozeer tot de massa behoort als voorheen, maar anders dan zijn voorgangers actief zijn meerdere wil verdringen – moesten we eerst een profielschets geven van de beide gezichten die hij in zichzelf verenigt: enerzijds de normale massa en anderzijds de authentieke adel, de mens die zich bijzonder inspant.

Medium gasset

We kunnen nu vlug verder gaan, want we zijn aangeland bij wat mijns inziens de sleutel is tot het doorgronden van de psychische gesteldheid van het type mens dat nu dominant is geworden. Wat hier volgt komt voort uit diens innerlijke structuur of mentaliteit die zich in deze bewoordingen laat samenvatten: onze wereld zoals die is voortgekomen uit de negentiende-eeuwse beschaving, heeft vanzelf geleid tot de vorming van dit nieuwe menstype, een wezen vol van kolossale driften en verlangens, maar heeft hem ook allerlei machtige middelen ter beschikking gesteld om die te bevredigen: economische middelen, fysieke middelen (waaronder hygiëne en medische wetenschap die hem gezonder maken dan ooit tevoren) en maatschappelijke en technische middelen (een enorme hoeveelheid theoretische en praktische kennis die voor de gewone man vroeger nooit toegankelijk was). Maar na hem al die krachten te hebben verschaft, heeft de negentiende eeuw hem aan zichzelf overgelaten. En zo heeft hij zich afgesloten, in overeenstemming met zijn passieve aard, en is hij eenzelvig geworden.

En dus hebben we nu te maken met een massamens die machtiger is dan ooit tevoren, maar die zich onderscheidt van de vroegere massamens doordat hij in zichzelf is gekeerd. Hij kent geen bescheidenheid of dienstbaarheid, omdat hij daar de noodzaak niet van inziet. Hij is in één woord: opstandig. Als deze ontwikkeling zich voortzet, dan zullen we eraan moeten wennen dat de massa’s in heel Europa, en daardoor ook in de rest van de wereld, zich op geen enkele manier meer laten sturen.

Het is mogelijk dat de massa’s, in de donkere dagen die ons continent wachten, straks ten prooi vallen aan twijfel en dan alsnog de bereidheid tonen om zich in de meest urgente kwesties te laten leiden door superieure minderheden. Maar ook die bereidheid zal ijdel blijken. Want de mentaliteit van de massa’s is in diepste zin gesloten en zelfgenoegzaam. Zo heeft hun geest zich gevormd. Ze hebben geen aandacht en zorg voor wat buiten ze ligt. Van kindsbeen af staan ze afwijzend tegenover personen of zaken die boven ze staan. Ze zullen dan weliswaar iemand willen volgen, maar het niet kunnen. Ze zullen willen luisteren, maar ontdekken dat ze doof zijn.

Aan de andere kant is het ook een illusie om te denken dat de huidige massamens in staat zal zijn om zelf de voortgang van onze beschaving in goede banen te leiden. Let wel: ik heb het over voortgang, niet over vooruitgang. Het handhaven van ons huidige beschavingspeil is al een uiterst complexe opgave, die een immense mate van nuance en subtiliteit vergt. De huidige massamens is daar slecht op voorbereid. Hij heeft geleerd om de middelen van de moderne samenleving te gebruiken, maar niet om de principes die ten grondslag liggen aan deze beschaving wezenlijk te doorgronden.

Voor mij staat ware adeldom gelijk aan een leven van heldhaftige inzet om jezelf te overtreffen

Ik herhaal voor de lezer die mij tot hier geduldig heeft gevolgd, dat hij aan dit alles niet in de eerste plaats een politieke betekenis moet geven. Integendeel. Politieke activiteiten zijn de meest duidelijke en zichtbare manifestaties van het openbare leven, maar zij zijn secundair; ze zijn het eindproduct van andere, minder tastbare en meer verborgen sociale processen. Zo zou deze opstandigheid in de politieke sfeer niet zo problematisch zijn, als zij niet voort zou komen uit een diepere en fundamentelere opstandigheid op het intellectuele en morele vlak.

* Intellectueel gezien ben je onderdeel van de massa als je, geconfronteerd met een of ander probleem, tevreden bent met de eerste de beste reactie die in je opkomt. De edele mens daarentegen stelt de gedachten die spontaan in hem opkomen juist ter discussie. Hij acht het beneden zijn waardigheid om zich niet eerst grondig in te spannen, om zijn gedachten niet eerst te toetsen aan een hogere autoriteit.


José Ortega y Gasset, heraut van de hyperdemocratie

Dat gelijkheid anno 2015 zo’n prominente plaats inneemt in het maatschappelijke debat, en in allerlei sferen van het leven zelfs is uitgegroeid tot de hoogste morele maatstaf, zou de Spaanse filosoof José Ortega y Gasset (1883-1955) niet hebben verbaasd: het is een van de vele profetische analyses uit De opstand van de massamens die in onze tijd nog meer van toepassing lijken dan toen het boek in 1930 verscheen. Daarbij was Ortega niet zozeer geïnteresseerd in de vraag in hoeverre gelijkheid op het materiële vlak werd gerealiseerd, maar vooral in de vraag: wat is het effect van dat gelijkheidsstreven op onze mentaliteit? De stelling is dat ongelijkheid vanzelf ongelukkig maakt, als ware het een wetenschappelijk, universeel gegeven. Maar volgens Ortega is die aanname zelf onderdeel van een historisch psychologisch proces waarbij idealen in onze geest langzaam kunnen muteren tot onbewuste aannames en eisen. Wat als het hameren op gelijkheid zelf de bron van ressentiment kan worden?

Zijn theorie is als volgt: de Franse en industriële revoluties – de twee motoren van de moderniteit – hebben democratie en technologie gebracht, en zo een nieuwe wereld geschapen van toenemende vrijheid, gelijkheid, welvaart, machines en mensenrechten. Maar die ongelooflijke vooruitgang heeft uiteindelijk ook de condities gecreëerd voor de opkomst van een nieuw menstype: de moderne massamens. Ortega onderzoekt wie hij is, hoe hij ontstaat, hoe hij zich gedraagt, en in hoeverre hij in staat is om de vrije westerse beschaving waar hij de vruchten van plukt zelf in stand te houden.

Net als veel andere Europese landen verkeerde Spanje tijdens het interbellum in een diepe existentiële crisis. De klassieke bourgeois-beschaving van de negentiende eeuw leek geen richting of houvast meer te bieden, maar er was nog niets nieuws met de kracht om de samenleving te binden en bezielen. Spanje werd bovendien geplaagd door een ouder minderwaardigheidscomplex ten opzichte van meer geavanceerde Europese landen als Frankrijk, Engeland en Duitsland. Aanvankelijk zag Ortega het als zijn taak om Spanje uit die achterstand te verheffen en de moderniteit in te slepen. Dat deed hij als hoogleraar filosofie in Madrid, als essayist, vertaler en uitgever en korte tijd ook als politicus. Hij probeerde een nieuwe existentialistische filosofie te ontwikkelen om de westerse manier van denken, leven en samenleven te revitaliseren en ‘re-moraliseren’. Gaandeweg ontdekte hij echter dat de belangrijkste uitdagingen ten dele juist het product waren van die moderniteit zelf.

Het moderne leven presenteert zich als een nieuwe horizon van kansen, keuzes en comfort, zonder existentiële beperkingen. Dat is schitterend, maar kan ook een radicale omkering van het verwachtingspatroon teweegbrengen. Als alles kan, moet alles ook kunnen. In plaats van dankbaarheid voor alles wat meevalt dreigt dan juist chagrijn over alles wat tegenzit. De revolutie had iedereen begiftigd met mensenrechten waar je niets speciaals voor hoeft te doen, kunnen of zijn. Dat biedt houvast en waardigheid, maar kan ook leiden tot passiviteit. Eeuwenlang moest elke precaire verworvenheid van de beschaving moeizaam tot stand worden gebracht door grote inspanning, opoffering, wilskracht en plichtsbetrachting. Maar nu zijn we omringd met een overvloed die geen grote inspanning meer lijkt te vereisen. De technologische beheersing van de externe natuur kan afleiden van de noodzaak tot het cultiveren van de innerlijke natuur. Zowel de technologie als het rechtendiscours kan zo een zekere onbescheidenheid in de hand werken – het wezenskenmerk van de massamens. Dat is problematisch, want zonder bescheidenheid – het wezenskenmerk van de ware innerlijke adel – geen open geest, geen beschaving, en geen ‘weerbare’ democratie.

Ortega is wel verweten dat hij elitair was. Dit hoofdstuk toont aan dat hij weliswaar een fundamenteel ‘aristocratische’ opvatting van de geschiedenis had, maar geen snob was. Hij was een meritocraat. De mentaliteit van de massamens vond je volgens hem juist ook onder de hoogopgeleiden. Volgens hem bestaat de meest wezenlijke verdeling uit twee categorieën: mensen die hoge eisen aan zichzelf stellen, en mensen die niets speciaals van zichzelf verwachten. Dat is het verschil tussen een edel leven en een vulgair leven. Iedereen, in elke laag of hoek van de samenleving, wordt geconfronteerd met die keuze.

Het verhaal van Ortega is het verhaal van Plato, van Tocqueville, en vele anderen. Vrijheid, gelijkheid en broederschap zijn belangrijk, maar hiërarchie, autoriteit en discipline ook. Het is aan elke generatie om die tijdloze waarheden opnieuw op te diepen en te verinnerlijken. Dat is des te urgenter in onze tijd, die door globalisering, internet, de macht van multinationals en internationale organisaties soms vooral lijkt te worden bepaald door abstracte en ongrijpbare krachten. Maar de belangrijkste strijd voor een betere, humanere samenleving wordt altijd hier gevoerd: in de ziel van elk individu. Laat Ortega daarbij onze gids zijn.


José Ortega y Gasset, , ingeleid, vertaald en geannoteerd door Diederik Boomsma (Lemniscaat, 274 blz., € 34,95)

Op donderdag 7 mei, (17:00 – 19:30 uur) houdt Diederik Boomsma een lezing over Ortega y Gasset, gevolgd door een discussie onder leiding van Andreas Kinneging. Universiteit Leiden, Kamerlingh Onnes Gebouw, Steenschuur 25, Leiden.

Maandag 18 mei (20:30 – 22:00 uur) vindt er een paneldiscussie plaats, met onder anderen Diederik Boomsma en Yoeri Albrecht in De Balie, Kleine-Gartmanplantsoen 10, Amsterdam


Beeld: De mentaliteit van de massa’s is in diepste zin gesloten en zelfgenoegzaam (Martin Parr / Magnum / HH)