Bio-emancipatie: rechten voor dieren en planten

‘Edelachtbare, mijn cliënt voelt zich niet fijn in de legbatterij’

Steeds meer organisaties willen rechten toekennen aan dieren en planten. We kunnen daar lacherig over doen. Maar waarom zou een bedrijf wel en een boom niet kunnen worden erkend als rechtspersoon?

Medium omslag

Op 20 april 2015 gebeurde er iets bijzonders. In het Manhattan Supreme Court gaf rechter Barbara Jeffe voor de eerste keer in de geschiedenis een ‘order to show cause and writ of habeas corpus’ aan twee chimpansees. De chimpansees, Hercules en Leo, werden vastgehouden voor medische experimenten. De afgifte van deze verordening betekende dat de apen, middels hun advocaat, informatie mochten aandragen om aan te tonen dat hun gevangenschap onterecht was. Daarnaast mochten ze beargumenteren waarom ze moesten worden overgeplaatst naar ‘Save the Chimps’, een reservaat waar de apen leven in een omgeving die zo veel mogelijk lijkt op hun natuurlijke leefomgeving in Afrika.

Omdat alleen iemand met juridische persoonlijkheid een dergelijk recht kan krijgen, concludeerde het bestuur van het Amerikaanse Nonhuman Rights Project enthousiast: ‘Het gerechtshof heeft impliciet bepaald dat Hercules en Leo personen zijn in de zin van het geldende recht.’ Een grote overwinning voor de organisatie die al jaren pleit voor het verlenen van rechten aan ‘niet-menselijke dieren’.

Hoewel rechter Jeffe inderdaad had aangegeven dat ze meer informatie van de apen wilde ontvangen, was ze waarschijnlijk toch wat geschrokken van de baanbrekende implicatie van haar beslissing. Een paar dagen later maakte zij via haar woordvoerder snel duidelijk dat ze niet had bedoeld dat de apen daadwerkelijk als personen moesten worden gezien. Hun zaak zou alleen bekeken worden.

Steven Wise, vooraanstaand advocaat en voorvechter van niet-menselijke dierenrechten, vertelt in 2014 in The New York Times dat het rechtsgebied van dierenrechten sterk in opkomst is. Zo gaf hij zijn eerste module dierenrechten in 1990 aan Vermont Law School. Destijds kende hij slechts twee andere plekken in het land met een dergelijke module. Inmiddels is dit aantal gegroeid tot meer dan honderd.

Ook in Nederland is er steeds meer aandacht voor dierenrechten. Kijk alleen maar naar de groeiende aanhang van de Partij voor de Dieren, de negatieve publiciteit rond de plofkip of de ban op bont. Toch blijft het in de rechtszaal vrijwel in alle gevallen gaan om dierenwelzijn of het behoud van beschermde diersoorten. De kern van wetgeving en rechterlijke handhaving ligt in regulering van ons gebruik van dieren. Dat kan ‘humaan’ gebeuren, zonder ‘onnodige wreedheid’, maar het uitgangspunt blijft dat niet-menselijke dieren worden beschouwd als dingen, als eigendom van mensen, zonder dat zij eigen rechten hebben als juridisch persoon.

Medium pelikaani mg 0377

Deze vanzelfsprekendheid wordt in bepaalde kringen steeds vaker ter discussie gesteld. Zo vinden de Amerikaanse politiek filosofen Will Kymlicka en Sue Donaldson dat de toekenning van burgerrechten zou moeten worden uitgebreid naar dieren. Bovendien zijn in de afgelopen jaren verschillende organisaties opgericht die zich bezighouden met de rechten van dieren en de natuur. Opvallend is dat het in veel gevallen niet meer alleen om dieren gaat, maar ook om andere ‘dingen’, die normaal gesproken in het recht geen eigen stem hebben. Denk aan rivieren, bergen of gletsjers.

Zo is de slogan van een organisatie als Earth Justice simpelweg: ‘De aarde heeft een goede advocaat nodig’. Ooit begonnen als een groep advocaten die procedeerden voor het behoud van een vallei in Californië en tegen de ontwikkeling van deze vallei door Disney tot luxe ski-oord voert deze organisatie van ervaren advocaten nu verschillende rechtszaken die precedenten scheppen en grote maatschappelijke invloed hebben. De Global Alliance for the Rights of Nature gaat nog een stap verder en heeft in april 2010 een ‘Universele Verklaring van de rechten van Moeder Aarde’ vastgesteld. In 2011 heeft de organisatie deze alternatieve Universele Verklaring zelfs mogen presenteren aan de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties.

De stap van dieren- naar natuurrechten lijkt immens. Als we kijken naar ‘bijna-mensen’ zoals de chimpansees Hercules en Leo, dan kunnen we ons bij persoonlijke rechten wellicht een voorstelling maken. We leren immers steeds meer over de emoties en intelligentie van chimpansees. Cognitief zitten ze op hetzelfde niveau als een vijfjarig kind, en dat onthouden we toch ook geen juridische persoonlijkheid? Een kind mag weliswaar niet zelf in rechte optreden, maar wel middels een voogd. Waarom zou een chimpansee dan geen voogd kunnen hebben? Maar hoe zit het met een mier, een boom, met het gras? Dan wordt het gevoelsmatig toch een heel ander verhaal.

Aan de andere kant zijn de belangen van dieren vaak terug te brengen tot een eenvoudig ‘laat ons met rust’ of ‘geef ons wat ruimte’ en in die zin zijn dierenrechten en het behoud van hun leefomgeving onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Het bepleiten van rechten voor ‘dingen’ is niet nieuw. Zo schreef Christopher Stone, emeritus hoogleraar aan USC Gould Law School en autoriteit op het gebied van milieurecht, al in 1972 zijn beroemde essay Should Trees Have Standing? (Het begrip standing omvat de erkenning als persoon in het recht.) Stone beantwoordde de vraag destijds met ja. In ons rechtssysteem geven we immers ook bedrijven, stichtingen en zelfs overheden rechtspersoonlijkheid, waarom zou een boom dan niet kunnen worden erkend als persoon in het recht? Daarnaast benadrukte hij dat het verlenen van juridische rechten niet gelijk staat aan het aanvaarden van morele rechten. Net zo min als een stichting heeft een boom wellicht geen morele rechten.

In een mail schrijft Stone me dat zijn Trees-essay in de 43 jaar na verschijnen maar een beperkte en ‘gemengde’ impact heeft gehad op de juridische praktijk. Dat heeft vooral te maken met het feit dat standing voor dieren of dingen niet meer strikt noodzakelijk is voor het voeren van procedures. Er staan inmiddels vele andere wegen open. Neem een walvisliefhebber die de jacht op walvissen wil stoppen middels een procedure. Hij kan zich ten eerste beroepen op allerlei wetgeving die sinds 1972 is aangenomen ter bescherming van walvissen. Bovendien kan hij eenvoudigweg stellen dat hij zélf in zijn belangen wordt geschaad door de jacht op walvissen. Hij houdt nu eenmaal van walvissen en hij vindt het naar om ze te zien lijden. Als hij in zijn procedure de walvis al als juridische persoon opvoert, dan zal hij daarnaast dus ook altijd zelf als ‘getroffen partij’ de procedure kunnen voeren, waardoor de rechter zich in de praktijk nooit hoeft uit te spreken over de juridische persoonlijkheid van de walvis zelf.

Ironisch genoeg zijn dus juist de groei van beschermende wetgeving en de verbreding van het menselijke standing-begrip factoren geweest voor het niet-erkennen van standing voor dieren of dingen.

Leef je in in de mestkever. Verplaats je in een pinguïn. Stel je de belangen van een paardenbloem voor

Is het idee van directe, individuele rechten voor dier en natuur dan een juridisch non-issue geworden? Stone meent van niet. Hij schrijft: ‘Het praten over dierenrechten (en ook de rechten van de aarde of de rechten van toekomstige generaties) is waardevol. De juridische terminologie heeft immers een impact die voorbij het recht gaat: de termen sijpelen in ons wereldbeeld. Zelfs als “rechten van de natuur” een weinig ontwikkeld concept is als juridische strategie, dan nog zou ik blij zijn als het onderdeel zou kunnen worden van een wereldwijde wake up call.’

In Nederland besloten Thijs Middeldorp en Joost Janmaat dat het tijd was voor zo’n wake up call. In september 2014 richtten zij in het Amsterdamse Artis het Parlement der Dingen op. Het idee voor zo’n parlement kwam van de filosoof Bruno Latour, die in zijn boek We zijn nooit modern geweest (1991) beargumenteert dat de veronderstelde scheiding tussen natuur en cultuur, ingevoerd door de ‘moderne mens’, niets meer is dan een illusie. Vandaar zijn constatering dat we ‘nooit modern zijn geweest’. ‘Een enkele draad verbindt de meest esoterische wetenschappen en de meest aardse politiek, de wijde hemel en een of andere fabriek in de buitenwijken van Lyon’, zo schrijft Latour.

In ons klimaatdebat spelen allerlei grensoverschrijdende vragen op het snijvlak van natuur, wetenschap en maatschappij en die zijn niet zomaar in ons huidige politieke systeem op te lossen. Nationale regeringen noch internationale organisaties lukt het om hier greep op te krijgen. Latour noemt deze problemen ‘hybriden’ en stelt voor om voor de aanpak van deze hybriden een parlement op te richten waarin natuur, wetenschap en politiek samenkomen. In dit parlement zouden de oceanen een vertegenwoordiger hebben, maar ook de bijen. De mens, maar ook de mier. De olifant en ook de bacterie.

Middeldorp en Janmaat, van Partizan Publik, gingen met dit gegeven aan de slag. ‘We beoogden een oefening in verbeelding. Leef je in in de mestkever. Verplaats je in een pinguïn. Stel je de belangen van een paardenbloem voor. Wie schrijft de nieuwe “hut van uncle Tom” voor de natuur?’ zo leggen ze uit op hun werkplek in Amsterdam-Noord.

Om die verbeelding te stimuleren organiseerden ze een schrijfwedstrijd. Tijdens de oprichting in Artis werden de winnaars bekendgemaakt en werd veel tijd vrij gemaakt voor een uitgebreide fotoshoot van alle deelnemers met hun ‘ding’. Iemand kwam met een krop sla, een ander met een fles olie, weer een ander had een stuk hout bij zich. In januari kwam het parlement wederom bijeen en werd een poging gedaan om met een plant te praten.

Het heeft iets ludieks om met uitgestreken gezicht te vertellen dat je graag met een plant wil praten of wil debatteren met een mier en Janmaat en Middeldorp hebben daar ook zichtbaar lol in. Maar het gaat hun erom mensen aan het denken te zetten. Dat begint bij empathie, volgens Janmaat en Middeldorp. Verplaats je in een dier of een plant en kijk hoe dat voelt.

Maar het gaat hun niet alleen om een uitbreiding van de zogenaamde ‘cirkel van empathie’, de steeds groter wordende groep mensen en niet-mensen waarin we ons kunnen inleven. ‘Daar begint het mee’, zegt Janmaat. ‘Het voogdijschap miskent natuurlijk nog steeds de eigen oordelen, maar het is een eerste stap. Dat is niet erg. Kijk naar de slaven: daar hebben óók blanken zich voor ingezet. Of neem de emancipatie van vrouwen. Dat zette pas echt door toen vrouwen nodig waren en in de fabrieken moesten gaan werken.’

Dieren- en natuurrechten als logische vervolgstap in steeds verder uitbreidende emancipatie, als een bijna evolutionair uitvloeisel van ons groeiende vermogen tot het voelen van empathie voor een ander, waarbij die ander steeds ‘meer anders’ wordt dan wij zelf – het is een idee dat je wel vaker hoort de laatste tijd.

Toch schiet het idee van deze uitbreiding van de cirkel van rechthebbenden niet iedereen in het juiste keelgat. Zo zijn er in de Verenigde Staten talloze Afro-Amerikanen die zich verzetten tegen de vergelijking tussen slaven en dieren. Alsof de vroegere slaven net als dieren waren, roepen zij verontwaardigd. Ook in veel rechtszaken wordt de juridische persoonlijkheid van het dier uiteindelijk vaak van de hand gewezen met het argument dat het geen pas zou geven om de menselijke waardigheid (basis voor de rechten van de mens) uit te breiden naar niet-mensen, omdat daarmee het begrip waardigheid zelf wordt uitgehold. In Zwitserland werd in de constitutie opgenomen dat planten en dieren ook ‘waardigheid’ hebben en daar kwam veel kritiek op, precies om deze reden.

Bernice Bovenkerk, milieufilosoof aan de Universiteit Wageningen, vertelt dat er al lang door filosofen wordt nagedacht over deze materie, maar dat op dit moment echt sprake is van een ‘political turn in de dierethiek’. Dat heeft zeker ook te maken met de klimaatproblematiek, denkt ze. Nu we gaan nadenken over de vraag hoe we in ons democratische stelsel een plek kunnen inruimen voor de representatie van nog niet bestaande toekomstige generaties is de stap naar de representatie van dieren dichterbij aan het komen. (In Hongarije en Israël werden al experimenten gedaan met vertegenwoordigers van toekomstige generaties in het parlement.)

Bovenkerk legt uit dat dierenrechten en al helemaal natuurrechten in de filosofie nog een stuk controversiëler zijn dan in het recht. Zoals ook Christopher Stone terecht opmerkt, kun je best juridische rechten verlenen aan ‘dingen’ die geen morele rechten hebben. Denk weer aan de stichting of de coöperatie. Maar bij morele rechten wordt het al snel lastiger. Een van de problemen is wie de drager wordt van de toegekende morele rechten. Geef je die aan de soort of aan het individuele dier? Regelmatig worden immers in het belang van het voortbestaan van een bepaalde diersoort individuele dieren opgeofferd. Zo bestaat in Nieuw-Zeeland op dit moment een belangrijk deel van conservatie uit het systematisch afschieten van verschillende knaagdieren, zoals ratten. Het gaat dan om zogenaamde ‘invasieve soorten’ die ooit Nieuw-Zeeland zijn binnengebracht en die nu het voortbestaan van inheemse soorten, zoals de kiwi, in gevaar brengen. In een reportage in The New Yorker verwoordt een vrijwilliger het zo: ‘Conservation is all about killing things.’

Of denk aan de fokprogramma’s voor bedreigde diersoorten in dierentuinen. Individuele exemplaren worden uit hun natuurlijke omgeving gehaald en opgesloten om het voortbestaan van hun soort te verzekeren. Is het eerlijk tegenover die ene, verdrietige neushoorn dat hij wordt opgesloten in het belang van het voortbestaan van zijn soort?

‘In een utilistische filosofie kan dit juist zijn’, zeg Bovenkerk. ‘Daarin mag je namelijk het individu opofferen voor het grotere goed. Maar in een kantiaanse filosofie past dit juist weer niet. Dan geldt dat we het niet juist vinden om een mens op te offeren voor het belang van de groep, het recht van het individu prevaleert. Dus als een dier als individu wordt gezien, dan mogen dit soort dingen niet. Om deze reden staat bijvoorbeeld een organisatie als peta regelmatig tegenover wildlife conservatie-organisaties. peta neemt het dan op voor het individuele dier en de ander voor de groep.

Liedjes van bultrugwalvissen veranderen elk seizoen en worden soms overgenomen door andere groepen

Naast de politieke ‘turn’ ziet Bovenkerk ook een communicatieve omslag. Die heeft te maken met de vraag of dieren zichzelf kunnen representeren en hun rechten kunnen opeisen. Het idee van een aap in de rechtszaal of een vis in het parlement, daar worden we altijd wat lacherig van. Toch blijken er best manieren te zijn om met dieren te communiceren en erachter te komen wat ze willen.

Medium hevosen 20silma cc 88 202 mg 5689

Clemens Driessen, eveneens van de Universiteit Wageningen, doet hier onderzoek naar. ‘Mijn invalshoek is niet die van rechten’, zegt hij aan de telefoon. ‘Die formele invalshoek van dieren in de rechtszaal of dieren in een parlement, dat is slechts een element. Als je goed kijkt, dan zitten dieren namelijk eigenlijk al in dat parlement. Ze geven regelmatig aan wat ze willen of niet willen. Wij moeten alleen beter luisteren.’

Zo schreef Jason Hribal een activistisch en omstreden boek, The History of Animal Resistance, waarin hij tal van voorbeelden geeft van dieren die uit gevangenschap proberen te ontsnappen, dieren die in verzet komen. ‘De reactie van mensen is dan: we moeten dus een nóg groter hek om dat verblijf heen zetten’, zegt Driessen. ‘Maar je zou ook kunnen denken: die tijger wil daar blijkbaar liever niet zijn.’

Zelf heeft Driessen onderzoek gedaan in de veehouderij. Hij bestudeerde de communicatie tussen boer en koeien en tussen koeien onderling na de invoering van een nieuwe technologie, de melkrobot. Die robot werd in de stal geplaatst waardoor de koeien zelf konden bepalen wanneer ze gemolken wilden worden. Ze waren niet meer afhankelijk van de boer. ‘Opeens moesten de koeien zelf beslissen’, vertelt hij. ‘Moesten ze individu worden. Ze konden niet allemaal tegelijk, dus ze moesten onderling bepalen hoe dat moest. De boeren kregen een heel andere verhouding met de koeien. Ze hoefden ze niet meer te dwingen. Ze begonnen zelfs te praten over de “bevrijding van de koe”, wat natuurlijk op zichzelf ook weer wat vreemd is in de context waarin ze uiteraard wel melk moeten blijven produceren en op de boerderij moeten blijven wonen.’

Toch was in de stal nog steeds sprake van een ‘gedwongen opstelling’: de koeien moesten langs de melkrobot om bij hun voer te komen. Een paar boeren wilden proberen de robot buiten toe te passen. Deze boeren hadden de indruk dat de koeien niet gelukkig waren met de robot in de stal, maar ze durfden de machine in eerste instantie niet buiten te zetten, omdat ze bang waren dat de koeien het apparaat zouden molesteren. Dit bleek niet het geval. Omdat de koeien in de stal nog ‘vandalistisch gedrag’ vertoonden en buiten niet meer trokken de boeren de conclusie dat de koeien gelukkiger waren met de robot buiten. ‘Interessant is dat beide systemen werden ontwikkeld met niet alleen de belangen van de mens in het achterhoofd’, zegt Driessen. ‘Er werd daadwerkelijk nagedacht over het geluk van de koe. De boer trok conclusies uit het gedrag van die koeien.’

Een ander project van Clemens Driessen is de ontwikkeling van een game voor varkens en mensen. In de varkensstal wordt een scherm geplaatst waarop het varken met zijn snuit een lichtgevende stip kan volgen. De mens kan op zijn tablet thuis hetzelfde doen met zijn vinger op het scherm. Zo kunnen varken en mens gezamenlijk bewegen. Het viel Driessen op dat de boeren opeens met allerlei individuele verhalen kwamen over hun varkens, toen hij voorstelde om met de varkens te gaan gamen. ‘Er is zoveel potentie die nu nog niet wordt benut. Hoe kunnen we een varkensstal zo interessant mogelijk maken? Tegelijkertijd heb je het dan over de ultieme optimalisatie van de uitbuiting van dieren. Maar die dubbelheid maakt mijn onderzoek ook juist razend interessant.’

Ook Bernice Bovenkerk denkt dat we veel meer te weten kunnen komen over dieren als we goed kijken. ‘Zo deed Françoise van Wemelsfelder onderzoek naar de intersubjectieve ideeën die boeren en andere ervaringsdeskundigen hebben over het gedrag van dieren. Hun percepties bleken overeen te komen met gemeten cortisolniveaus in de hersenen van die dieren. Het lijkt er dus op dat je best wat gedrag van dieren kunt interpreteren.’

Steeds meer wetenschappers verzetten zich tegen de angst voor het antropomorfisme. Van oudsher mochten dieronderzoekers zich alleen richten op het gedrag van dieren middels behavioristisch onderzoek, maar inmiddels wordt duidelijk dat het idee dat dieren emoties en intelligentie hebben volkomen gelegitimeerd is. Bovendien kan, zelfs als sprake is van antropomorfisme in wetenschappelijk onderzoek, dit wel degelijk leiden tot interessante bevindingen. Zo deed Jane Goodall op onorthodoxe wijze onderzoek naar chimpansees. Ze gaf de chimpansees namen en duidde ze aan met ‘hij’ of ‘zij’. Dit leverde kritiek op van ongeoorloofd antropomorfisme, maar uiteindelijk leverde Goodall wel als eerste het bewijs dat chimpansees gereedschap gebruiken.

Eva Meijer is beeldend kunstenaar, schrijver en filosoof. Ze werkt aan een promotieonderzoek ‘Political Animal Voices’ aan de Universiteit van Amsterdam en eind februari verscheen haar boek Dierentalen, een filosofische verkenning van het huidige wetenschappelijk onderzoek naar communicatie en taal van dieren. Ze beschrijft hoe liedjes van bultrugwalvissen elk seizoen veranderen en soms worden overgenomen door andere groepen. ‘Dat is dan echt een tophit.’ Ze legt uit hoe octopussen eigenlijk ‘denken met hun armen’; in hun armen zitten allerlei zenuwcellen. Ook gebruiken ze ingewikkelde kleurencombinaties op hun huid als communicatiemiddel. ‘Hun verschijningsvorm is onderdeel van hun gedrag.’ Ze bespreekt modetrends onder chimpansees in een reservaat in Zimbabwe. ‘De populaire chimpansee Julie begon een grasspriet in haar oor te dragen en al snel begonnen andere chimpansees haar te imiteren, vooral als ze veel met Julie omgingen.’

Meijer maakt duidelijk dat we het idee moeten loslaten dat de enige taal die kan worden gesproken met dieren onze mensentaal is. Ze beschrijft een beweging richting andere vormen van wetenschappelijk onderzoek naar dierentaal. ‘Hechte interactie met dieren die je bestudeert levert inzicht op dat niet wordt teruggevonden in de canon van de wetenschap’, zegt ze.

Barbara Smuts deed bijvoorbeeld jarenlang onderzoek naar een groep bavianen. Van haar begeleiders had ze gehoord dat ze vooral afstand moest houden van de dieren, maar door afstand te houden gaf ze eigenlijk een onveilig signaal af. Door de signalen van de bavianen voor een begroeting en/of geruststelling over te nemen, kon ze dichterbij komen en veel meer leren over hun leven.

Meijer legt uit dat we het hoofd van dieren niet moeten zien als een soort zwarte doos waar we niet in kunnen kijken, maar dat we ons moeten realiseren dat taal pas betekenis krijgt in een context, in bepaalde praktijken. ‘Als anderen, dier of mens, voor ons onbegrijpelijk zijn, dan is dat niet omdat hun hoofd of denken ontoegankelijk is. Het is omdat we niet bekend zijn met hun gewoontes en manieren en de andere dingen die betekenis verlenen aan het samenleven.’

Marx schreef al lang geleden dat er ook sprake was van het ‘beroven van de grond’

Ook kunstenaars hebben geprobeerd om te communiceren met dieren. Dan gaat het niet om het klassieke voorbeeld van de aap die gebarentaal leert, maar eerder om situaties waar de mens zich openstelt voor andere vormen van ‘taal’. Opvallend genoeg is de hoofdrol vaak voor vissen. Een aantal jaren geleden werd bijvoorbeeld in Nederland een interactieve installatie tentoongesteld waarbij signalen van elektrische vissen werden omgezet in geluidssignalen voor mensen en omgekeerd. Op die manier werd geëxperimenteerd met intersoortelijke communicatie. Clemens Driessen vertelt over deze installatie: ‘Het was geweldig! Een soort lsd-trip, een versmelting van ervaring waardoor communicatie een ander karakter krijgt: dat niet meer duidelijk is waar je als mens ophoudt en waar de vis begint, wie een signaal uitzendt en wie waarop reageert.’

Een ander kunstproject stelde Siamese vechtvissen in staat om met de beweging van hun eigen lichaam hun robot-vissenkom in beweging te brengen en met hun kommen door de ruimte te ‘lopen’. Mensen konden daar vervolgens weer tussendoor lopen. Ontdekt werd dat deze vechtvissen kleuren kunnen zien en een voorkeur lijken te hebben voor geel.

Bernice Bovenkerk deed ook onderzoek naar vissen. ‘Daar is de laatste tijd veel interesse voor, omdat vissen worden gezien als een soort “grensgevallen”, tussen dieren en planten in. De hersenen van vissen lijken niet op die van zoogdieren en daarom denken sommigen dat vissen geen pijn kunnen ervaren. Andere onderzoekers brengen hier weer tegenin dat vissen een “telencephalon” hebben, een orgaan waarin de functie van het genereren van emoties tot uitdrukking komt. Misschien is de ervaring van pijn bij vissen dus wel anders geregeld. Dit soort grensgevallen zijn interessant, want ze stellen de criteria voor toetreding tot de morele gemeenschap ter discussie.’

De laatste tijd interesseert Bovenkerk zich ook veel voor insecten. Ze vraagt zich af of de beweging dat we nu allemaal insecten moeten gaan eten, ‘als een soort mini-vee’; zo’n goed idee is. ‘Er is nog geen onderzoek dat aantoont dat insecten pijn kunnen ervaren. Insecten hebben geen centraal zenuwstelsel, maar ze hebben wel nociceptoren (zenuwuiteinden). Voor inktvissen en heremietkreeften is er wel degelijk onderzoek dat wijst in de richting van een pijnervaring, terwijl deze dieren ook geen centraal zenuwstelsel hebben. De vraag is of je een centraal zenuwstelsel nodig hebt om pijn te kunnen ervaren. Aan de andere kant kun je stellen dat de pijnervaring geen meerwaarde voor insecten heeft omdat ze zo kort leven. Het maken van complexe hersenen brengt hoge kosten met zich mee, omdat er veel neuronen voor nodig zijn. Er is dus sprake van een trade-off en dat levert wellicht te weinig op voor kort levende dieren. Bovendien heeft pijn alleen een functie als er ook een geheugen is en de dieren toekomstige schade aan hun lichaam kunnen vermijden doordat ze zich een pijnprikkel herinneren en zo de pijn kunnen vermijden.’

Een andere vraag is of insecten intelligentie hebben. Voor het antwoord daarop moeten we ons begrip van intelligentie verbreden. ‘Misschien hebben insecten geen individuele intelligentie maar wel een collectieve’, zegt Bovenkerk. ‘Daar kunnen wij wellicht weer van leren.’

De milieubeweging beweegt de laatste tijd meer in de richting van de dierenrechtenbeweging. Van oudsher stonden deze groepen juist vaak tegenover elkaar. De milieubeweging bekommert zich dan om het behoud van een gebied, om het behoud van biodiversiteit, terwijl de voorvechters van dierenrechten juist dat ene dier willen redden. Toch is deze tegenstelling vaak ‘overtrokken’, denkt Bovenkerk: ‘De nadruk op interconnectie is juist heel belangrijk.’

Verschillende bewegingen richten zich specifiek op die interconnectie. Zo zijn er de ecofeministen die een derde feministische golf voor zich zien waarbij een verbinding wordt gemaakt tussen vrouwenrechten en milieurechten. De Deep Ecology-beweging wil al heel lang de mens uit het centrum van de discussie halen, terwijl het Environmental Justice Paradigm milieuproblematiek juist wil herdefiniëren als mensenrechtenproblematiek. Het meest radicaal is de Total Liberation-beweging die de kern ziet in de begrippen onderdrukking en intersectionaliteit. De mens onderdrukt de andere mens en dit leidt tot ongelijkheid in de samenleving. Tussen arm en rijk, tussen blank en zwart, tussen man en vrouw. Daarnaast onderdrukt de mens het dier en de natuur. Volgens de ideeën van Total Liberation wordt de ongelijke relatie tussen menselijke samenlevingen en ecosystemen weerspiegeld in, maar ook versterkt door de sociale ongelijkheid tussen mensen binnen die samenlevingen.

David Naguib Pellow, hoogleraar aan de Universiteit van California, Santa Barbara, beschrijft de idealen van deze beweging in zijn boek Total Liberation: The Power and Promise of Animal Rights and the Radical Earth Movement. Hij grijpt hiervoor onder meer terug op de ideeën van Marx, die al lang geleden schreef dat er niet alleen sprake was van het ‘beroven van arbeiders van hun ziel’ maar ook van het ‘beroven van de grond’. Ook Marx weigerde om mensen te zien als afgescheiden van de natuur.

Medium koe

Volgens Pellow is, vanwege de onderlinge verwevenheid van al die vormen van onderdrukking, daarom uiteindelijk ‘menselijke bevrijding van onderdrukking de sleutel tot totale bevrijding’.

Het is duidelijk dat de urgente klimaatproblematiek ons noodzaakt radicaal anders te gaan denken over de wereld om ons heen. Maar hoe? We leven in het antropoceen, wordt gezegd, de eerste keer dat de mens de geologische toestand van de planeet daadwerkelijk beïnvloedt. Het is niet iets waar we trots op moeten zijn. Aan de andere kant is het benadrukken van de dichotomie tussen mens en natuur, tussen mens en dier, waarbij de mens de boosdoener is en de dier of de natuur (letterlijk) het lijdend voorwerp, niet constructief.

Belangrijk is dat we gaan begrijpen dat de aarde niet ons decor is, maar een onderdeel van onszelf. In inheemse samenlevingen wordt dat al duizenden jaren als vanzelfsprekend ervaren. Pas als dat begrip werkelijk tot ons doordringt, kunnen ook juridische en politieke structuren veranderen. Het klassieke westerse eigendomsconcept gaat bijvoorbeeld nog altijd uit van de overtuiging dat het mogelijk is om absolute rechten te hebben op grond, op een boom, of op een dier. De eigenaar mag die grond verhuren of platbranden, de boom omhakken of snoeien, het dier pijn doen of opsluiten. Zolang het eigendomsrecht absoluut is, blijft dit allemaal mogelijk en vanzelfsprekend.

We zien onszelf graag boven aan de piramide staan, omdat we bewustzijn hebben of omdat we kunnen praten. Maar om ons heen is het ondertussen een drukte van belang. Vissen die communiceren via elektriciteit en via geluid op frequenties die wij niet kunnen horen, olifanten die elkaar uitgebreid begroeten met flapperende oren en extreem lage tonen die wij mensen evenmin kunnen horen, dolfijnen die elkaar bij de naam noemen en koeien die aangeven graag buiten te worden gemolken. Octopussen die met behulp van kleuren met elkaar kletsen, prairiehonden die elkaar laten weten wat voor roofdier er precies aankomt middels hun gedetailleerde alarmroep.

Het gaat in de dierenrechtenbeweging al lang niet meer alleen om het argument ‘zielig’. Er valt immers een hoop te leren van schildpadden die met gps-nauwkeurigheid na jarenlang rondzwemmen in de oceanen precies hetzelfde strand van hun eigen geboorte terugvinden om daar vervolgens zelf hun eieren te leggen. Of van luiaards die energie besparen door ondersteboven aan een boomtak te hangen in plaats van als een bezetene nieuwe brandstof te zoeken.

De verandering moet vanuit de mens komen. Door te stoppen met praten, door te beginnen met luisteren. Niet alleen omdat het moet, maar vooral ook omdat het zo leuk is.


Beeld: Alle foto’s Esko Männikkö, Untitled, uit zijn serie Harmony Sisters