Edelman en gitarist

Ali Farka Touré *31 oktober 1939

Het cliché wil dat wanneer in Afrika een wijs man sterft tegelijkertijd een bibliotheek in vlammen opgaat. Maar de creatieve storm die de op 8 maart overleden Ali Farka Touré heeft veroorzaakt zal niet snel gaan liggen.

Zijn songs zijn niet zozeer afgeronde nummers als wel gemoedstoestanden die aan de luisteraar voorbijtrekken. Een boottocht over de Niger in een Malinese pirogue komt het begrip van zijn muziek ten goede. Dezelfde sensatie van tijdloze verstilling die je dan overvalt kenmerkt zijn beste werk. Veelzeggend is dat zelfs fanatieke Touré-liefhebbers vaak niet de titels van zijn nummers kunnen reproduceren. Een etiket voor de contemplatieve stemming die hij met zijn muziek opriep is van ondergeschikt belang.

Het typeert het onbegrip van westerlingen voor de uniciteit van de Afrikaanse cultuur dat Touré steeds maar weer werd getypeerd als ‘de Afrikaanse John Lee Hooker’. Zeker in zijn laatste levensfase ging hij zijn muziek steeds meer als Malinees beschouwen. De traditionele muziek uit het noorden van Mali was zijn belangrijke inspiratiebron. In zekere zin sluit zijn postuum verschenen cd Savane een cirkelgang af waarvan de ene helft in het Westen en de andere helft op Malinees grondgebied ligt. Dat men zijn muziek buiten Mali pas door de associatie met Ry Cooder en de romantische notie van Afrika als bron van de blues kon verstaan is veelzeggend. Door een dergelijk dwingend sjabloon over zijn muziek te leggen misken je het unieke Malinese karakter ervan. Zijn voorlaatste cd In the Heart of the Moon heeft nog maar weinig met het eerdere bluesgetinte werk van doen.

De muziek van Touré is verwant met de takamba van de Toeareg (die liever worden aangesproken met hun officiële naam Kel Tamashek). Takamba is minimalistische, rauwe woestijnmuziek op basis van tindé (drums), imzad (éénsnarige viool) en teherdent (herdersfluit). In de laatste decennia heeft deze muziek een transformatie doorgemaakt: tegenwoordig worden vooral elektrische gitaren benut, bij voorkeur niet al te netjes uitversterkt. Dat heeft te maken met terugkerende Tamashek-onrust in de regio, die weer voortkomt uit problemen als verwoestijning en de nomadische levensstijl van de Tamashek. In vluchtelingenkampen leerden vele jonge Tamashek elektrische gitaren bespelen. De laatste jaren is deze muziek buiten Mali vooral bekend geworden door twee ensembles: Tartit uit de regio rondom Timboektoe (geformeerd in een vluchtelingenkamp in Mauretanië) en Tinariwen (begin jaren tachtig geformeerd in een vluchtelingenkamp in Libië). Ook zanger-gitarist Lobi Traoré, die ieder weekend in zijn club in Bamako een schrikbarend overstuurde interpretatie van Malinese grotestadsblues brengt, is muzikaal verwant met Touré – zij het dat Traoré naast de indrukwekkende présence die Ali Farka Touré had enigszins verbleekt.

Touré deed zijn bijnaam farka (‘ezel’, een verwijzing naar het feit dat hij veel jonggestorven broers overleefde) niet zelden eer aan. Nadat hij internationaal doorbrak door zijn samenwerking met Ry Cooder op de cd Talking Timbuktu (1994) had hij al snel genoeg van uitputtende internationale tournees. Na zeven jaar stilte – alle smeekbedes van concertorganisatoren en zijn Britse platenmaatschappij ten spijt – besloot zijn producer Nick Gold de studio dan maar naar Ali te brengen. Het resultaat Niafunké (1999) behoort tot zijn meest indringende werken. De cd werd opgenomen in een verlaten landbouwschooltje nabij zijn gelijknamige dorp. Tijdens die sessie nam Touré’s neef en pupil Afel Bocoum onder zijn auspiciën het al even geslaagde Alkibar op.

Voor Touré was muziek een aardig tijdverdrijf, maar van ondergeschikt belang vergeleken met het bevorderen van de agrarische cultuur van de Niafunké-regio. Ali Farka bezat 25 hectare landbouwgrond en drie scholen, sprak zijn talen (onder meer Songhai, Tamashek, Peul en Dogon) en onderhield drie vrouwen en twaalf kinderen. Omdat hij van adel was, werd zijn keuze voor de muziek aanvankelijk niet gewaardeerd – muziek is iets voor de _griot-_kaste. Je zou kunnen stellen dat Malinese muziek in de buitenlandse perceptie min of meer is gegijzeld door deze dynastieke zangers, muzikanten en historici, die de lof zingen van de hoogste bieder. De trotse Ali liet zich soms een beetje laatdunkend over hen uit, hoewel hij als Malinees zeker ook trots was op de sublieme griot-muziek uit het zuiden van Mali.

Op woensdag 13 december was in het Muziekgebouw aan het IJ een korte preview te zien van Bintou Were, un opéra du Sahel die volgend jaar in Bamako in première gaat. Daarbij was het beslist passend om een griot een onversterkte lofzang te horen brengen in het bijzijn van de koninklijke familie. Maar hoe logisch het ook is dat een Sahel-opera die door het Prins Clausfonds wordt gefinancierd griot-muziek bevat, volkeren in het noorden van Mali, zoals de Songhai waartoe Ali Farka behoorde, zouden dramatisch gezien zeker ook geschikt operamateriaal opleveren.

Tijdens interviews en persconferenties kon Touré op surrealistische wijze verwarring zaaien onder journalisten die op zoek waren naar een helder, eenduidig verhaal – het liefst over Afrika als oerbron voor de muziek die zij zelf goed kennen: de blues. ‘Being able to swim won’t help you’, klonk het dan, waarna je de aanwezigen massaal de wenkbrauwen zag fronsen. Nog zo’n farkaïsme, opgetekend in het Britse blad fROOTS: ‘When you give trousers to a monkey, the trees will end up with lots of scarfs.’ Toch appelleerde Touré op zijn manier aan het mythomane sfeertje rond de blues (denk aan legende Robert Johnson die zijn ziel aan de duivel zou hebben verkocht en daarom zo goed gitaar kon spelen) door de in nevelen gehulde kwestie van zijn breakdown. In de Arte-documentaire A Visit to Ali Farka Touré spreekt hij hierover in termen van een kwade geest die ooit van hem bezit zou hebben genomen. Wat wij in het Westen psychologie noemen, is in Mali het animistische riviergeloof of de mystieke islam.

Als kind leerde Touré de djerkel (éénsnarige gitaar) bespelen. De frasering hiervan vertaalde hij naar de gitaar, vandaar het unieke geluid. In 1956 (Ali was zeventien) zag hij in Guinee het vermaarde Ballet Africain onder leiding van oprichter Fodeba Keïta. Dit ballet en de bijbehorende djembé-_percussie was een van de eerste momenten waarop Afrikaanse muziek en dans in het Westen onder de aandacht kwamen. De Amerikaanse ster Harry Belafonte ontfermde zich over dit ballet, bestaande uit orkest en dansgroep. Dankzij Fodeba Keïta werd Touré gewonnen voor de gitaar, al kocht hij pas in 1968 tijdens een bezoek aan Bulgarije zijn eerste eigen exemplaar. Touré ging net als veel jonge Malinezen in die tijd mee in de zogenoemde _authenticité van president Modibo Keïta – een postkoloniaal pleidooi voor eigen cultuur – en was eind jaren zestig dankzij de radio in heel Mali beroemd met zijn interpretatie van Songhai-, Peul- en Tamashek-muziekstijlen. Vanuit het obscure noorden wist hij deze stijlen in het hart van de Malinese belangstelling te plaatsen.

Wat klinkt er na het heengaan van Ali Farka Touré in zijn kielzog? Om te beginnen zijn directe familie. Zijn zoon Boureïma presenteerde onlangs zijn eerste cd onder de naam Vieux Farka Touré. Neef Afel, met wie hij jarenlang samenspeelde in de groep Asco, heeft dit jaar zijn tweede album uitgebracht, wederom bijzonder fraai. Typerend voor de soms wat luie Nederlandse muziekjournalistiek wanneer het Afrika betreft is de wel gehoorde karakterisering van Bocoum als een ‘verwaterde’ Touré. Close listening wijst uit hoezeer Bocoum zich juist onderscheidt van zijn voormalige meester. Iets om zeker naar uit te zien is de cd Segu Blue van Bassekou Kouyaté. Deze jonge n’goni-_speler triomfeerde tijdens het concert van Touré in het Brusselse Bozart (januari 2005). De n’goni is een drie- of viersnarige luit met een meeslepende, buitengewoon expressieve klank. In de griot-muziek was de n’goni oorspronkelijk van veel groter belang en aanzien dan de inmiddels internationaal vermaarde _kora (21-snarige harpluit).

In Amsterdam woont Henriëtte Kuypers met de drie kinderen die Touré haar schonk: Arama (8), Hawa (15) en Anjes (16). Anjes was op de Nederlandse televisie te zien toen ze meedeed aan een voorronde van het Junior Songfestival. Iets waar Touré buitengewoon trots op was – aan bezoekers van zijn huis liet hij steevast de video-opname zien. Henriëtte Kuypers: ‘Het is wrang om te zien hoezeer nu, na zijn dood, de internationale belangstelling is toegenomen. Ik denk dat momenteel wel twintig teams plannen aan het ontwikkelen zijn om in Mali een film te maken over Ali Farka Touré. Je zou kunnen stellen dat zijn loopbaan nu is begonnen. Zelf wil ik een beeld krijgen van hoe zijn laatste drie jaar nu precies zijn verlopen. Binnenkort ga ik met Arama naar Mali.’

De Malinese muziek is, kortom, zeker niet met Ali Farka Touré gestorven. De Britse journalist Charlie Gillett noemt Touré ‘net zomin de belichaming van Mali (of Timboektoe) als Mark Knopfler dat is van Engeland (of Newcastle). Maar in het westen hebben we nu eenmaal de betreurenswaardige neiging meer van onze artiesten te eisen dan ze kunnen of willen bieden.’ Het is de abstracte kracht van Touré’s muziek die maakt dat iedere luisteraar erin kan horen wat hij wil. Zijn eigen commentaar op de waardering van zijn muziek buiten Mali blijft onverkort van toepassing: ‘In het Westen is deze muziek louter entertainment, ik verwacht niet van mensen dat ze dit echt begrijpen.’

7 maart 2006