12 december 1924 – 1 februari 2013

Edward Irving Koch

Tijdens het twaalfjarige burgemeesterschap van Ed Koch kreeg New York onder meer een financiële crisis, corruptie, crack en een aidsepidemie voor de kiezen. Saai was het nooit, onomstreden was Koch zelden.

NEW YORK IN DE late jaren zeventig en de jaren tachtig, dat was Blondie en The Ramones, Andy Warhol en Jean-Michel Basquiat, de teruggekeerde macht van Wall Street, Bret Easton Ellis, de opkomst van yuppies. Deze eindeloos geromantiseerde jaren waren ook het tijdperk van Ed Koch, de uitgesproken burgemeester die een opeenstapeling van crises – raciale conflicten, elektriciteitsuitvallen, corruptie, moordgolven, crack, aids – met ontegenzeggelijke bravoure tegemoet trad. ‘Ik ben het type dat nooit een maagzweer krijgt’, zei hij in 1978, op de dag van zijn eerste van drie inauguraties tegen de verzamelde pers. ‘Waarom? Omdat ik precies zeg wat ik denk. Ik ben het type dat anderen een maagzweer bezorgt.’

Zo ‘onbeschaamd, slim en kleurrijk als de stad die hij leidde’, schreef The New York Times zaterdag over Koch, die ‘een verhaal kon vertellen als een praatjesmaker in een deli, met de timing van een komiek.’ Koch zei de dingen die ook de mensen in Queens, Brooklyn en de Bronx tijdens het avondeten zeiden, waarmee hij New Yorkers het idee gaf een oude bekende te zijn. Zijn handelsmerk was het zinnetje ‘How’m I doin?’ (hoe doe ik het?), dat hij tijdens bijeenkomsten, buurtwandelingen en metroritjes aan willekeurige ingezetenen voorlegde. En waarmee hij maar wilde zeggen: ik ben er voor u, en niet andersom.

Koch werd in december 1924 geboren als de tweede van drie kinderen van Pools-joodse immigranten in de Bronx. Zijn vader was een bonthandelaar, die zijn winkel sloot tijdens de Depressie, in 1931, waarop de familie naar Newark verhuisde. Daar werkte de negenjarige Ed, evenals zijn vader, voor het cateringbedrijf van een oom. Toen Ed zijn middelbare school had afgemaakt, in 1941, verhuisde het gezin naar Brooklyn, waar hij als schoenverkoper werkte totdat hij in 1943 werd opgeroepen voor het leger. Als infanterist vocht hij in Europa. Terug in de VS besloot hij rechten te studeren aan New York University, waar hij in 1948 zijn diploma behaalde. In 1949 werd hij advocaat, in 1963 begon hij zijn eigen advocatenkantoor: Koch, Lankenau, Schwartz Kovner.

Al die tijd had de vlotgebekte Koch zich tot het publieke leven aangetrokken gevoeld. Vanaf 1952 begon hij zich met lokale politiek te bemoeien en trad toe tot de Village Independent Democrats, een club die zich tegen het establishment van de Democratische Partij in de stad afzette. In 1966 werd hij gekozen in de Stadsraad, onder meer door zich hard te maken voor anti-armoedeprogramma’s en sociale woningbouw. In 1968 betrad hij de nationale politiek door zich – als Democraat, en met succes – verkiesbaar te stellen voor het Huis van Afgevaardigden, waar hij van 1969 tot 1977 een zetel had. In 1978 werd hij gekozen tot burgemeester van New York.

De stad waarnaar Koch vanuit Washington terugkeerde, worstelde met een begrotings­tekort van vierhonderd miljoen dollar, een in alle voegen krakende infrastructuur en een langlopend conflict met vakbonden. Veel bedrijven, en daarmee een deel van de blanke middenklasse, verlieten de stad, waardoor de fiscale situatie verslechterde en de werkloosheid groeide. Koch onderhandelde succesvol met de vakbonden, sneed in anti-armoedeplannen en bezuinigde op nagenoeg alle stedelijke voorzieningen. Tegen het einde van zijn eerste ambtstermijn had de stad een begrotingsoverschot. Al doende had hij wel zo’n beetje elke bevolkingsgroep in de stad tegen de schenen geschopt. Democratische partijbonzen had hij ‘boeven’ en ‘morele melaatsen’ genoemd, academici waren ‘elitisten’, zwarte en latino-leiders ‘armoedepooiers’ en lokale activisten ‘gekken’. Subtiel was het allemaal niet, maar met de jaren sloten de meeste New Yorkers, vooral die uit de blanke middenklasse, hem in de armen.

Na twee ambtstermijnen begon de liefde te bekoelen. Allereerst was er de wijdverbreide corruptie binnen zijn bestuur. Koch werd zelf nooit ook maar iets ten laste gelegd, maar hij pakte zijn frauderende bestuurders niet hard aan, alsof hij bang was politieke vrienden te verliezen. En er was meer kritiek. Zo zou hij geen oog hebben gehad voor de gevolgen van gentrification, het proces waarbij hele generaties arme New Yorkers door stijgende huur- en huizenprijzen uit wijken als de East Village en de Lower East Side werden verdreven. En hij greep volgens velen te laat en te slap in toen aids een ware epidemie werd in de stad – en dat voor een bachelorburgemeester van wie menigeen vermoedde dat hij heimelijk homo was (iets dat Koch altijd ontkend heeft). Toen Wall Street in 1987 crashte, en het plots ook gedaan was met de welvaartstijging van de eerste negen Koch-jaren, daalde zijn populariteit – daar kon ook een ambitieus renovatieplan van tweehonderdduizend appartementen voor lagere inkomensgroepen niets aan veranderen. Ondertussen leidde grootschalig gebruik van crack tot moord en doodslag in de stad. In 1989 verloor hij de burgemeestersverkiezingen.

Ook nadien zou Koch geen muurbloem worden. Hij bleef zich met de politiek ­bemoeien, zowel lokaal als nationaal, en trok vooral aandacht door verschillende malen van partij te veranderen. Opmerkelijk waren zijn steunverklaringen aan de Republikeinen Rudolph ­Giuliani (1993) en Michael Bloomberg (2001 en 2005). Onvergeeflijk, in Democratische ogen, was zijn steun voor George W. Bush in 2004 en de oorlog in Irak.

Vorige week dinsdag ging in het Museum of Modern Art een documentaire over zijn leven, getiteld Koch, in première. Koch zelf was toen al in het ziekenhuis opgenomen vanwege de hartproblemen waaraan hij vrijdag op 88-jarige leeftijd overleed.

Academici waren ‘elitisten’, zwarte en latino-leiders ‘armoedepooiers’ en lokale activisten ‘gekken’