In Memoriam

Edward Said (1935-2003)

In een gedicht zegt de Russische dichter Joseph Brodski dat de twintigste eeuw ons de jazz en espresso heeft geschonken. Ik zou er Edward Said aan willen toevoegen. Niet alleen als vertegenwoordiger (misschien wel enige vertegenwoordiger) van een kritische elite die elk heilig huisje, politieke doctrine of literair systeem onderuit haalde (in een veld dat zich uitstrekte van de door hem bewonderde Jozef Conrad, het oriëntalisme en zijn scherpe veroordeling van het zionisme), maar ook als een van die laatste wereldburgers die waren opgegroeid in een Derde Wereld waar ze de verworvenheden van de Eerste, westerse Wereld met de paplepel ingegoten hadden gekregen. Eerder dan de topografie van zijn moederland, Palestina, kende hij die van Wales. Liever dan de nachtegaal van de Nijl, Oum Kaltoum, bewierookt door de Arabische wereld, had hij Beethoven en Mahler.

Hij werd deze gespleten, oeverloze persoonlijkheid, zonder aan geloofwaardigheid te verliezen. Zijn grote helden zouden de Italiaanse zeventiende-eeuwer Vico en de negentiende-eeuwse Pool Conrad zijn. Vico omdat Said van hem leerde dat om een beschaving, een proces, te begrijpen je terug moest gaan naar het begin, de oorsprong van de dingen. Conrad omdat Said zich spiegelde aan hem, een rusteloze wereldburger die nergens een vaste plaats had en die in een aangeleerde taal (het Engels) het prevalerend systeem van de kolonisatie de maat nam.

In een wereld die steeds globaler werd en tegelijkertijd daardoor op mysterieuze wijze steeds minder kosmopolitisch, waarin religies, identiteiten, staten zich steeds meer terugtrokken achter hun façades, leek Said de enige te zijn die nog de dialoog durfde aan te gaan. Zijn stijl was scherp, aanklagend, polemisch, intelligent en boven alles hartstochtelijk. Een stijl om vijanden mee te maken.

Het maakte hem op de lange duur weinig geliefd bij Yasser Arafat, die hem weg censureerde, terwijl hij om diezelfde affiliatie met Yasser Arafat door het rechtse joods-Amerikaanse opinietijdschrift Commentary tot aartsvijand nummer 1 werd verklaard. Maar misschien is het onmogelijk om, wanneer je zoveel noten op je zang hebt, scherpe, heldere noten, nog zonder vijanden te blijven.

Wat was Edward Said voor een intellectueel op papier? Iemand die zich in een interview met een Israëlische krant een paar jaar terug de laatste kritische jood noemde. Iemand die tot zijn geestesvaders de Duitser Adorno en de Italiaan Gramsci rekende. Boven alles was hij een intellectueel van de lange adem, in de thematiek die hij omvatte, in de stijl die hij hanteerde, in de hardnekkigheid waarmee hij zijn argumentatie doorvoerde.

Hij was voor mij een verrassing, een van die begaafde alleskunners die de Arabische wereld soms prijsgeeft. Ik herinner me nog goed dat ik tijdens een tweewekelijks verblijf in Mar seille zijn essaybundel bij me had over de kritische intellectueel. De essays waren geschreven voor de BBC-radio en hij ging in deze voordrachten in op de rol van de intellectueel in een wereld waarin hij een huis bewoont dat niet zijn huis is. Zijn betoog was een roep om engagement, maar zonder aan politiek te doen, om onafhankelijk te blijven, kritisch, maar wel gehecht aan zelfgekozen waarden. In deze voordrachten kwam Edward Said nog meer naar voren als een van die laatste universele intellectuelen met een diep gevoel voor rechtvaardigheid, mede gevormd door het trauma van de Zesdaagse Oorlog dat hem, zoals hij in zijn autobiografie beschrijft, deed beseffen wie hij was: een christelijke Palestijn in Amerika. Een Palestijn in de diaspora.

Een paar jaar later kwam zijn autobiografie uit, geschreven in een periode waarin hij langzaam aan het afscheid nemen was van het leven. Een boek dat meer dan een autobiografie een biografie was van een jeugd in splendid isolation, geboren in Jeruzalem, opgegroeid in de upper class van Cairo, een stad waar hij zich nooit echt thuis zou voelen. Een boek vol met details, zoals de foto van zijn vader die een schrijfmachine- annex kantoorboekhandel bezat in Cairo, zijn tante die de gewoonte had een stuk vlees in kleinere stukken te snijden, een stukje te prikken, het naar haar tanden te brengen, er een hapje van af te nemen en de rest terug te leggen.

De jonge Edward kon niet anders dan naar het bord staren en zich verbazen over al die kleine resten waarvan een stukje meesterlijk was afgehapt. Op een of andere manier was Said een intellectueel die van alles wat hij deed precies een stuk naar zich toetrok om het te herkauwen, te analyseren, en weer terug te leggen.

Ook zijn literaire kritiek behandelde een stukje. Namelijk: hoe beschreven de westerse schrijvers die andere wereld, de wereld waar ze hun plantages hadden, waar ze op avontuur gingen, waar ze hun buitenechtelijke kinderen achterlieten, en wat zeggen die beschrijvingen over het wereldbeeld dat toen prevaleerde? Tot dan toe had niemand het gedaan zoals hij dat deed. Hij paste diezelfde manier van kijken en oordelen toe op zijn baanbrekende onderzoek naar de manier waarop de wetenschap van het Oosten (oriëntalisme) dat gebied klaarmaakte voor politieke, intellectuele en economische overheersing. Nu is dat misschien een politiek correcte gedachte, maar bij het verschijnen, eind jaren zeventig, was het een progressief werk dat zijn belang tot op de dag van vandaag niet heeft verloren.

Wie bijvoorbeeld kijkt naar de verslag geving uit Irak ziet hoe de Arabische en de westerse media elk een eigen waarheid fabriceren waarmee ze elkaar bevechten, te weten de zeggenschap over de invulling van een landkaart. Het enige wat Said misschien over het hoofd heeft gezien, is de manier waarop de Arabische wereld de laatste twintig jaar door het contact met de westerse wereld zelf beelden is gaan maken, die het Westen eigenlijk hebben geoccidenteerd.

En elke keer dat je dacht: petje af voor dit wondermens, kwam er weer een facet bij.

Iemand schreef dat waar wij aan één leven genoeg zouden hebben, Edward Said er drie leefde. Niet alleen als literair criticus, filosoof, maar ook als voorvechter en scherpzinnigste criticaster van de Palestijnse zaak. Een Palestijn die als een van de eersten, «against the current», de noodzakelijkheid van een Israëlische staat inzag en een tweelanden oplossing verdedigde. Die de PLO van een intellectuele basis voorzag die men uiteindelijk maar matig kon waarderen. En die de laatste jaren diep teleurgesteld raakte over de wending van het vredesproces, de corruptie binnen de Palestijnse autoriteiten, het eigenhandige optreden van Israël, en onlangs over de Irak-oorlog.

Maar ook hier gebeurde weer dat typische saidiaanse verschijnsel. In plaats van dat hij zich gedesillusioneerd afkeerde, er door vermoeid was geraakt, leek Said er alleen maar door gevoed te worden, nieuw materiaal aangereikt te krijgen voor een deconstructie van een fiasco. Het was koren op zijn molen. Met vuur en overtuiging schreef hij over wat er misging, waarom het misging, waarom het mis moest gaan, tot aan zijn laatste snik.

Wie vorig jaar, voor en rond de Irak-oorlog, op zoek was naar een scherpe analyse van de situatie, kon terecht bij deze scherprechter die met lange, opiniërende stukken de publieke opinie probeerde wakker te schudden. Ik verbaasde me over wat ik las. Hoe kon iemand in zo’n korte termijn, ver van het Midden-Oosten, zo helder denken en formuleren. En waarom, was dan de volgende gedachte, deden de anderen dat dan niet? Hij stelde de rest in de schaduw waarvoor ze zich hartstikke moesten schamen.

Dan was er nog dat derde leven, als muziekliefhebber, begenadigd pianist en criticus. Zijn vriendschap met Daniel Barenboim resulteerde in een concertgezelschap van Palestijnse en Israëlische muzikanten, een boek en talloze gesprekken over het negentiende- en twintigste-eeuwse repertoire. Hij schreef over Glenn Gould, voor hem het nec plus ultra van de uitvoerende artiest. Hij was jarenlang muziekrecensent voor het Amerikaanse weekblad The Nation.

En dan was er nog de Amerikaan Edward Said, de bewoner van de Big Apple, de professor van de prestigieuze Colombia Universitiy. Said zag zijn stad — na Jeruzalem waar hij geboren was, Cairo waar hij opgroeide in een Engelse milieu — New York op 11 september veranderen in een armageddon, maar liet zich nooit verleiden tot een onbezonnen uitspraak. In plaats daarvan wist hij zijn intense woede keer op keer om te vormen tot een rede, een rede die niet alleen Palestijnen, Arabieren of moslims aansprak, maar voor iedereen was bedoeld.

Misschien moeten we Edward Said rekenen tot een van die weinige grote intellectuelen met gezag en invloed, omdat het hem als een van de weinigen lukte om (in deze gespleten wereld, waarvan hij kind was) keer op keer zijn persoonlijke emoties en ervaringen om te zetten in een kritiek (polemisch, arrogant en hard, zoals hij ook overkwam op televisie) die verder ging dan het hoogstpersoonlijke, om iedereen te bereiken die nog altijd ergens een korreltje geloof heeft dat het woord intellectueel iedereen aangaat die met een gezond sceptisch verstand is behept en boven alles in het bezit is van een niet aflatend kloppend hart.