22 februari 1932 – 25 augustus 2009

Edward (Ted) Moore Kennedy

Met Ted Kennedy is een van de laatste invloedrijke gelovigen in klassieke progressieve idealen weggevallen. Wat goed genoeg was voor broer Ted was goed genoeg voor progressief Amerika.

HET IS DE AFGELOPEN dagen al vaker betoogd: Ted Kennedy heeft meer invloed gehad op de Amerikaanse samenleving dan zijn beide vermoorde broers. Beter dan wie ook heeft deze Kennedy zich gerealiseerd dat je geen president hoeft te zijn om macht uit te oefenen.
Zo werd Ted Kennedy een van de machtigste politici van de twintigste eeuw, niet omdat hij macht had maar omdat hij een superieure senator was. Drie aspecten van zijn politieke functioneren zijn nadere overweging waard.
Om te beginnen was Ted Kennedy nadrukkelijk politicus in het Amerikaanse systeem. Door de machtenscheiding ligt de basis voor de Amerikaanse binnenlandse politiek in het Congres, en sinds de twintigste eeuw steeds meer bij de Senaat, waar politici ten minste zes jaar en vaak langer dienen. Want anders dan bij ons komen de wetsvoorstellen in Amerika van congresleden. Als de regering iets wil, moet ze sponsors zoeken. Daarom is het cruciaal te weten hoe het systeem werkt, wat je wel en niet kunt voorstellen, wat de procedures zijn, wat je kunt combineren en wat niet. Ted had geleerd hoe hij het systeem moest gebruiken. Zijn woede over de wetgevende incompetentie van president Carter was een belangrijke drijfveer voor zijn desastreuze gooi naar de Democratische nominatie in 1980.
Een tweede element van Kennedy’s functioneren was zijn gedrevenheid als politicus. Hij zorgde dat hij binnen het systeem maximaal effectief was. Kennedy werkte veel harder dan zijn reputatie als feestbeest doet vermoeden. En hij omringde zich met de beste mensen: iedereen in Washington weet dat hij altijd de beste staf had. De slimste afstudeerders, ze wilden allemaal voor hem werken. Hij kocht ze niet, ze kwamen af op zijn drive, zijn kracht als senator en de mogelijkheid om zich in te zetten voor een onvervalst progressieve agenda. Niet alleen waren deze jonge mensen de meest belovende van hun generatie, ze bleken ook intens loyaal aan hun patroon.
Dat gold ook voor de staf van de invloedrijke senaatscommissies waarvan Kennedy door zijn senioriteit voorzitter werd. Wetsvoorstellen waren technisch van het hoogste niveau en interviewers van de senator stonden altijd versteld van zijn eigen kennis van zaken, van de details van subsectie zus of onderdeeltje zo. Doordat die staffers na verloop van tijd hun weg vonden in het Amerikaanse systeem reikte de invloed van Kennedy’s politieke familie tot diep in de samenleving.
Deze twee kenmerken maakten Kennedy tot een praktisch politicus, maar bovenal was hij iemand met een agenda. Want dat is het derde element van Kennedy’s succes: hij stond zonder terughoudendheid voor een ouderwetse, progressieve agenda in de traditie van Franklin Roosevelt, Harry Truman en Lyndon Johnson. Dat die agenda sinds de Reagan-jaren niet meer populair was, deerde Kennedy niet. Het veranderde niets aan zijn uitgangspunt dat Amerika het aan zijn armste en minst kansrijke burgers verplicht was hun de kans te bieden op een waardig en leefbaar leven. Misschien is met Kennedy de laatste invloedrijke gelovige in klassieke progressieve idealen weggevallen, maar zoals hij zelf zou zeggen: de urgentie van een progressieve agenda is onveranderd aanwezig. Op de Democratische Conventie, afgelopen zomer, stelde Kennedy nog maar eens dat universele gezondheidszorg voor alle Amerikanen ‘een recht [is], niet een privilege’.
Misschien is dat een van de raadsels van de Amerikaanse politiek: dat de onvermoeibare voorvechters van sociale rechtvaardigheid vaak zo rijk zijn. Ted Kennedy maakte zich zijn leven lang nooit één seconde druk over geld; dat werkte blijkbaar niet alleen bevrijdend maar ook verplichtend. Het was de sleutel tot zijn progressieve agenda. Van deze politici, de Kennedy’s en de Roosevelts, moeten Amerika’s armen en minder kansrijken het hebben. Die lopen zich voor hen het vuur uit de sloffen. Het is meer dan noblesse oblige. Kennedy had de morele overtuiging dat een land zich tegenover zijn burgers op een bepaalde manier moet gedragen. Liberalisme als morele uitdaging, de overheid met een morele plicht, de welgestelde burger met een opdracht die zelfzucht overstijgt. Die boodschap leek de afgelopen decennia uit de mode, maar Kennedy bleef erin geloven.
Belangrijker, en misschien een les voor de dolende progressieven elders in de wereld, was dat Kennedy altijd praktisch bleef. Hij had geleerd om resultaat te waarderen boven ideaal, het beste niet de vijand te maken van het goede. In 1973 bood president Nixon een unieke mogelijkheid voor een universele ziektekostenverzekering. De Democraten accepteerden zijn gift niet – niet genoeg, en vooral: niet van hen. Kennedy had er altijd spijt van. Hij werd een expert in het scheppen en benutten van kansen, in het realiseren van wetgeving in plaats van het scoren van politieke punten. Vandaar dat Kennedy tegelijkertijd de favoriete kop van Jut was voor conservatieve mediaschreeuwers én in staat was politieke tegenstanders aan zich te verplichten, zoals bleek uit de oprechte loftuitingen van Republikeinse senatoren als John McCain en Orrin Hatch, de behoorlijk conservatieve senator van Utah. Politiek handwerk is slepen en sleuren, inslikken en herformuleren, porren en prikken. En oogsten als er wat te halen valt. Kennedy deed het allemaal zonder zijn idealen uit het oog te verliezen.
Progressieven vertrouwden hem. Als Kennedy akkoord ging, zoals bij de onderwijsdeal die hij in 2001 sloot met George Bush, dan waren andere progressieven gedekt. Zoals The New Republic het mooi formuleert: ‘Als het goed genoeg was voor Kennedy, wisten we, dan was het goed genoeg voor ons. We wisten dat hij pragmatisme niet zag als een alternatief voor ideologie. Het was enkel een noodzakelijke methode om haar te vervullen.’