Edward w. said

Hij was altijd al een beetje anders. De controverse past hem even goed als zijn stijlvolle pakken. De Palestijnse veelschrijver en winnaar van de Spinoza-lens Edward Said is vooral een intellectueel ‘aan de rand’.

AAN HARDE AANVALLEN, frontaal dan wel in de rug, is Edward Said wel gewend. Hij bevindt zich al decennia in de frontlinie van het intellectuele debat over, pakweg, de Palestijnse kwestie, het postmodernisme, de ‘dreiging’ van de islam en het oriëntalisme. Zijn leven is vaak bedreigd. Conservatieven in Israel zien hem als de goedgebekte apologeet van Arabisch terrorisme, ofwel de 'professor of terror’ en aarzelen nooit hem dat toe te voegen. Zijn kantoor op de Columbia Universiteit in New York is in brand gezet. Hij moest eens een reis naar het Midden-Oosten afzeggen omdat een regering zijn veiligheid onmogelijk kon garanderen.
Dat alles heeft Edward William Said, de in 1935 in Jeruzalem geboren hoogleraar vergelijkende literatuurwetenschappen, zonder waarneembare wonden overleefd. Hij is normaal gesproken een rustige, met humor en een grote eruditie begiftigde spreker. Hem zien en horen praten - in zijn appartement, voor een kleine werkgroep van studenten of honderden mensen in de New York Public Libary - is een weldadige ervaring; Said straalt kalme autoriteit uit en lijkt zich qua fijngevoeligheid en toon te allen tijde op een intieme poëzielezing te bevinden.
Zo niet gedurende een aantal weken afgelopen september. Want het artikel dat toen in het conservatieve Amerikaanse blad Commentary verscheen maakte een rauwe boosheid in hem los. In interviews en in een BBC-documentaire verhaalde Said de afgelopen jaren geregeld over zijn jeugd in Jeruzalem, Caïro en Libanon. Een Amerikaans-Israelische onderzoeker genaamd Justus Reid Weiner schreef een verhaal over de 'verzinsels’ van Said over zijn jonge jaren. Weiners stuk is een poging om Saids 'zorgvuldig vormgegeven decepties’ te ontkrachten en de 'uitvluchten zoekende intellectueel’ aan de schandpaal te nagelen. De ijverige Weiner had drie jaar aan zijn onderzoek gewerkt en kwam met een fikse hoeveelheid goed geschreven maar slecht onderbouwde vuilspuiterij. Said is een leugenaar, was de boodschap.
Said besloot met de Britse Observer te praten om zijn naam te zuiveren. Deze krant had met veel gevoel voor drama en weinig gevoel voor proportie geschreven over 'het heetste literaire debat van het jaar’ en zo leek Weiner misschien wel zijn doel bereikt te hebben: met zoveel modder gooien dat er wel íets moet blijven zitten. Said zou met plezier alle ontdekte 'leugens’ en vaagheden hebben opgehelderd als de onderzoeker hem een keer had gebeld. Maar belangrijker vindt hij wat zo'n aanval betekent. 'Ik ben de enige Palestijn die consequent en voortdurend voor de vluchtelingen en ontwortelde mensen heeft gepleit. Mijn beschadigen is een manier om de Palestijnse mensen te beschadigen.’
De affaire hield Said een paar weken druk bezig, en tegenwoordig zijn dat kostbare weken. Hij leidt aan een zeldzame vorm van leukemie die in 1991 werd ontdekt en sinds 1994 daadwerkelijk in zijn li chaam huishoudt. Dankzij een experimentele behandeling bevindt de ziekte zich nu in remissie, maar die zal (mogelijk spoedig) aflopen. Daarna, waarschijnlijk, het einde.
DE CONTROVERSE past Edward Said even goed als zijn stijlvolle pakken. Zijn vijanden, en dat zijn er een paar, koestert hij. 'In zekere zin word je juist door hen beoordeeld’, zei hij afgelopen zomer op een bloedhete middag in zijn magnifiek gelegen appartement in Manhattan. 'Van mijn filosofische antagonisten respecteer ik sommigen wel, anderen niet. Met degenen die ik wel respecteer ga ik in gesprek, met de anderen heb ik niets te maken.’
Vanaf zijn eerste jaren in het Midden-Oosten was hij altijd een beetje anders, 'gespleten’ zelfs. Dat begon bij zijn eigen naam: naar de prins van Wales genoemd zijn is leuk en aardig, maar de combinatie vond hij ellendig. 'Edward, een belachelijk Engelse naam, hardhandig gekoppeld aan de onmiskenbaar Arabische familienaam Said.’ In Palestina en Egypte was zijn protestantse familie, met aan het hoofd de veramerikaniseerde vader annex zakenman pur sang, nooit helemaal op zijn gemak. Hetzelfde gold in extreme mate voor Edward zelf, vooral op de Britse school in Caïro. In het zojuist verschenen Out of Place, een mooie, minutieuze zoektocht in zijn verleden en meeslepende verkenning van zijn eigen wordingsgeschiedenis, schrijft Said hierover. Hij vertelt hoe hij op vijftienjarige leeftijd naar Amerika werd ge zonden (om er altijd te blijven) omdat hij in Egypte van school was gestuurd. Dat versterkte slechts zijn eindeloze gezoek naar een heldere identiteit - die hij nooit zou vinden - en het altijd sluimerende gevoel niet op zijn plek te zijn, ook nu nog. Zo weet hij nog steeds niet of Engels of Arabisch zijn eerste taal is. 'Ik droom in beide.’
NA ZESENDERTIG JAAR aan Columbia en een reeks belangwekkende boeken, is hij een intellectueel 'aan de rand’, immer kritisch kijkend naar mensen met macht. 'Ik heb mezelf nooit toegestaan deel van de machtsstructuur te worden. Ik wil mijn onafhankelijkheid behouden. Ik wil niet bang zijn om te bekritiseren, ook mijn eigen mensen. Mijn mening is altijd gebaseerd op de zaak voor gerechtigheid voor de onderdrukten, voor degenen die erbuiten gehouden worden. Je moet ook dienen als bron voor herinnering. Politiek gaat vaak over de poging te vergeten, over wegduwen van de onprettige zaken.’
Zolang Said zijn rol in het leven zo verwoordt, kan het conflict natuurlijk onmogelijk van zijn zijde wijken, ook niet in de late avond van zijn leven. Wel is het karakter van zijn werk veranderd. Het zijn niet meer de 'zware’ projecten waarop hij zich stort. Hij schrijft nu geen grote boeken meer, zoals het standaardwerk Orientalism (1978), en speelt geen vooraanstaande politieke rol meer, zoals hij jarenlang deed als lid van de Palestijnse Nationale Raad en adviseur van Arafat. Nu schrijft hij mooie memoires, niet alleen om de 'vergeten plaatsen’ van zijn vroegste verleden weer tot leven te wekken maar ook omdat het schrijven hem weg van de pijn voerde. 'Het schrijven werd een daad van discipline voor me. Het nam me mee, zo ver als mogelijk van het heden, weg van wat ik meemaakte.’ Of hij organiseert samen met cellist Yo-Yo Ma en dirigent en vriend Daniel Barenboim een twaalf dagen lange masterclass in Weimar voor jong muzikaal talent uit de Arabische landen en Israel (Said is ook nog muziekcriticus en een begenadigd pianist). Of hij schrijft een briljant In Memoriam van de buikdanseres Tahia Carioca in de London Review of Books en zet en passant indringend uiteen hoe de Arabische cultuur er een is met een 'niet vastgelegde geschiedenis’. 'Tahia’s leven en dood (…) symboliseren de enorme hoeveelheid leven in dit deel van de wereld die niet wordt vastgelegd of bewaard.’ Dit maakte het heengaan van Tahia, van haar kunst en sensualiteit des te tragischer: 'Voor nu, genot; dan, niets.’
En o ja, tussendoor is hij, hoogleraar Engels tenslotte, president van de Amerikaan se Modern Language Association. In die functie vindt hij nog tijd zich druk te maken over de 'verdwijning van literatuur zelf van het curriculum van de Amerikaanse literatuurwetenshappen’, dat tegenwoordig ook pornofilms, strips en reclameboodschappen schijnt te bevatten.
Said blijft, kortom, de onvermoeibare alleskunner, een veelschrijver die niet stopt, tenzij en totdat de ziekte dat eist. Hij heeft nog veel te doen, is zichtbaar rusteloos en vol energie. Hij staat nog steeds met de eerste zonnestralen op. Want de slaap, schreef hij in Out of Place, is eigenlijk als de 'dood, net als iedere andere vorm van verminderde alertheid’. Hij verweert zich nog als een leeuw als de intellectuele aanval komt, zoals nu ook is doorgedrongen tot de obscuriteit toegetreden onderzoeker Weiner (die er overigens vermoedelijk net zo gemakkelijk weer in zal verdwijnen). Said lijkt dan, nog steeds, te genieten van de woordenstrijd, die hij bijna altijd wint. Maar zijn toon is anders. 'Je voelt jezelf aan het einde’, zei hij zonder een spoor van zelfmedelijden. 'Een van mijn eerste boeken heet Beginnings. Nu ben ik meer geïnteresseerd in einden.’