Wat wisten Nederlanders van de jodenvervolging?

Een aangekondigde massamoord

Het boek van Bart van der Boom bevat rijk materiaal maar draagt niet bij aan meer inzicht in een pijnlijk hoofdstuk van onze geschiedenis.

Bart van der Boom heeft met Wij weten niets van hun lot een polemisch boek geschreven: alleen de titel geeft daar al blijk van. Die polemiek heeft hij ook gekregen, eerst elders, nu ook in De Groene Amsterdammer. De vonken spatten ervan af. Nu is die ophef niet vreemd, want de aangesneden kwestie is beladen en delicaat: wat wisten niet-joden tijdens de bezetting van het lot van de vervolgde joden. Aan het slot van zijn boek duidt Van der Boom aan wat de steen des aanstoots is: ‘Wie denkt dat de tijdgenoot wist dat de joden werden vergast, moet van de omstanders en medeplichtigen monsters maken en van de slachtoffers slaapwandelaars. Dat is de afgelopen decennia dan ook gebeurd.’ Ies Vuijsje, schrijver van het boek Tegen beter weten in, is Van der Booms voornaamste opponent, maar en passant worden ook veel historici en opiniemakers getuchtigd.

Niet iedereen boog daarop het hoofd. In De Groene Amsterdammer van 13 december gaven Evelien Gans en Remco Ensel weerwerk, waarop Van der Boom op 10 januari fel reageerde. Zijn repliek stelde mij teleur: in plaats van een inhoudelijk verweer tracht hij een door hem als ‘kwaadaardig’ – een term die ik ongepast en in elk geval onterecht vind – getypeerde betoogtrant te ontmaskeren. Waar het historici eigenlijk om zou moeten gaan, verdieping van historisch inzicht, raakt zo verloren. Voor mij persoonlijk is de vraag wat twee al meer dan twintig jaar gewaardeerde vakgenoten, Van der Boom en Gans, zo verdeelt natuurlijk urgent, maar bovenal zou ik graag zien dat dit boek en de reacties daarop wél bijdragen aan meer inzicht in het verloop van de Duitse vervolging van de joden in Nederland.

Van der Booms boek is een studie à thèse. Hoewel het een schat aan op vlotte wijze gepresenteerde informatie bevat, worden het begin, het einde en de (diachronische) opbouw van het boek gestructureerd door drie stellingen die de auteur inbrengt tegen de dominante opvatting in de media en onder vakhistorici. Het betreft twee constateringen en een verklaring. (1) Gewone Nederlanders wezen de vervolging van de joden af als een tegen het zelfbeeld van Nederland als tolerante natie indruisende politiek. (2) Gewone Nederlanders vreesden wel dat de weggevoerde joden het zwaar zouden krijgen in Polen en dat velen zouden omkomen, maar hielden geen rekening met genocide. Dat gebrek aan zekerheid verklaart volgens Van der Boom (3) waarom gewone Nederlanders zich er niet tegen verzetten. Eenzelfde gebrek aan zekere kennis verklaart volgens Van der Boom waarom ook joden zich maar zelden verzetten. De eerste stelling is in de publieke opinie wellicht niet altijd tot zijn recht gekomen, maar in de serieuze geschiedschrijving vrijwel altijd onderschreven. Controversieel zijn de tweede constatering, de verklaring en vooral de aanwending van dezelfde verklaring op de houding en het gedrag van de joden zelf.

Gans en Ensel storen zich vooral aan dat laatste, aan de forse relativering van de verschillen in positie tussen niet-joden en joden tijdens de bezetting en de onverkorte aanwending van de verklaring – ‘niemand wist welk lot de joden te wachten stond’ – op het gedrag van de laatsten. Van der Boom onderkent volgens hen onvoldoende hoe benard de positie van de joden tijdens de bezetting was. Van der Boom ervaart die kritiek als een slag onder de gordel. Hij wil bovenal het publieke en vakhistorische beeld van de niet-joden van morele oordelen ontdoen, hen onttrekken aan het automatische verwijt te kort te zijn geschoten. De passages uit door hem bestudeerde dagboeken van joden waaruit zou blijken dat zelfs joden onwetend hun vernietiging tegemoet traden, moeten dat pleidooi kracht bijzetten. Overtuigd dat het feiten zijn die voor hem spreken, gaat hij een discussie uit de weg, boos dat hem de mond wordt gesnoerd met het verwijt onvoldoende compassie met de slachtoffers te hebben.

Een belangrijke bron van al deze verwarring is de ongrijpbare betooglijn van Wij weten niets van hun lot. Allereerst blijft het onderwerp onduidelijk. Wie zijn gewone Nederlanders? Van der Boom vertelt dat niet. Nationaal-­socialisten en bijvoorbeeld politiemannen behoren daar klaarblijkelijk niet toe, want hun in de Niod-collectie aanwezige dagboeken heeft hij niet gebruikt. Onduidelijk is ook welke betrokkenheid de wel door Van der Boom geselecteerde Nederlanders bij de vervolging hadden. Geen, zo lijkt het. Maar als dat het geval is, als de bestudeerde groep slechts toeschouwer was, hoe relevant, zo vraag je je af, zijn dan hun faits et gestes voor een verklaring van het verloop van de vervolging in Nederland?

En waarom lezen we in het boek dan niets over de verenigingsbestuurder die joden het lidmaatschap ontzegde, de huisvrouw die niet meer kocht bij een joodse winkelier, de ondernemer die na een hint van het ministerie zijn joodse werknemers ontsloeg, de ambtenaar van het Gewestelijk Arbeidsbureau die werkloze joden in aparte kampen tewerkstelde en ten slotte de beambten die meewerkten aan de deportatie? Waren dat geen gewone Nederlanders? Wat waren hun overwegingen bij het leveren van hun bijdrage aan het grote geheel van de vervolging? Een van de meest schrijnende aspecten van de vervolging in Nederland is de relatief grote schaal waarop goedwillende ambtenaren met verzachtende maatregelen de wegvoering versoepelden en het eigen geweten susten.

Wat het betoog ook ongrijpbaar maakt, is de overtrokken betekenis die wordt toegekend aan het ontbreken van zekere kennis voor het gedrag van mensen. Van der Booms argumentatie is zelfs helemaal gebouwd op het ontbreken van de wetenschap van het bestaan van gaskamers. Hij wil niet weten dat mensen op basis van veel minder zekere kennis al de juiste conclusie konden trekken en in actie konden komen. Zo sprak Koos Vorrink al in april 1940, een maand voor de Duitse inval, in reactie op berichten dat in de voorafgaande maanden in het bezette Polen zeventigduizend joden waren omgebracht, op een publieke bijeenkomst van massamoord en wist hij toen al genoeg om zich op een rol in het verzet voor te bereiden. Als hij twee jaar later, in reactie op Londense radioberichten dat in Polen al zevenhonderdduizend joden zijn omgebracht, met Henk van Randwijk opnieuw van massamoord spreekt, trekt Van der Boom de ernst van die term in twijfel omdat in hetzelfde pamflet de term slavernij wordt gebruikt en slaven niet dood zijn. Uit onder meer het door Van der Boom wel bestudeerde maar in zijn studie niet aangehaalde dagboek van Mirjam Bolle weten we dat in Amsterdam vele joden dit bericht uiterst serieus namen. Andere bronnen bevestigen dat ook niet-joden zo reageerden. Maar die context negeert Van der Boom. Als dagboekschrijvers die melding hebben gemaakt van genocide later blijk geven te twijfelen, concludeert hij dat zij het eerder niet zeker hebben geweten. Want wie eenmaal iets zeker weet, kan daar niet meer aan gaan twijfelen, zo is zijn veronderstelling.

Vreemd is het ten slotte ook dat hij de overvloedige informatie die hij uit de dagboeken heeft gedestilleerd niet gebruikt om te doen wat van een historicus mag worden gevraagd, namelijk om het complexe wordingsproces van een concrete werkelijkheid te tonen, maar dat hij die versimpelt en abstraheert tot twee globale, los van tijd en context staande stellingen. Hoe moeilijk is het te onderkennen dat onder Nederlanders de inschattingen van de Duitse bedoelingen met de joden uiteenliepen en in de loop van de bezetting veranderden? De afgelopen twee decennia is in Nederland een flink aantal lokale deel­studies verschenen, zoals Kees Ribbens’ Zullen wij nog terugkeren? en Marjolein Schenkels De Twentse paradox, die vaak ook een poging tot verklaring bevatten. Van der Boom bouwt daar niet op voort, kan dat ook niet omdat hij dan zijn globale stellingen en abstracte, psychologische verklaring zou moeten nuanceren en specificeren. Tegen plaatsing in hun historische context zijn deze niet bestand. Tegelijk is onduidelijk hoe andere historici met nieuw onderzoek zijn conclusies in de komende tijd zouden kunnen aanvullen, specificeren of nuanceren. Wij weten niets van hun lot bevindt zich in een geschiedkundig luchtledige.

Zodra je het argumentatieve korset losmaakt waarin Van der Boom zijn empirisch materiaal heeft geknoopt, houd je evenwel een schat aan informatie over. Het is een rijk boek, maar de door de titel gewekte suggestie weerspreekt die rijkdom. Van de twaalf dagboeken waarop zijn hoofdstuk over de kennis van gewone, niet-joodse Nederlanders berust, bevat de helft uitspraken opgetekend in de aanloop naar de deportatie, die onmiskenbaar getuigen van de verwachting dat de weggevoerde joden massaal vermoord gaan worden. De meesten blijken die Duitse boodschap al veel eerder te hebben begrepen. Over hoe die genocide zou worden voltrokken, tast men in het duister: een enkeling spreekt over gaskamers. Op die onzekerheid over de uitvoering bouwt Van der Boom zijn verklaring, andere mogelijke, uit de context voortvloeiende verklaringen miskennend. De context van de vervolging als een bestuurlijk en maatschappelijk proces van uitsluiting, declassering, beroving en deportatie onthoudt hij ook zijn lezers. Daarom drie elementaire aanvullingen.

Hitler en zijn Duitse en Nederlandse aanhangers hadden vanaf het begin aan eenieder duidelijk gemaakt dat zij de joden uit de weg wilden ruimen. Het behoorde tot hun politieke stijl met bravoure die shockerende boodschap uit te dragen. Het nationaal-socialisme predikte moord met voorbedachten rade. Zo schreef de nationaal-socialistische inspecteur van politie Douwe Bakker na de Duitse inval in zijn, niet door Van der Boom geraadpleegde dagboek: ‘Het vonnis over de vervloekte plutocratieën voltrekt zich. Leugen en bedrog, Jodendom en Kapitalisme gaan hun verdiend loon halen. Adolf Hitler het genie zal hen vermorzelen.’ Binnen en buiten zijn functie voegde hij regelmatig met geweld de daad bij het woord.

Tijdens de bezetting werd spoedig duidelijk dat de bezetter veel feller reageerde op weerstand tegen anti-joodse maatregelen dan tegen andere bepalingen. Het met keiharde hand neerslaan van de Februaristaking sprak boek­delen. Na de Februaristaking was het een publiek geheim dat de joden het ergste te vrezen hadden. Benauwd voor de toorn van de bezetter voerden bestuurders en ambtenaren angstvallig de anti-joodse maatregelen uit. Voor burgers was dezelfde vrees een aansporing om onnodig contact met joden uit de weg te gaan. De invoering van de gele ster doorbrak even de ban, toen klonk er ook protest, maar na enkele razzia’s had de dreiging weer een verlammend effect.

Ten derde was antisemitisme in Nederland wijder verbreid dan veelal wordt verondersteld, met alle gevolgen van dien. Van der Boom lijkt geen kennis te hebben genomen van de standaardwerken van Marcel Poorthuis en Theo Salemink over het katholieke antisemitisme en van Gert Jan van Klinken over de gereformeerde pendant en doet het wel heel gemakkelijk af als bij de verzuiling horende interreligieuze frictie. Hij laat zich ook heel gemakkelijk op het verkeerde been zetten doordat antisemitische dagboekschrijvers zich ook anti-Duits uitlaten.

Van der Boom trekt ten onrechte de ernst van getuigenissen van wetenschap van de genocide in twijfel door deze los te maken van de context. Hoe de joden de dood zouden vinden was een kwestie die ook liever niet werd aangeroerd, door nationaal-socialisten om de angst erin te houden, door anderen uit angst. Door eenzelfde abstrahering miskent hij hoe fundamenteel de positie van niet-joden tijdens de bezetting verschilde van die van joden, hoe de laatsten met grote moeite, tegen alle aanslagen daarop in, een normaal bestaan in stand probeerden te houden, terwijl niet-joden zich ongestraft van die nare werkelijkheid en hun bedreigde mede­burgers konden afkeren en dat ook massaal deden. Beide groepen werden met een volstrekt andere onzekerheid geconfronteerd. Daarom laat Van der Booms verklaring voor het gedrag van niet-joden – voorzover die al hout snijdt – zich niet transponeren naar dat van joden. Overigens geldt sowieso dat een historische beschrijving van de vervolging wel staat of valt met een treffend beeld van de ervaringen van de bedreigde joden, maar dat voor een historische verklaring de opstelling van de joden van geringe betekenis is. Het lot van de joden werd overwegend bepaald door de opstelling van anderen, bovenal het Duitse bestuur, maar ook door de Nederlandse instanties en bevolking. Met andere woorden: ook door gewone Nederlanders.

Sommige cijfers schokken telkens weer, schreef de historicus Hans Blom 25 jaar geleden, doelend op het grote aantal joden, 75 procent, dat tijdens de bezetting uit Nederland werd weggevoerd en vermoord. Zijn artikel, getiteld De vervolging van de joden in Nederland in internationaal vergelijkend perspectief en voor het eerst gepubliceerd in De Gids, maakte grote indruk en zette het historisch onderzoek naar de vervolging op een nieuw, vruchtbaar spoor. In plaats van de tegenstelling tussen een kleine groep Geheimnisträger en een grote massa onwetenden en machtelozen, die Jacques Presser en Loe de Jong nog hadden gehanteerd, introduceerde hij een nieuw, complexer verklaringsschema, opgebouwd uit drie clusters van oorzaken, gerelateerd aan daders, slachtoffers en omstanders. Voor een nieuwe generatie historici, onder wie Gans, Van der Boom en ondergetekende, was het een inspiratiebron en stimulans. Het bood ruimte voor de toepassing van sociaal-wetenschappelijke inzichten, voor het onderscheiden van uiteenlopende mate van betrokkenheid, voor internationale vergelijking. Maar gaandeweg stuitten deze onderzoekers ook op de grenzen van het model. Tot welke categorie moest je het Nederlandse bestuur rekenen? Omstanders of daders? Tot welke de Joodse Raad? Slachtoffer of dader? En hoe waardeer je het belang van het gedrag van de afzonderlijke groepen in de uiteindelijke verklaring? Welk gewicht ken je het gedrag van de slachtoffers toe? En liet het model wel verandering in de tijd toe?

Het schema werd niet alleen steeds minder vruchtbaar, gaandeweg bleek het ook een onbedoelde morele connotatie te hebben. Vond Blom de cijfers eerst vooral schokkend, de vergelijking met het buitenland maakte ze beschamend: waarom werden in vergelijking met andere West-Europese landen uit Nederland relatief de meeste joden weggevoerd? En daarna, toen sociaal-wetenschappelijke componenten hun weg in de beschouwingen vonden, volgde een afweerreactie: waarom konden uit een tolerant land als Nederland zoveel meer joden worden weggevoerd dan uit het antisemitische Frankrijk? Als vanzelfsprekend werd aangenomen dat het buiten de Nederlandse schuld voor joden hier zo slecht had uitgepakt. Gesproken werd van de Nederlandse paradox.

Van der Boom ergert zich aan de morele connotatie, met name aan de aansporing tot collectieve schaamte. Hij wil de omstanders tegen alle verwijten in bescherming nemen en tot een beter begrip van hun gedrag komen. Dat is lastig als je, zoals hij in lijn met het model doet, van omstanders een gefixeerde, onbestemde categorie personen maakt en hun opvattingen niet in het bredere historische kader van hun betrokkenheid bij de vervolging plaatst. Het eindresultaat is dan geen historische maar een magere psychologische verklaring. Groter worden de bezwaren als je, zoals Van der Boom doet, meer pretendeert dan inzicht te geven in het gedrag van niet-joodse toeschouwers, bijvoorbeeld inzicht in de vervolging in Nederland of in de opstelling van de vervolgde joden. Wetenschappelijk wordt dan teruggevallen op het oude, duale – door veel empirisch onderzoek inmiddels onhoudbare – verklaringsmodel van de Geheimnisträger, een kleine groep die over informatie beschikte over het bestaan van de gaskamers tegenover de grote massa onwetenden.

Mij lijkt het verstandiger de oorspronkelijke suggestie van Blom uit 1983 te hernemen. Hij stelde toen voor de door het duale model goed en fout gedomineerde fase in de geschied­schrijving als ‘bekroond en afgesloten’ te beschouwen en te kiezen voor empirisch onderzoek gericht op verklaring en analyse. Een goede historische verklaring betrekt het optreden van de belangrijkste betrokken partijen in een onderling samenhangend verband dat inzicht geeft in de totstandkoming van de afloop. Sinds Presser (1965) heeft een Nederlandse historicus dat voor de vervolging in Nederland in boekvorm niet meer gedaan.

Wat de joden tijdens de bezetting is aangedaan, is niet buiten de niet-joden om voltrokken. Of het nu de ptt-beambte was die de telefoonaansluiting van een joods gezin kwam afsluiten of de ziekenbroeder van de GG en GD die bedlegerige joden per ambulance naar de trein bracht. De vervolging was een door de bezetter aangejaagd en door het Nederlandse bestuur en Nederlandse maatschappelijke organisaties gereguleerd proces van sociale uitsluiting, beroving en wegvoering. Betrokkenen waren gewone Nederlanders en vertrouwde instanties. De herinnering daaraan zal ongemakkelijk blijven, waarbij joden die gebeurtenissen voorlopig nog wel anders zullen herinneren dan niet-joden.

In het verleden hebben tal van massale slachtpartijen plaatsgevonden waarvan sommige snel in de vergetelheid raakten, maar de vervolging van de joden was anders. Niet eerder werd een complete sociale groep volwaardige burgers binnen betrekkelijk korte tijd geïsoleerd, beroofd, mishandeld en vermoord, midden in veelal beschaafde, burgerlijke samenlevingen en met inzet van talloze voor een rechtstatelijke omgang ingerichte apparaten. Voor het begrip van de reikwijdte van die catastrofe is de wetenschap van de overmacht waartegenover de getroffen joden stonden essentieel. Nu wij het zonder de hulp van de laatste getuigen moeten stellen, vergt dat, zeker van niet-joden zoals Van der Boom en mij, veel inlevingsvermogen.

Guus Meershoek is lector politiegeschiedenis aan de p_olitieacademie en universitair docent bestuurskunde aan de Universiteit Twente_. Hij schreef onder andere Dienaren van het gezag: De Amsterdamse politie tijdens de bezetting, Van Gennep, 1999

Nederlanders

en de jodenvervolging

De discussie over het boek van Bart van der Boom Wij weten niets van hun lot: Gewone Nederlanders en de Holocaust begon met een bijdrage van Evelien Gans en Remco Ensel in De Groene Amsterdammer van 13 december, waarop een repliek kwam van Van der Boom in het nummer van 10 januari. Op groene.nl zijn hun artikelen, evenals de reacties van lezers te vinden.