Een aanwinst voor het muziekleven

Theo Verbey schreef in opdracht van de Cello Biënnale een stuk voor de eerste ronde van het concours. Verbey (1959) is docent aan de conservatoria van Den Haag en Amsterdam en een zeer productief en veel gespeeld componist. Zijn Five pieces voor cello solo gaan in het concours in première.

De lat voor het concours ligt hoog: is dat stuk van u ook zo moeilijk?

Theo Verbey: ‘Nou, dat valt eigenlijk wel mee. Een paar stukken zijn lastig, maar ik heb er niet naar gestreefd om het “onspeelbaar” te maken. Dat doe ik nooit, eigenlijk. Ik heb zelf cello gespeeld, in mijn studietijd, en het ligt me na aan het hart. Ik heb er heel veel voor geschreven, maar dit is de eerste keer als solo-instrument.’

Welk element van de cello wilt u naar voren brengen?

‘Het zijn vijf stukken met steeds een ander technisch aspect. Het zit daardoor een beetje tussen een etude en een voordrachtstuk in. Die aspecten moet je oefenen, en laten horen, maar het is natuurlijk wel een stuk dat interessant is om voorgedragen te worden.’

Vindt u een concours op zich een goed idee?

‘Dat is een gewetensvraag! Ja, in zoverre dat je altijd de noodzaak hebt je te kunnen onderscheiden van anderen. Dat is eigen aan klassieke muziek; het is een heel strenge manier, maar het doel heiligt de middelen. Het gaat ook niet zozeer om het winnen; het gaat erom dat je die ervaring krijgt.’

Heeft u zelf wel eens aan een concours meegedaan?

‘Nee. Ik heb wel in de jury van het Koningin Elisabeth Concours in Brussel gezeten. Dat is heerlijk, daar word je onthaald door de koningin op het Paleis in Laken. De wijnen die ze daar schenken…’

Dat zal in Amsterdam wel anders zijn.

‘Vast. Maar cellisten zijn eigenlijk zonder uitzondering gezellige mensen. Ze houden van samenzijn, zitten altijd in groepen, octetten, klassen. Alleen al wat dat betreft is de Biënnale echt een aanwinst voor het muziekleven.’

h Five pieces voor cello solo Nationaal Celloconcours, eerste ronde, vrijdag 27 oktober en zaterdag 28 oktober, 10.00 uur