Een aartskatholiek

Maarten Luther mag dan de man zijn geweest die het Heilige Gezag van de Paus van Rome trotseerde, zijn eigen leer was er niet minder autoritair om. Kennelijk kon slechts een katholiek het katholicisme zo radicaal ontkennen.
HET IS EEN VAN DE grote scenes uit de wereldgeschiedenis, vergelijkbaar met Jezus’ optreden in het sanhedrin en het proces dat in Rouaan tegen de navenant ketterse Jeanne d'Arc is gevoerd.

Onder de deelnemers bevonden zich zes keurvorsten, achtentwintig hertogen, elf markgraven en dertig bisschoppen, het een en ander onder persoonlijke leiding van keizer Karel V. Zij waren in vergadering bijeengekomen om voor eens en altijd een einde te maken aan het optreden van de monnik Maarten Luther, die in woord en geschrift zijn hoogste chef, de Paus van Rome, een Anti-Christ had genoemd en publiekelijk actie had gevoerd tegen de praktijk van de zogenaamde aflaat: een papiertje waarmee het banggemaakte volk zijn zieleheil kon afkopen, voor veel geld, waarmee vervolgens in ‘het Babylon aan de Tiber’ oorlogen, nieuwe paleizen en roze balletten werden gefinancierd.
'Laat je geweten spreken, Maarten! Je dwaalt!’ bezwoer hem de voorzitter van de vergadering. Maar het geweten van de dissidente monnik sprak andere taal. Daar stond hij, hij kon niet anders. Vermoeid sloot de keizer de vergadering; de weerspannige dominicaan bleek een te harde noot om te kraken. Een jubelende menigte omstuwde Luther op weg naar zijn logeeradres. Slechts een enkeling (Spanjaarden, natuurlijk) sisten hem de woorden 'Al fuego! Al fuego!’ toe.
Maar Maarten Luther weet zich tegen de brandstapel beschermd door het vrijgeleide dat voor hem is uitgeschreven. Vooralsnog, want even later zou hij zowel vogelvrij worden verklaard als in de ban worden gedaan.
ALS WOORDEN hadden kunnen doden had Rome zich de kosten van een brandstapel kunnen besparen. Luther was in de Romeinse visie 'de slechtste mens ter wereld’, een 'onbeschaamde, door zijn eigen vlees bezeten zwetser’ en 'de gemeenste aller tweevoeters’. Het was meer dan laat-middeleeuwse retoriek. Nog op het Eerste Vaticaans Concilie (1869-1870) werd een bisschop van het podium gejaagd ('Hij is een tweede Luther!’) omdat de man zo onverstandig was geweest te beweren dat niet alle lutheranen de vleesgeworden zonde zijn. Maar op het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) was de verstandhouding al zo genormaliseerd dat er beleefd werd geapplaudisseerd toen een spreker zich van een Luther-citaat bediende. En op het recente Luther-congres in februari 1996, belegd in het diepgelovige Kampen, was nota bene een katholieke theoloog, prof. O. H. Pesch uit Hamburg, verantwoordelijk voor het hoofdreferaat. Hij sprak over Luthers typisch middeleeuwse doodsangst als een van ’s mans voornaamste inspiratiebronnen. Nee, de vrede tussen Rome en de bet-achterkleinkinderen van zijn opstandige zoon is getekend. Min of meer. Bij particuliere protestanten zit er nog veel wantrouwen tegen het papendom ingeslepen. Getuige een stukje dialoog uit de wandelgangen.
Man tegen vrouw: 'Eigenlijk zijn wij, m'n vriendin en ik, vrijgemaakt, maar op een gegeven moment besloten wij Nederduits- Hervormd te worden.’
'Bevind je je dan niet op het hellend vlak?’ vroeg de vrouw.
'Haha, zeg dat wel, als het zo doorgaat eindig ik nog als een katholiek. Maar kijk, het zit zo. Ik was ouderling bij ons, in de Hervormde Kerk, en op een gegeven moment kom je dan voor de keus te staan…’
Ik schatte die jongen op drieentwintig.
Iedereen, vrijgemaakt of niet-vrijgemaakt, katholiek en protestant, gereformeerd en luthers, luisterde beleefd naar elkaar. De interkerkelijke stammenstrijd is grotendeels verdronken in het lauwwarme bad van de oecumene. Het probleem dat de katholieken met de jonge Luther hadden, de jonge Luther die het wangedrag van de clerus aan de kaak stelde, is opgelost. Nu nog het probleem dat de lutheranen met de oudere Luther hebben, al is er in de vele herdenkingsartikelen die van lutherse zijde zijn verschenen over de 450 jaar geleden gestorvene, niet veel van kritische zelfbezinning te merken. Het lijken mij, als je de lutherse clubblaadjes leest, doodgoeie mensen, veel IKV en Derde Wereld en Samen- op-weg, de vrouw in het ambt en desnoods een homo op de kansel. De hoofdredacteur van het officiele orgaan van de evangelisch- lutherse kerk in het Koninkrijk der Nederlanden heeft aangekondigd het Lutherjaar op een eigen, particuliere manier te gaan vieren. Hij maakt binnenkort 'een fietstocht door Lutherland, waarbij ik onderweg zal mediteren over de vraag hoe Luther zich voelde toen hij daar rondfietste…’ Helaas, Luther fietste niet. ’s Lands beroemdste monnik zat grimmig in zijn huiskamer, oud en izegrimmig geworden, en schold in het gezelschap van vrouw en kinderen op de boeren en de joden.
DE BOEREN VERWEET hij dat zij weigerden zich langer door de lokale, wereldlijke overheid te laten uitmergelen. De joden verweet hij dat zij zich niet wilden laten bekeren. Met de wereldlijke overheid had Luther zo zijn eigen verhouding. Hij had, na de kerkelijke, althans katholieke overheid ten gunste van het lutheranisme te hebben geliquideerd, een eigen staatstheorie ontworpen. Het is de leer van de Twee Rijken die beveelt dat de onderdaan zich niet tegen het staatsgezag mag verzetten. Dat is immers niet alleen van God gegeven, maar, anders dan het gezag van de rooms-katholieke uitzuigers van vroeger, ook typisch Duits. Vroeger was Duitsland een rommelig, onoverzichtelijk geheel van honderden vorstendommetjes geweest, zonder eenheid, met eigen wetten, een staatkundige lappendeken met honderden verschillende dialecten. Luther schonk zijn volk een eenheidstaal door de bijbel in het Duits te vertalen, een boek dat voordien exclusief in het Latijn werd geraadpleegd. De erfgenamen van Luther schonken het volk op hun beurt de Duitse natie, de wilhelminische, door het protestantse Pruisen gedomineerde eenheidsstaat, gestoeld op 'Duitse kracht’, 'Duitse trouw’, 'Duitse ernst’ en 'Duitse diepzinnigheid’. 'Duitse mannen’ hanteerden 'het Duitse zwaard, dat nog door Luther is gesmeed’, eerst (in 1871) tegen de Fransen, later (in 1914) tegen Europa, en nog later (in 1940) tegen de hele wereld.
Zonder dat de evangelisch-lutherse kerk in den lande daar, een incidentele geloofsheld als Dietrich Bonhoeffer niet te na gesproken, tegen protesteerde. Wat de overheid deed, had Maarten Luther immers geleerd, is welgedaan, zelfs als het het voeren van wereldoorlogen betreft.
Ja, Luther is tot in de nieuwste geschiedenis medeverantwoordelijk voor wat 'de overheid’ zich in zijn hoogmoed jegens zijn onderdanen (en anderen) meent te kunnen veroorloven. 'Zijn boeken over de verhouding tussen kerk en staat drukken tot op de dag van vandaag een stempel op dit land, een land dat buitenstaanders als ten diepste protestant ervaren’, schreef recentelijk de hoofdredactrice van een evangelisch weekblad uit Beieren. 'Zij bedoelen daarmee het Duitse intellectualisme, het Duitse moralisme en het Duitse idealisme, plus de Duitse neiging tot extremisme, zich manifesterend in het niemandsland tussen terrorisme en onderdanigheid jegens de overheid.’
DE STRIJD TEGEN het corrupte Rome is een daad van ongehoorde moed geweest. Men stelle zich voor: een man, slechts in het bezit van zijn habijt en zijn zakmes, die het waagt om de machtigste institutie ter wereld te trotseren. Het schrijven van de Lutherbijbel was een culturele daad van de eerste orde, die het Godsvolk uit een positie van theologisch analfabetisme tilde. Het heeft Luther tot de meest vereerde Duitser van de laatste eeuwen gemaakt. Is het toeval dat zo'n spectaculaire figuur als hij in passieve zin zo'n bescheiden rol in de cultuurgeschiedenis speelt? Nee, dat komt omdat de man tot voor kort zo disproportioneel werd geprezen dat slechts een protestant heiligenbeeld restte, en een heiligenbeeld is zelden een bron van culturele inspiratie. Heiligenbeelden functioneren niet, in bibliotheek noch concertzaal. Natuurlijk kennen wij Mendelssohns Reformatiesymfonie en Bachs cantate Ein fester Burg ist unser Gott, op tekst van een van Luthers eigen koralen. Maar van een literaire Luther-receptie is nauwelijks sprake en het weinige dat voorhanden is, betreft veelal de bladzijde die de meeste lutheranen het liefst uit de biografie van de theoloog zouden scheuren.
Het betreft de Boerenoorlog van 1524- 1525. Dat was een volkomen rechtvaardige strijd, gevoerd door een volk dat genadeloos door zijn overheden werd uitgezogen. De opstandelingen beschouwden Luther als een natuurlijke bondgenoot. Waarom zou de man die ooit de corruptie in Rome bestreed tegen het despotisme aan de hoven van Saksen en Thuringen zijn? Helaas waren de boeren vergeten dat Luther inmiddels zijn Twee-Rijkenleer had ontwikkeld en zich dus onvoorwaardelijk met het overheidsgezag solidariseerde.
Lees zijn vlugschrift Tegen het roofzuchtige en moordlustige boerenvolk. De schrijver hanteert hier, als wel vaker, de taal van een maniak. 'Daarom moet, in het openbaar of achter gesloten deuren, elke opstandeling worden doodgeslagen, gewurgd of doodgestoken, waarbij men moge bedenken dat er niets vergiftigenders, schadelijkers en duivelser is als een oproerling, opdat hij als een dolle hond om het leven wordt gebracht.’ Nooit hebben de boeren Luther zijn verraad vergeven. Het heeft van het lutheranisme definitief een godsdienst van middenstanders en overheidsfunctionarissen gemaakt.
Dieter Forte heeft over deze materie een documentair toneelstuk geschreven. Hierin debatteert Luther met de opstandelingenleider, zijn collega-theoloog Thomas Munzer.
'Wat het gepeupel nodig heeft, is een strenge, harde regering’, zegt Luther. 'Laat niemand zich verbeelden dat de wereld geregeerd kan worden zonder bloed. Wie heeft ooit iets onbehouweners gezien dan een boer? De ezel vraag om slaag, en het gepeupel vraagt om gewelddadig gezag.’
'Je zou niet zo moeten neerkijken op de kleine man’, zegt Munzer.
Hij wordt uiteindelijk naar het schavot gevoerd. Onder toezien van Luther, Luthers vrouw en de vorsten. Zij zingen 'Een vaste burcht is onze God, een toevlucht voor de zijnen’. Een bijl slaat op een blok. Zij zingen harder. Het hoofd van Thomas Munzer, gespiest op een stang, wordt omhooggestoken. Zij zingen nog harder.
MAARTEN LUTHER was een waarachtige revolutionair - tot hier en niet verder. Daarnaast was hij een grofbesnaarde Saksische boer, wiens uitlatingen zelfs voor de verre van zachtzinnige zestiende eeuw ongebruikelijk scherp waren. Van de joden moest hij ook niets weten, getuige zijn traktaat Von den Juden und ihren Lugen (1543). Hun synagogen moesten in brand worden gezet, opdat zij in hun godsdienstoefeningen geen gelegenheid meer zouden krijgen kwaad over Jezus en zijn Heilige Moeder te spreken. Wilden zij met alle geweld volgens de mozaische wetten leven? Naar Palestina met dat zooitje! 'Daarom, als u een jood ziet, sla met een gerust geweten een kruis en spreek de woorden: Zie, daar gaat de duivel in levende lijve.’
Het traktaat deed in terminologische botheid in geen enkel opzicht onder voor de antisemitische scheldpartijen van Julius Streicher, de hoofdredacteur van Der Sturmer, constateerde Menno ter Braak in zijn essay 'De Augustijner monnik en zijn trouwe duivel’. Hij schreef dit in 1938. Even la ter organiseerden de nazi’s de Kristallnacht waarin inderdaad het merendeel der synagogen met de grond gelijk werd gemaakt. Het geschiedde op 10 november, de vooravond van Luthers verjaardag. 'Waarlijk, men had hem geen grotere dienst kunnen bewijzen’, jubelde het hoofd van de evangelisch-lutherse kerk. Toen voornoemde Julius Streicher een kleine tien jaar later in Neurenberg voor zijn rechters stond, verdedigde hij zich met de woorden: 'Als Maarten Luther vandaag de dag nog zou leven, zat hij in mijn plaats in de beklaagdenbank.’
Inderdaad, het restauratieve, autoritaire lutheranisme was hecht verbonden met de sterke staat, om het even of het het Pruisen van Wilhelm II of het Derde Rijk van Adolf Hitler was. Toen werd er even later op Duitse bodem een nieuwe totalitaire natie opgericht: de Duitse Democratische Republiek. Dat waren communisten, dus, zou men denken, tegen de godsdienst. Daarnaast had Luther de revolutionaire boeren in de rug aangevallen, een feit waarover de jonge arbeiders- en boerenstaat onmogelijk erg tevreden kon zijn. Bovendien was de officiele staatsdoctrine het antifascisme, dus, zou je veronderstellen, was de natie tegen Maarten Luther, de man die de ideologische argumenten voor de moord op de joden had geleverd. Met belangstelling keek de buitenwereld naar de voorbereidingen van Luthers vijfhonderdste geboortedag, in 1983, want alle Heilige Plaatsen lagen op Oostduitse bodem, zodat de staat, of zij wilde of niet, inzake Luther stelling moest nemen.
De DDR koos, zoals zij reeds eerder met andere 'grote zonen’ had gedaan, voor de ideologische annexering. Arbeiders aller landen, in godsnaam, verenigt u, sprak staatschef Erich Honecker en stelde zich aan het hoofd van het honderdkoppige Maarten-Luthercomite. Vervolgens daverden de Duits-Democratische media van de ideologische schmoezen. Luther als boerenoorlogsmisdadiger? Dat waren praatjes van politieke sektariers. In werkelijkheid was 'Luther progressieve erfenis een onderdeel geworden van de socialistische Duitse nationale cultuur’. De collaborende lutherse bisschoppen lieten het zich allemaal aanleunen: breed lachend, het kruis op de buik, lieten zij zich op de constituerende vergadering van het Maarten-Luthercomite fotograferen, zij aan zij met al die foute mannen met al die foute pakken. De evangelisch-lutherse kerk had weer een autoritaire staat gevonden om de Twee-Rijkenleer van Maarten Luther in te praktizeren. 'Vrees God. Houd de overheid in ere. Iedereen is de overheid tot onderdaan. De overheid is de dienaar Gods.’ Het valt in gothische letters te lezen boven de ingang van het stadhuis van Wittenberg, de gemeente waarin Luther de vijfennegentig stellingen formuleerde die de alleenheerschappij van de katholieke kerk zouden breken.
HIJ STICHTTE daarnaast een nieuwe kerk met leerstellingen die, ideologisch gezien, eerder anti-revolutionair dan revolutionair moeten worden genoemd. De aartskatholiek Maarten Luther was niet in staat over zijn eigen schaduw heen te springen. Het kon niet anders. Slechts een katholiek kon het katholicisme zo radicaal ontkennen, zoals alleen een theologisch geschoolde moralist als Nietzsche in staat was antichrist en immoralist te worden. Zijn leven lang is Luther de ijveraar gebleven die zichzelf, als jonge monnik, zo vehement met de zweep kastijdde dat zijn superieuren zich ernstig zorgen begonnen te maken. Eerst kastijdde hij zichzelf, later kastijdde hij diegenen die het waagden het van God gegeven staatsgezag te ontkennen. Een merkwaardig soort hemelbestormer! Een protestant die onophoudelijk met zoiets paaps als de duivel worstelde, een hervormer die in het vagevuur geloofde, een vernieuwer die ervan overtuigd was dat de Jongste Dag aanstaande was.
Zijn tijdgenoten Copernicus en Columbus hebben de middeleeuwen uitgeluid. Zelf stichtte hij naast de ene conservatieve kerk een tweede conservatieve kerk, met dien verstande dat die tweede conservatieve kerk minder omkoopbaar was en meer ruimte liet voor individuele geloofsbeleving. Maar wat heet 'geloofbeleving’? Een echte revolutionair had het volk van het geloof proberen af te helpen, waar het immers, geknecht en domgehouden, bitter weinig plezier aan beleefde.
De geschiedenis van de lutherse geloofsbeleving herhaalt zich op het ogenblik via de persoon van de bijbelvorser Gerd Ludemann, lutheraan en hoogleraar in de vraagstukken rond het Nieuwe Testament. Ludemann heeft recentelijk een boek geschreven waarin hij een aantal van deze vraagstukken aan de orde stelt. In sceptische zin. Hij gelooft niet in de maagdelijke geboorte van Jezus, hij ziet niets in de aanstaande wederkomst van Gods zoon, hij beschouwt Jezus als een soort handoplegger, in elk geval niet als iemand die de doden tot leven bracht, het brood vermenigvuldigde en over het water placht te wandelen. Bovenal beschouwt hij het Nieuwe Testament als pure zwendel, geschreven door lieden die geen van allen ooit in het gezelschap van Jezus hebben verkeerd.
'Leugen is leugen, ook als dit in de bijbel staat.’
Dat is vloeken in de kerk. Daarom doet de evangelisch-lutherse kerk thans een poging om Ludemann uit zijn ambt te laten zetten. Tenzij hij bereid is zijn thesen in het openbaar te herroepen.
Is hij daartoe bereid? vroeg een interviewer.
'Neen’, zei Gerd Ludemann.
Hij kan natuurlijk niet anders.