De IJzeren Eeuw

Een aarzelende stap

De IJzeren Eeuw, met haar bruggen, fabrieken, kerken, postkantoren, musea en ministeries, wordt getoond zoals eerder al de Gouden Eeuw was te zien: onderdeel van een ononderbroken beleving van het Nederlanderschap.

Medium ijzer1

De vaderlandse geschiedenis is overzichtelijk. Er was een Opstand. Daarop brak een Gouden Eeuw aan, die werd gevolgd door een Zilveren Eeuw, en daarna kwam er een IJzeren. Hendrik Tollens markeerde de komst van die laatste in 1810: ‘De ijzren eeuw! (…) Ze is, beweert men, de allerlaatste: wat het laatst komt is het best.’ Een begrijpelijke hoop, want tussen de Zilveren en de IJzeren Eeuw had een periode van revolutionaire onzekerheid gezeten, waarin de economie tot stilstand was gekomen, oude vormen en gedachten waren gestorven en de Republiek als staatsvorm was vergaan. Pas met Lodewijk Napoleon was de nieuwe tijd begonnen.

Deze eeuw van bruggen, spoorwegen, schepen en fabrieken, van kerken, bonden, postkantoren, musea en ministeries is onderwerp van een veelomvattend project: een dertiendelige televisieserie voor volwassenen en twee series voor de jeugd, een tentoonstelling in het Amsterdam Museum, een waaier van digitale uitingen, een tijdschrift én een stevig boek, geschreven door Kees Zandvliet en Hans Goedkoop, die ook de televisieserie presenteert.

De IJzeren Eeuw wordt getoond zoals deze partijen eerder al de Gouden Eeuw lieten zien: onderdeel van een ononderbroken beleving van het Nederlanderschap, een geschiedenis van continuïteit. De samenstellers van boek en serie kiezen voor kopstukken, van Lodewijk Napoleon, Pierre Cuypers en Abraham Kuyper tot Aletta Jacobs, de weduwe Borski, Betsy Perk en de textielfabrikant Van Heek, mensen die opmerkelijk weinig blijken te verschillen van ‘ons’ in ‘onze’ tijd. Er wordt gewezen op negentiende-eeuwse verschijnselen ‘die ons bekend voorkomen’: de kracht van het particulier initiatief, de discussie over toenemende overheidsbemoeienis, de emancipatie van bevolkingsgroepen ‘die in de verdrukking zaten’; verder wijst men terecht op de opkomst van massacultuur, op ideeën over de rol van de vrouw en ook – zeker aan het eind van de eeuw – op het ontstaan van een innerlijke onzekerheid, een soort Weltschmerz die zal voeren naar de Eerste Wereldoorlog.

Voor een goed begrip van al die ijzeren daadkracht is het belangrijk dat er een contrast wordt geschapen met de oude samenleving die door de nieuwe eeuw zou worden uitgewist. De samenstellers zetten die ‘zachte’ cultuur hardhandig neer: ‘Het land leek in zichzelf gekeerd geraakt, verwend, verweekt, de voorsprong op de andere machten was een achterstand geworden. IJzer, bruggen, rails? In vergelijking met de buurlanden stelde het weinig voor bij ons. We werden links en rechts voorbijgestreefd door naties die we vroeger amper zagen staan.’

Hier moest ik denken aan ‘het Keezending’. De Brit James Watt vervolmaakte in 1769 de stoommachine, een ontwerp dat al een lange voorgeschiedenis had; Watt en zijn compagnon Matthew Boulton brachten het ding in 1776 voor het eerst in bedrijf. De Hollanders liepen daar niet bij achter, sterker nog: men liep gelijk op. In 1775 had het ‘Bataafs Genootschap voor Proefondervindelijke Wijsbegeerte’ van de Rotterdammer Steven Hoogendijk in Engeland een Newcomen-stoommachine gekocht, en men stelde die al op 9 maart 1776 met succes in werking. In 1787 werd een nieuwe machine opgeleverd, een Boulton Watt, voor het drooghouden van de polder Blijdorp. De machine voldeed: ook de wateroverlast van nabijgelegen polders werd door het gemaal in zes weken weggepompt, 1750 kubieke voet per minuut. Omdat Hoogendijk tot de Patriotten (‘kezen’) behoorde werd het gemaal door de Oranjegezinde ingelanden het ‘Keezending’ genoemd.

Ondanks het succes werd de machine in 1791 ontmanteld. De boeren vertrouwden het niet. Raar: je zou denken dat de Hollanders voor hun waterhuishouding tuk waren op veelbelovende innovaties, maar het tegendeel was waar. De stoommachine was nog te duur, de bedrijfszekerheid niet hoog, de brandstof was schaars, en de oude houten windmolens waren tegen het eind van de achttiende eeuw ver doorontwikkeld en behoorlijk effectief. De stoommachine werd dus nauwelijks toegepast.

U voelt al aankomen dat de schrijvers van het boek met Jan Salie op de proppen komen. Sla maar na: Jan Salie is een figuur uit het satirisch verhaal Jan, Jannetje en hun jongste kind van Evert Potgieter uit 1841. Potgieter windt zich in dat verhaal verschrikkelijk op over het gebrek aan daadkracht in zijn tijd, en hij schept in Jan Salie de volmaakte pispaal, een slierislari: ‘… den langen slungel (…), die ginder slemp schenkt, en ginder slemp lept: welke doffe oogen! – welk een meelgezigt! – welk eene houding van slierislari! (…) hij, de patroon aller slaapmutsen, aller soepjurken, aller sloffen te onzent! hij, Jan Salie!’ Deze Jan Salie is bedorven door zijn ouders, die dwepen met een glorieus verleden, en hij is nergens goed voor: ‘… voor den goederen-handel deugde hij niet – die eischt allerlei kennis van reederij – van uitreize en van tehuisvracht – van assurantie – van wissels – van artikelen – van markten – van talen – van zeden – van volken, – Jan Salie zou overal te laat komen en zich overal beet laten nemen.’ Dit gaat nog geruime tijd voort, want als Potgieter zich kwaad maakte, dan was hij kwaad. Gelukkig zet de familie Jan Salie aan de dijk, waarmee het herstel van Nederland beginnen kan.

Medium ijzer
Was dat nieuwe koninkrijk dan niet met vliegende vaart van start gegaan, de koning-koopman aan het roer? Neen

De relatie met dat glorieus verleden, dat Jan en Jannetje koesteren – zij lezen nog Cats – is interessant; de tentoonstelling in Amsterdam demonstreert de relatie met een wand vol historiserende schilderijen uit de eerste helft van de IJzeren Eeuw. De zeventiende eeuw was een obsessie – zie bijvoorbeeld de oprichting van een standbeeld van Rembrandt op de Botermarkt te Amsterdam, gefinancierd door de brave kunstenaars van Arti – maar nauwelijks een inspiratie. Er was geen nieuwe lente, en geen nieuw geluid.

Potgieter schreef zijn tirade in 1841. De IJzeren Eeuw was toen al vier decennia onderweg, de Oranjes zaten al 25 jaar in het zadel en nóg kankerde men over de stagnatie. Was dat nieuwe koninkrijk dan niet met vliegende vaart van start gegaan, de koning-koopman aan het roer? Had de mechanisering van het wereldbeeld, het Verlichtingsdenken, het begrip dat de wereld – en de mens – maakbaar was, de Nederlanders dan niet in de greep? Lang niet allemaal, kennelijk. Het project De IJzeren Eeuw geeft gerede aanwijzingen om onder de eerste ijver toch vooral hardnekkige stagnatie te zien. Te beginnen bij de koning, die geen tegenspraak duldde, stevige oogkleppen droeg en dus de klappen van de moderne wereld niet zag aankomen, met de Belgische opstand als belangrijkste voorbeeld: Willem I bleef zich nog negen jaar verzetten tegen het fait accompli van de deling. Waar hij voorop liep in het ene dossier, daar liep hij elders geweldig in de weg. Ondanks de veelbezongen kanalengraverij van de vorst kampten de Nederlanders bijvoorbeeld nog decennialang met ernstige overstromingen.

Het Haarlemmermeer was daarvan het pijnlijkste voorbeeld. In 1836 braken de dijken aan de noordoostkant door waardoor het complete gebied tussen Sloten en Amsterdam onderliep; nog hetzelfde jaar stonden ook de straten in Leiden blank. De koning gaf nu opdracht tot maatregelen, maar de eerste plannen voor de droogmaking gingen uit van bemaling door 79 windmolens, aangevuld door drie kleine vijzelstoomgemalen. Of Heinrich Heine het nou gezegd heeft of niet, hier had hij het kunnen zeggen: in Holland gebeurden de dingen dus écht pas vijftig jaar later. Pas in 1840, vijftig jaar na de ingebruikneming van het Keezending, kwam er schot in: na een studiereis in Engeland koos een commissie van drie wijze mannen toch voor stoommachines met groot vermogen; de grootste stoommachines ter wereld zelfs, de Lynden en de Cruquius. In 1852 viel de polder droog, achttienduizend hectare nieuw land.

De IJzeren Eeuw is dus eigenlijk geen eeuw: het is een halve eeuw. De ware modernisering van Nederland begon pas in de jaren veertig, onder Thorbecke: na 1848 had de koning niet meer het primaat. Pas toen wisten de kapitaalkrachtige industriëlen zich verzekerd van politieke invloed en van voldoende ruggensteun voor grote investeringen. Zij investeerden, en tegelijk groeide de staat, bouwde bruggen, ziekenhuizen, treinstations, gemeentehuizen, kortom, de structuur van het land waarin wij in grote lijnen nog steeds wonen.

De vormgeving van het boek De IJzeren Eeuw is, met twee dooreengevlochten stromen tekst, misschien niet de allerhandigste die ik ooit zag. De ene schrijver (Kees Zandvliet) richt zich droogjes maar kloek op de informatie en de grotere lijnen, en de andere (Hans Goedkoop) penseelt met een wat lossere hand over personen, ditjes, datjes en (jawel) gevoelens. De tentoonstelling in het Amsterdam Museum is keurig, maar een tikje bescheiden; een wand met foto’s van Cuyperskerken en wat gipsen heiligenbeelden doet die stormachtige katholieke emancipatie nauwelijks recht.

De televisieserie daarentegen getuigt van de handige en breed georiënteerde aanpak die de geschiedenistelevisie van de publieke omroep kenmerkt sinds Ad van Liempt in 1999 het programma Andere tijden op poten zette. ‘Zij’ van de negentiende eeuw zijn niet anders dan ‘wij’, en dus spreekt Hans Goedkoop met Dominique van der Heyde (nos) over de architect Cornelis Outshoorn, haar voorvader, die het Amstelhotel en het Paleis voor Volksvlijt ontwierp, en met Karin Bloemen over Betsy Perk en de vrouwenarbeid. De hemeltergende uitbuiting van arbeiders wordt letterlijk gedemonstreerd in de aflevering over de Twentse textielfabrieken, waarin Hans Goedkoop een uurtje aan het werk gezet wordt in de hitte, de vochtigheid en de herrie van een fabriekshal van toen. Dat spreekt tot de verbeelding; het programma geeft echter ook de uitbuiters van weleer flink de ruimte. Die stinkend rijke patroons meenden het niet slecht, ze gaven de arbeiders toch maar mooi een stadspark, en werkten die wevers vóór de industrialisatie niet ook al achttien uur per dag? Nu stonden ze tenminste binnen.

Het is frappant om dan de continuïteit van de IJzeren Eeuw naar de onze te zien. In Enschede staan de oude gebouwen van de textielfabrieken weliswaar leeg, want de nijverheid zit in China en de arbeiders zijn verdwenen, maar de nazaten van de ondernemers genieten nog van het oude familielandgoed dat ‘met het bloed der arbeiders’ werd betaald. Een van hen, de schrijver Jaap Scholten, wil op verzoek nog wel even ballerig foeteren op het ondankbaar socialistisch grauw, dat het waagde zich te verzetten tegen een loonsverlaging van tien procent. Dan is de eeuw opeens pijnlijk dichtbij.


De IJzeren Eeuw, t/m 2 augustus in het Amsterdam Museum. De gelijknamige tv-serie van NTR/VPRO is vanaf 3 april te zien op NPO 2

Beeld: (1) De bouw van Centraal Station Utrecht, 1894, fotograaf onbekend (Collectie Spoorweg Museum Utrecht); (2) de Dam in Amsterdam, 1898, George Hendrik Breitner, 185 x 219 cm (Amsterdam Museum, bruikleen Stedelijk Museum Amsterdam)