De Wereldtentoonstelling in Shanghai

Een achterhaalde grabbelton

Autoloos, groen en healthy, zo ziet de stad van morgen er volgens de Wereldtentoonstelling in Shanghai uit. Maar Shanghai 2010 is niets meer dan een exposé van nieuw commercieel opportunisme.

MOGEN WE VOOROPSTELLEN dat het Nederlandse paviljoen op de Wereldtentoonstelling in Shanghai een succes is? De kermisattractie van John Körmeling, want dat is het, is precies datgene waar Chinezen dol op zijn - en die komen dan ook in groten getale af op zijn Happy Street, waar ‘zijn’ kamertjeszonde onder meer is ingevuld met Dutch Design, de tiara van Máxima, een draaiorgel en de zwevende kei van Wim T. Schippers. Hoewel die helaas voor de korter bemeten Chinezen wat te hoog zweeft, is de steen verleidelijk genoeg om de miniatuurcamera’s in beweging te brengen. Körmeling heeft, zoals bekend, de Dutch greatest hits als het gaat om architectuur aan elkaar gelast aan een achtvormige hellingbaan. Achtbaan! Acht! Dat is het geluksgetal voor de Chinezen. Die kunnen dus hun geluk niet op.
Toch is het grootste succesnummer een kudde (plastic) schapen die staat uitgestald op een veld van kunstgras onder de Happy Street. Chinezen liefkozen de beesten alsof ze van vlees en bloed zijn, nuttigen er hun kroketten en frites die ze in Körmelings snackbar kunnen kopen of zetten er hun baby met opengereten broekje op (pampers bestaan gelukkig nog niet in China), zodat je wel drie keer aarzelt om op het schaap te gaan zitten. Maar ja, gêne is grenzeloos. Waarom geen koeien, vroeg ik me af, immers Nederlands belangrijkste handelsmerk? Te groot voor de Chinezen vermoedelijk, hoewel het Rotterdamse ontwerperscollectief ZUS voor kalfjes had kunnen kiezen. Dan was het stereotiepe Nederlandse imago compleet geweest. Niettemin, een trouvaille, die schapen.
Dat uitgerekend een Las Vegas-achtig minipretpark (het NL-paviljoen) op instemming kan rekenen, is een teken aan de wand voor een Wereldtentoonstelling als die in China. Het is al net zo tekenend dat het merendeel van de landen heeft gekozen voor een blackbox die met een geprint zeildoek is bekleed waarachter de zoveelste schaamteloze landenpromotie schuilgaat. Niet dat het publiek daarom taalt, het staat uren in de rij om zich vervolgens een kwartier te verlustigen aan flamenco plus reuzenbaby (Spanje), Mounties en ijshockeyers (Canada), een replica van een triomfboog (Italië) of een diamantslijperij (België, bonbons bijgeleverd). De globalisering kan onthutsend platte entr'acts tot stand brengen.
Better city, better life is het motto van deze Wereldtentoonstelling. Dat betekent twee dingen. Dat het 'expo-terrein’ - een voormalige vervuilde werf met scheepsdokken - op korte termijn deel gaat uitmaken van de stad Shanghai, zoals indertijd ook in Sevilla is gebeurd. In een moordend tempo heeft de stad het gebied aan weerszijden van de rivier Huangpo gereinigd en aangesloten op het metro- en busnetwerk. Zodra de paviljoens zijn afgebroken en opgeruimd, zullen alleen de boulevards en sommige hallen nog herinneren aan de manifestatie. De hallen gaan dienst doen als conferentiecentrum of museum voor moderne kunst, waaraan in de zakenstad behoefte bestaat.
Better city, better life heeft nog een andere, bijna moralistische boodschap. Nu steden overal in de wereld de plattelandsbevolking aanzuigen komt het erop aan de leefbaarheid te verbeteren, willen we ons niet als ratten in een benepen kooi gaan gedragen. Dus wordt het publiek om de oren geslagen met het inmiddels bijna inflatoire begrip groen, gewezen op het belang van health, op energiezuinige woningen en op duurzame stedenbouw. De duurzame stad is volgens vele inzendingen carbonvrij. Daar hamert bijvoorbeeld Londen op. Geen stikstof mag de schoorsteen of uitlaatpijp verlaten. Deze stad van morgen kent recyclebare huizen en heeft de auto in de ban gedaan. Als iets in Shanghai tot een verboden product is verklaard, is het wel de op benzine of gas rijdende auto. Geen land durft die nog te verheerlijken - de elektrische auto maar liever nog de fiets heeft de toekomst. Het lijkt warempel wel op het algehele rookverbod in publieke ruimten dat in veel landen tegenwoordig van kracht is.
Niet dat de deelnemende landen veel visie hebben geëtaleerd op het onderwerp better city, better life, Nederland evenmin. Zeker bij de ontwikkelingslanden en opkomende economieën ligt de nadruk op toerismepromotie en vermaak. De Verenigde Staten spannen hierin uiteraard de kroon, met shows en entertainment op het plein voor het paviljoen, zodat de lange rij wachtenden zich niet hoeft te vervelen. Nee, het motto is beter uitgewerkt aan de 'stadskant’ van het expo-terrein waar metropolen zich als case studies profileren: het eerder genoemde carbonvrije Londen, het bamboehuis van Madrid, het autarkische gebouw van Hamburg maar vooral het sensitieve paviljoen van de stad Ningbo (tweehonderd kilometer verwijderd van Shanghai). Daar worden dagelijks tussen hergebruikte stenen muren vlinders losgelaten en zwemmen goudkarpers in de gracht rondom. Ningbo wil laten zien dat de natuur op afroep beschikbaar is, ook in een dichtbevolkte stad, compleet met digitaal netwerk dat bijvoorbeeld mobiliteit moet uitschakelen.
Vergeleken daarmee maakt de presentatie van Rotterdam een povere indruk. Hoe valt er te leven achter de dijken en onder het zeeniveau, en hoe verwerk je het overtollige water bij extreme regenval? is de vraag die onze handelspartner van Shanghai behandelt. Dat mag met de klimaatverandering een actueel vraagstuk zijn, het is alleen zo weinig evocatief in beeld gebracht dat het uitleg behoeft. Te veel uitleg voor een expo waar subtiliteit niet in het jargon voorkomt. Typisch een antwoord vanuit Wilders-achtig Nederland dat meer met zichzelf bezig is dan met de wereld.
In die zin kan een Wereldtentoonstelling verhelderend zijn. Ze stelt thema’s aan de orde, reflecteert de polsslag van de tijd. Ze is tevens een middel om in snel tempo op de hoogte te raken van internationale ontwikkelingen, vooropgesteld dat de wachttijden voor de paviljoens niet zo lang zijn. Wat gebeurt er in Korea, wat in de Arabische wereld, hoe staan nieuwe economieën als India, Rusland en Brazilië ervoor in vergelijking met de Nederlanders en hun Happy Street?
Om de laatste vraag te beantwoorden: er is beslist progressie uit 'de nieuwe wereld’, hoewel de West-Europese landen nog een streep voor liggen als het gaat om innovatie, inventiviteit en ironie. Die drie i’s keren terug in Zwitserland dat zijn gasten in kabelbanen boven een nieuw ecologisch Alpenlandschap laat rondzweven, en in het Deense paviljoen, een architectonische topper van BIG Architecture. In een witte spiraal met geperforeerde wanden kan men op een fiets de hellingbaan naar boven nemen - met uitzicht op de Zeemeermin in een centrale vijver - om vervolgens de terugweg in sneltreinvaart af te leggen. Omdat er al enkele ongelukken zijn gebeurd en de hoeveelheid valhelmen geen gelijke tred houdt met het aantal fietsen, is dit experiment helaas teruggeschroefd. Intussen is Denemarken er wel in geslaagd zich te profileren als een schoon, veilig en gezond land, waar de duurzaamheid voornamelijk bestaat uit 'een prettige gemeenschap’. 'Wij mogen dan niet zozeer geloven in een god, maar wel in goede intermenselijke verhoudingen’, staat er ergens in een bijschrift, fijntjes verwijzend naar de cartoonhysterie.

WIE DEZE BONTE KERMIS van nationaliteiten en nationalisme bijeen ziet, ontkomt niet aan de vraag of een Wereldtentoonstelling heden ten dage nog zin heeft, zeker als er een beladen thema is uitgekozen als better city, better life. Want als een organisatie ecologie en leefbaarheid prominent aan de orde stelt, is het vrij logisch een grootschalige, consumerende manifestatie als deze te verwerpen. Hoe China zijn best ook doet om haantje de voorste te zijn bij de beperking van co2-uitstoot, de opbouw en afbraak van paviljoens en de dagelijkse bevoorrading van tientallen restaurants kunnen onmogelijk bijdragen aan 'a better future’. Is, met andere woorden, de tijd voor dergelijke massapresentaties niet voorbij, nu internet de hele wereld, inclusief haar ideeën, dichterbij haalt? Bijt een Wereldtentoonstelling als deze in Shanghai niet in haar eigen staart, als ze zelf niet in staat is de interne logistiek te regelen? Het interne transport over een terrein van vele kilometers laat schromelijk te wensen over. Afgeladen bussen, volgeboekte golfkarretjes; de bezoekers rest niets anders dan eindeloze wandelingen langs suf makende 'dozen’. Dat is geen better city, laat staan een better life.
Wereldtentoonstellingen waren vanaf 1851 bedoeld als exposés van het menselijk vernuft, die iconen hebben nagelaten als Crystal Pallace in Londen (1851), de Eiffeltoren (1889) en in de afgelopen eeuw het Mies van der Rohe-paviljoen in Barcelona (1932) en het Atomium in Brussel (1956). Stuk voor stuk ontzag inboezemende gebouwen. Op de laatste grote Wereldtentoonstelling, in 2000 in Hannover, was qualitate qua het Nederlandse paviljoen, ontworpen door MVRDV, zo'n icoon van de nieuwe tijd. Het staat te verkommeren, in feite een onderstreping van het failliet van iconische wereldpresentaties. Tussentijdse Wereldtentoonstellingen zoals die in Lissabon en Zaragoza zijn nauwelijks opgemerkt, in Zwitserland schijnt een voorbeeldige te zijn gehouden - met als Nederlandse deelname het architectonisch talent Adriaan Geuze - die geruisloos in de annalen is verdwenen. Dat Shanghai nu wel de publiciteit haalt, komt doordat China een mekka is voor investeerders, 'omdat het daar gebeurt en iedereen erbij wil zijn’. Kortom een feestje waar je als vip niet mag ontbreken, zeker niet als er wat te verdienen valt.
Het is een schamele onderbouwing van een doorzichtig economisch ideaal. Want anders dan in Hannover waar gerenommeerde architecten in ieder geval lieten zien welke heersende cultuur er in een desbetreffend land bestond, laat Shanghai 2010 zich niet anders beschouwen dan als een exposé van nieuw opportunisme: wat valt er in en uit de sterkst groeiende economie ter wereld te halen? De Wereldtentoonstelling als grabbelton. Wat ooit begon als een creatief internationaal treffen, is klaarblijkelijk gedegradeerd tot een vertoon van protectionisme. Ook de Chinezen hebben dat omarmd door een paviljoen neer te zetten in de vorm van een omgekeerde tempel, waar de balken van de constructie in elkaar grijpen - officieel de dougong genoemd. Gevoelig als de Chinezen zijn voor symboliek zijn het 56 balken die de even zovele etnische minderheden in het land vertegenwoordigen. Levert dat verheffende architectuur op? Nauwelijks. Het is tekenend dat ik het model terug zag, elders in Shanghai, dienst doende als plantenbak.
Dat architectuur de sluitpost is op een manifestatie die in het teken staat van handel en entertainment, wordt tegelijk geïllustreerd door het Nederlandse paviljoen. Hoe vernuftig ook de collage van Körmeling, het is eerder sculptuur dan architectuur, meer experience dan innovatie. Wereldtentoonstellingen zijn waarschijnlijk niet meer van deze tijd, in westerse ogen misschien. Hoewel. Wetende dat Disney nog nauwelijks is doorgedrongen tot China, en wetende dat er buiten Shanghai nog een slordige 150 miljoenensteden zijn, zou het concept Wereldtentoonstelling als pretpark voor Azië een nieuwe toekomst kunnen ondergaan. Er is belangstelling genoeg. Als China de rest van de wereld economisch heeft overruled, is zo'n economisch vehikel niet eens meer nodig.

De Wereldtentoonstelling in Shanghai duurt nog tot 31 oktober