Alleen zijn

Een achterkamer voor mezelf

Het is een aanjager van almachtsfantasieën en horrorscenario’s: alleen zijn. We verlangen ernaar, en zijn tegelijkertijd doodsbang als het echt zo ver is.

Medium marja

De dierenarts kijkt me aan, met een blik waarin je afhankelijk van je eigen gemoedsgesteldheid vermoeidheid of ergernis kunt lezen.

Hij zegt: ‘Een kat is nu eenmaal een solitair dier.’

Ik zit met twee katten thuis, broer en zus. Je zou denken, antropomorfisch gedacht dan: dat schept een band. Sterker nog, die band is er gewoon al. Ik kroop vroeger als ik bang was bij mijn broer in bed, waar dan meestal ook mijn jongere zusje al lag. Het was het pre-incesttijdperk, onze slaapkamer was bekleed met Ivanhoe-gordijnen, mijn broer snurkte en liet scheten aan de lopende band, maar hij was ook ouder dan wij, sterk, en lekker warm. We klemden ons aan elkaar vast en sliepen de slaap der onschuldigen. Zo niet die twee katten hier in huis. Ze houden elkaar arglistig in de gaten, ze blazen en vechten, en pissen de hele boel onder.

Ik heb net het boek Het geheim van de kat gelezen, het bevat écht de nieuwste inzichten en alles wordt gestaafd met verborgen camerawerk, en ik wilde dat ik het nooit had ingekeken. Een kat duldt geen andere kat binnen zijn leefomgeving, kennelijk. Een kat opereert alleen. Maar ik wil broer en zus niet uit elkaar halen. Is het niet voor henzelf, dan wel voor mij.

Ik kan noch zonder broer, noch zonder zus.

Ik ben alleen. Voor iemand die in feite niet alleen is, zeg ik dit best vaak tegen mezelf. Ik ben bang dat ik het zelfs hardop zeg, als een bezwering. Ik ben alleen. Als ik dit niet zeg, is het een variant erop: ik wil alleen zijn. Voor iemand die nog nooit in haar leven alleen is geweest, is het bijna een gotspe. Ik wil alleen zijn. Veel van mijn bewegingen zijn ook te verklaren uit die aandrift: alleen, ik ben alleen, ik wil alleen zijn.

Ik wil niet verdwijnen, ik hoef niet de wildernis of de woestijn in, ik wil gewoon alleen zijn.

Als kind zei ik het al tegen mezelf. Ik was voortdurend bezig met schuilplaatsen creëren, voor mezelf en voor mijn spullen. We woonden aan de Amsterdamse Middenweg, boven een Chinees restaurant. Die Chinees is er nog steeds, constateerden mijn zus en ik niet zo lang geleden. Ons oude huis was onherkenbaar verbouwd en daarmee armoedig geworden. De trap naar zolder was nu een gewone trap, de vliering, ooit geheim geborchte, nu efficiënt en deprimerend afgetimmerd. Ik verborg mijn schriften in een nis, onder aan de trap, achteraf gezien een belachelijk opzichtige plek. Maar natuurlijk, ook die nis was verdwenen achter glad stucwerk. Als uitgestorven dieren stonden we daar, mijn zus en ik, zoekend naar iets wat we nog kenden.

Iets.

Een fragment in De tandeloze tijd-_cyclus van A.F.Th. van der Heijden is me altijd bijgebleven. Albert Egberts die moet poepen en in de zandbak zit: het is het begin van alles, hij ontdekt dat hij leeft, het middelpunt is van zijn eigen universum. Ik blader de delen door, en moet me bedwingen om niet alles gewoon helemaal opnieuw te lezen. Ja, daar is het, op tweederde van het derde deel, _Het Hof van Barmhartigheid. Hij is zes jaar oud, onze Albert, en hij ontdekt dat hij een verleden heeft. Hij kan herinneringen oproepen met behulp van een speciaal ritueel, waar afzondering een essentieel deel van uitmaakt. Als hij de aandrang tot ontlasten voelt opkomen – zo noemt A.F.Th. dat – hurkt hij neer in de grote zandbak achter de schuur, ‘niet bij wijze van stoelgang, maar juist om de gloed in mijn darmen vast te houden en erdoor in een roes te raken’. Ideaal is het als de zon schijnt, en het zand onder zijn voeten lekker warm is.

‘Ik hief mijn gezicht, de ogen gesloten, op naar de warmte en het licht, en prevelde de sleutelwoorden die de bijpassende herinneringen tevoorschijn moesten brengen. Soms moest een heel rijtje van zulke woorden afgeraffeld worden, voordat er een het hele beeld of de hele gebeurtenis ontsloot. Bij elke herinnering hoorde een vast woord (of kort zinnetje), maar het wilde niet altijd meteen “passen”, en dat had weer met houding, druk op de darmen, lichtval en temperatuur te maken, en waarschijnlijk met nog een heleboel niet terug te halen dingen meer.’

Hij schuift zijn voeten dieper in het zand, lispelt een woord, ‘hondezeep’, en ziet zijn hondje Bobby wegvluchten voor de reeds ingezeepte handen van zijn grootvader. Als de zon hard genoeg schijnt vlijt hij zijn rug tegen de warme bakstenen van de schuurmuur en slaat dan, ‘om de boel samen te persen’, zijn benen over elkaar. Het langste sleutelzinnetje luidt, opgetekend uit de mond van de grootvader: ‘Ik pis kleur en vuur.’ Het is het meest intieme wat hij zijn gesloten en preutse grootvader ooit heeft horen zeggen, en het is hem nooit duidelijk geworden wat hij er precies mee bedoelde. Door het zinnetje te betrekken in zijn zandbakritueel, hoopt Albert het geheim ervan te ontraadselen. In zijn hoofd worden de herinneringen tot verhaaltjes gekneed, ontdaan van alle overtolligheden, oproepbaar met een enkel woord.

‘Op z’n best kreeg zo’n beeld of gebeurtenis, losgezongen van allerlei irrelevante feiten, een meerwaarde: het werd een kort verhaal, dat nog iets meer bij me losmaakte dan de primitieve weemoed om wat, zo klein als ik was, al voorgoed voorbij was.’

‘Parcifal, octrooi aangevraagd.’ Dat was mijn zinnetje. Het stond op een stickertje onder de wastafel op de badkamer, op gezette tijden prevelde ik het voor me uit. Het werd een lied in mijn hoofd dat bestond, ook zonder dat ik het de hele tijd hardop hoefde te zingen.

Geen huisarts of psychiater zal het de dierenarts nazeggen: ‘Een mens is nu eenmaal een solitair wezen.’

De mens gaat door voor sociaal. De norm van menselijk geluk is gezamenlijkheid, samenleven, voortplanten, één voor allen en allen voor één. Op ieder potje past een dekseltje nietwaar, en als uitgerekend op dat geval van jou géén deksel past dan moet er wel iets goed mis met je zijn.

Geen huisarts of psychiater zal het de dierenarts nazeggen: ‘Een mens is nu eenmaal een solitair wezen’

‘Er is een probleem, een serieus cultureel probleem, met solitude,’ begint schrijfster Sara Maitland haar onlangs verschenen bijdrage aan The School of Life-_bibliotheek van Alain de Botton, _How to Be Alone. Als je in onze hedendaagse maatschappij alleen bent, dan worden daar conclusies aan verbonden over je identiteit en over je welzijn. Sowieso en allereerst moet het altijd worden gevraagd: ben je alleen? Heb je geen vriend(in)? En dan moet die vraag nog worden beantwoord ook.

‘Being single, being alone – together with smoking – is one of the few things that complete strangers feel free to comment on rudely: it is so dreadful a state (and probably, like smoking, your own fault) that the normal social requirements of manners and tolerance are superseded.’

Hoe kan het, vraagt Maitland zich af, dat we zijn aangekomen op een relatief welvarend en ontwikkeld punt in de beschaving, waarin waarden als autonomie, persoonlijke vrijheid, zelfverwezenlijking en mensenrechten hoog in het vaandel staan, waarin individualiteit zo’n beetje boven alles gaat, dat deze autonome, vrije, zichzelf ontplooiende individuen tegelijkertijd doodsbang zijn om alleen te zijn met zichzelf?

Medium marja2

Wat ik terugzocht bij Van der Heijden was de precieze omschrijving van dat roesachtige besef: de magische kracht van het alleen zijn. De plotseling indalende wetenschap heerser te zijn over je eigen universum, of dat nu een zandbak is of een vliering.

Ik pis kleur en vuur.

Parcifal, octrooi aangevraagd.

Michel de Montaigne heeft het in zijn essay Over de eenzaamheid over de noodzaak van een achterkamer. ‘Wij moeten een achterkamer voor onszelf apart houden’, schrijft hij, ‘om daarin volkomen ongestoord onze eenzaamheid en afzondering te cultiveren en ons werkelijk vrij te maken.’

Een vrijer en blijmoediger leven zal ons deel worden.

In die achterkamer zou je moeten praten en lachen alsof je ongebonden bent, zonder vrouw, man, of kinderen, zonder mensen die afhankelijk van je zijn, zonder mensen van wie jij afhankelijk bent. Aldus De Montaigne.

Een bevriende schrijfster vertelde me na lang stilzwijgen aanvankelijk weer op gang te zijn gekomen met een nieuw boek. Zwoegend en jubelend hakte ze zich een pad, zin na zin verscheen op papier. Overmoedig en trots liet ze aan haar geliefde de eerste pagina’s lezen, waarin ze haar ideale staat van zijn beschreef.

For the record: ze schreef haar boek niet vanuit een stacaravan op het Zweedse platteland, met als enig gezelschap een kolonie muggen. Ook niet vanaf een bergtop in Wyoming waar je de ski’s moet onderbinden om mijlen verderop voor een maand groceries in te kunnen slaan. Ze schreef haar pagina’s op een Amsterdamse dubbele bovenwoning die ze geheel naar tevredenheid deelt met man, kinderen, hond.

‘Maar je bént helemaal niet alleen’, was de gekwetste reactie van haar man toen hij haar eerste pagina’s las.

Voorjaar 1990, ik doe boodschappen in de supermarkt bij mij in de straat. Als ik mijn karretje terug wil zetten zie ik iemand die ik ken uit het zwangerschapsgymklasje. Daar staat ze, net als ik met bolle buik, haar blik naar binnen gekeerd, haar vriend of man pakt de boodschappen van haar over. Opeens zie ik wie ik ben geworden, en het is onomkeerbaar.

Ik denk: nu ben ik nooit meer alleen.

Maitlands boek(je) laat zich lezen als een manifest, een zelfhulpboek en een apologie ineen. Als iemand ervoor kiest alleen door het leven te gaan, zich zelfs zoals Maitland dat doet terug te trekken in het laagst bevolkte deel van Europa, te weten in een vallei ergens in Schotland waar ze hoogstens eens in de week naar de postbode kan zwaaien die trappend tegen de wind in op zijn fiets voorbijkomt, dan wordt dat volgens haar beschouwd als een aanval op wat doorgaat voor normaal sociaal gedrag. Van de weeromstuit stelt Maitland zich op als een zendeling. Ze wil angsten wegnemen, en mensen helpen ervan te genieten om alleen te zijn.

Om echt iets te kunnen bedenken, moet ik alleen zijn. Ben ik alleen, dan ben ik bang

Waarom eigenlijk, kun je je afvragen. Waarom toch altijd maar de ene doctrine vervangen door de andere?

Misschien omdat niet eerder zoveel mensen ook echt alleen woonden. Zowel in Vlaanderen als in Nederland bestaat een op de drie huishoudens uit één persoon, en de verwachting is dat dit aandeel nog groter zal worden. In het onlangs verschenen Solo zet de Vlaamse journaliste Nathalie Le Blanc uiteen waarom. Mensen gaan uit elkaar, en worden ouder, daarmee heeft het te maken. Misschien dat er daarom een ideologie bij wordt gezocht. Dat het ook geestelijk gezond is om alleen te wonen, of dat in ieder geval een tijdje te kunnen. Niet van het ene nest naar het andere te fladderen. ‘Het doembeeld van eindeloze eenzaamheid en intense zieligheid klopt niet’, schrijft Le Blanc die een rondgang maakte langs montere alleenwoners. De grote meerderheid bleek tevreden met haar leven.

In het eveneens recent verschenen Lof der eenzaamheid gaat theoloog Stephan de Jong meer filosofisch te werk. Via onder meer de levens en werken van Augustinus, Petrarca, Rousseau, Dickinson en Roland Holst onderzoekt hij eenzaamheid als waarde, een waarde die zou kunnen bijdragen aan medemenselijkheid. Eerst definieert hij wat het precies is, en haalt daartoe het Engelse onderscheid aan tussen loneliness en solitude. Het eerste heeft een negatieve betekenis, het is eenzaamheid die als pijnlijk wordt ervaren, die wordt opgelegd na scheiding of overlijden; het tweede is de zelfgekozen toestand van eenzaamheid als heilzame stilte, zelfonderzoek, zelfbewustzijn.

Wat mij betreft is er alleen-zijn en alleen-zijn. Ideaal en angstbeeld ineen. Aanjager van almachtsfantasieën en horrorscenario’s. Om echt iets te kunnen bedenken, moet ik alleen zijn. Ben ik alleen, dan ben ik bang. Niemand kan me hier vinden, dacht ik toen ik me schuilhield op de vliering. Om er meteen achteraan te denken: maar stel dat niemand me hier kan vinden.

Zomer 2007, ik ben alleen om te kunnen schrijven, in een vreemd huis. Ik ben zozeer niet gewend écht alleen te zijn, dat ik mezelf voortdurend bezig zie. Me afvraag wie er nog meer over mijn schouder meekijkt vanuit de donkerte achter me. In de keuken klop ik de melk voor mijn koffie, het kippenvel staat op m’n armen. ’s Nachts schrijf ik met oogpotlood, omdat ik vergeten ben een pen naast mijn bed te leggen, en ik niet de confrontatie aandurf met de stille duisternis. Ik kalk de woorden neer in vette zwarte letters in de marges van het boek dat ik aan het lezen ben. De volgende dag lees ik wat ik heb geschreven.

‘Dat alles gewoon leeft, dat is nog het meest angstaanjagende.’

Niet echt iets voor op een tegeltje, in tegenstelling tot de teksten die Chris McCandless naliet. Hij was die jongen die in zijn eentje de wildernis inging, Jon Krakauer schreef er een boek over dat door Sean Penn weer werd verfilmd. ‘Happiness is only real when shared’, moest hij in een van zijn laatste notities concluderen. Pas dagen na zijn dood werd hij gevonden; nooit helemaal werd duidelijk of de giftige bessen rond zijn slaapplek hem de das hadden omgedaan of dat hij toch al aan totale uitputting ten onder aan het gaan was.

Kijk ik naar mijn katten, dan zie ik het verlangen om alleen te zijn. Dat wil zeggen: verlost te zijn van elkaar. Ik probeer ze te helpen. Vergroot hun leefruimte door alle deuren in het huis open te zetten, tegen mijn eigen belangen in, nu kunnen ze immers echt óveral plassen of erger. Natuurlijk, ze kunnen ook naar buiten via het kattenluik, ik woon beneden, ze hebben de straat en alle achtertuinen tot hun beschikking (tot grote ergernis van mijn buren, maar dat is weer een ander verhaal), maar ze zijn graag binnen. Ze willen zich ook kunnen verstoppen, het liefst op zelf gecreëerde plaatsen, hoe onverwachter hoe beter. Vooral het mannetje zoekt altijd dekking, zijn zus kan nog wel open en bloot vanaf de bank regeren. Hij zoekt zijn plek in de wasmand op de net gevouwen kleding, op mijn bureau tussen muur en laptop in, boven op de kast achter de boeken. Soms zit ik te werken en voel ik dat hij in dezelfde ruimte is als ik, alleen kan ik hem niet zien. Ik roep zijn naam, maak zachte lokkende geluidjes. Pas als ik de kamer verlaat verraadt hij zich door zich om te draaien, hij ligt in een doos waarin boeken zaten.

Een groot deel van hun intelligentie draait om het verdedigen van een territorium, lees ik in Het geheim van de kat.

Ik ben gaan hardlopen, omdat ik me dan alleen hoef te verlaten op mijn hart, mijn longen, mijn knieën. Ik voel me als die jongen in het verhaal van Alan Sillitoe, De eenzaamheid van de langeafstandsloper. Hij zit op een tuchtschool, en wordt vanwege zijn lengte en magerte uitverkoren te trainen voor de grote sportdag, als de verschillende scholen tegen elkaar uit moeten komen. Als hij om vijf uur ’s ochtends opstaat en zijn driehonderd medegevangenen slapende achter zich laat, voelt hij zich de eerste en de laatste man in de wereld, allebei tegelijk. Het ene is fijn, het andere angstwekkend, en eenmaal dravende overheerst het fijne. Daar gaat hij, trip-trip-trip, in de gure, ijzige morgen, berijpte bloemen op de grond, pof-pof-pof, in hemdje en korte broek, met zelfs geen droge korst brood in zijn pens.

‘Het is een feest, langeafstandsrenner te zijn, helemaal alleen op de wereld met geen mens die je humeur bederft of je vertelt wat je doen moet.’ Pats-pats-pats, gaan zijn voeten op de harde grond. Zwiep-zwiep-zwiep, als zijn armen en lendenen de kale takken van een struik raken. Het is een goed leven, zegt hij bij zichzelf. Ik ben nog nooit zo vrij geweest.


John Bradshaw, Het geheim van de kat: Alles wat je over je kat wil weten. Vertaling Connie Sykora. Nieuw Amsterdam 2014, €24,95

A.F.Th. van der Heijden, Het Hof van Barmhartigheid. De tandeloze tijd, deel 3. De Bezige Bij 2013, €15

Stephan de Jong, Lof der eenzaamheid: Over een oude menselijke waarde. Valkhof Pers 2014, €15

Sara Maitland, How to Be Alone. The School of Life-series_. MacMillan 2014, €12,50_

Michel de Montaigne, Over de eenzaamheid. In: De Essays. Vertaald door Hans van Pinxteren_. Athenaeum-Polak Van Gennep 2004, p. 309-324, €29,99_

Alan Sillitoe, De eenzaamheid van de langeafstandsloper. Vertaald door Jean A. Schalekamp. Contact 1973 (oorspr. 1959), €15,50


Beeld: Guido van der Werve, Nummer veertien, home_, 2012, videostill (Ben Geraerts/ Courtesy of Monitor Gallery Rome, Gallery Juliette Jngma Amsterdam. Marc Foxx Los Angeles, Luhring Augustine, New York)._