INVOERING ELEKTRONISCH KINDDOSSIER

Een addertje onder het gras

Het veelbesproken Elektronisch kinddossier gaat met ingang van het nieuwe jaar uitgerold worden, zoals dat in het jargon heet. Gewoon ter vervanging van de papieren dossiers van de jeugdartsen?

Als je aan een complete buitenstaander zou vertellen dat de Nederlandse consultatiebureau- en schoolartsen anno 2008 de dossiers over de kinderen die ze dagelijks zien graag digitaal willen vastleggen en niet langer met pen en papier, zal deze daar niet vreemd van opkijken. Wie werkt er tenslotte nog met papier! Ook zal die buitenstaander het niet vreemd vinden dat in een digitaal dossier dezelfde vragen aan bod kunnen komen als in het papieren dossier, vragen die in de loop van decennia zijn ontwikkeld en de arts helpen als het vermoeden rijst dat een kind niet goed groeit, achterblijft in zijn motorische ontwikkeling of begrippen als later en vroeger niet blijkt te snappen op de leeftijd die daarvoor staat. Tóch wekte het VVD-Kamerlid Ineke Dezentjé Hamming vorige week veel media-aandacht, toen ze in haar verzet tegen het zogenoemde Elektronisch kinddossier begon over de vragen die schoolartsen stellen over het schaamhaar van pubers en – om nog meer tumult te genereren – tijdens een overleg met de minister voor Jeugd en Gezin, André Rouvoet, vroeg hoe de kleine André het gevonden zou hebben als er naar zijn schaamhaar zou worden gevraagd.

Zoiets intiems als schaamhaar doet het ook in deze tijd nog goed, zeker als een christelijke minister er tijdens een debat figuurlijk gesproken mee wordt geconfronteerd, of beter gezegd: bewust mee in verlegenheid wordt gebracht. De media-aandacht was dus gemakkelijk gescoord. Maar hoewel minister Rouvoet hier en daar in een column of cartoon op de hak werd genomen, overheerste uiteindelijk bij velen de hierboven beschreven blik van de buitenstaander: digitaliseren is heel gewoon en die vragen bestaan al jaren. Het klopt immers dat ene J.M. Tanner al in 1962 schreef hoe je onder meer aan het schaamhaar van pubers kunt zien of hun groeicurve normaal is. Schoolartsen werken al decennialang met de groeistadia van Tanner, zoals Rouvoet de Tweede Kamer uitlegde.
Uiteindelijk had Dezentjé Hamming met haar schaamhaar dus geen succes. Integendeel. Met haar actie heeft ze de voorstanders van het Elektronisch kinddossier de ruimte geboden te benadrukken hoe vanzelfsprekend het is digitaal te gaan opslaan wat nu op papier wordt vastgelegd. De professionals in het veld willen het zelf, sprak Rouvoet de meest geliefde, hedendaagse mantra die beoogt alle bezwaren van derden, inclusief politici, in de kiem te smoren.
Dezentjé Hamming had er met haar actie op willen wijzen dat gegevens over schaamhaar weinig zeggen over het risico dat een kind loopt om thuis mishandeld of seksueel misbruikt te worden. Is het Elektronisch kinddossier dan bedoeld om kinderen die dat risico lopen snel boven water te halen? Mogen daar behalve de arts van het consultatiebureau en de schoolarts dan ook andere hulpverleners, zoals van de jeugdzorg of van de politie, in kunnen kijken?

Alle opwinding van vorige week is terug te voeren op de voorgeschiedenis van het Elektronisch kinddossier. Dat verscheen op de Haagse agenda in de tijd dat Nederland schrok van verhalen over kinderen die door hun eigen ouders of verzorgers waren gedood, terwijl ze door tal van hulpverleners waren omringd zonder dat die hulpverleners dat van elkaar wisten. De eerste vergadering waarin volgens het parlementaire archief het Elektronisch kinddossier opduikt, was in januari 2005.
Vooral het CDA liet er in de begintijd geen misverstand over bestaan waarvoor het digitale kinddossier moest dienen. Om het langs elkaar heen werken van hulpverleningsinstanties in de toekomst te voorkomen vroeg het CDA-Kamerlid Coskun Çörüz toen aan zijn partijgenoot, verantwoordelijk staatssecretaris Clémence Ross-Van Dorp: ‘Waarom wordt er niet één systeem ontwikkeld waarbij instellingen met één druk op de knop het hele dossier voor zich zien?’ Voor alle duidelijkheid. Wat het CDA toen wilde, kan niet anders worden uitgelegd dan dat de medische gegevens van een niet goed groeiende puber inderdaad ook te lezen zouden zijn door de politieagent die deze jongen betrapt bij een winkeldiefstal.
Hoe het dan zat met de privacy van die jongen? Daar had het CDA geen boodschap aan. Datzelfde Kamerlid Çörüz zei eind augustus 2006 tijdens een Kamerdebat dat voor hem het kind boven de privacybescherming gaat. Met op ieders netvlies Savannah, het Maasmeisje en andere trieste voorbeelden werd de privacy aan de kant geschoven. Wie in die tijd daarop kritiek had, kreeg het verwijt kindermishandeling niet belangrijk te vinden.
Het CDA stond hierin niet alleen. Pikant detail voor Dezentjé Hamming is dat haar toenmalige partijgenoot Fadime Örgü in diezelfde vergadering óók zei dat bij de afweging privacy of bescherming van het kind ‘altijd het belang van het kind de doorslag moet geven’. Maar ja, toen was de VVD nog regeringspartij en coalitiegenoot van het CDA. Privacy-bescherming is bij de liberalen pas later op de agenda gekomen.
Ook de PVDA was een groot voorstander van het één-druk-op-de-knopdossier. In oktober 2007 vroeg Samira Bouchibti namens de PVDA-fractie aan minister Rouvoet, in het nieuwe kabinet verantwoordelijk voor het digitale kinddossier: ‘Waarom mogen medewerkers van Bureau Jeugdzorg, schoolmaatschappelijk werk en de geestelijke gezondheidszorg niet het Elektronisch kinddossier raadplegen? Hoe kun je samenwerken als je niet in elkaars keuken mag kijken?’ Zij kreeg daarbij steun van GroenLinks, want ook Tofik Dibi zei in datzelfde overleg dat het dossier niet beperkt mag blijven tot de consultatiebureaus en de schoolarts.
Toch is dat wat er nu wél met het Elektro-nisch kinddossier gaat gebeuren: het dossier is een medisch dossier en daarom geldt het medisch beroepsgeheim; andere hulpverleners mogen er niet met één druk op de knop bij kunnen. Minister Rouvoet liet dit de Kamer dit najaar weten, nadat hij – op verzoek van de Kamer – een onderzoek had laten verrichten naar de haalbaarheid van een breder toegankelijk dossier. Na eerdere kritiek van het College Bescherming Persoonsgegevens was al besloten niet één centrale opslag van alle kinddossiers te maken, maar dit per regio te doen.
Dus toen Dezentjé Hamming vorige week over de schaamhaarpolitie begon, konden de vertegenwoordigers van de regeringspartijen CDA, PVDA en ChristenUnie gemakkelijk tegen haar zeggen dat het slechts gaat om het digitaliseren van papieren dossiers en haar het verwijt maken dat ze spookbeelden oproept. Ook van oppositiepartij SP kreeg Dezentjé Hamming een veeg uit de pan: ze zou angstbeelden zaaien.
Het was ineens alsof juist deze fracties het recht op privacy in al die jaren dat er over het digitale kinddossier wordt gepraat hoog in het vaandel hadden gehouden. Voor het gemak werd even vergeten dat de meeste daarvan de toegang tot het Elektronisch kinddossier wel degelijk graag anders hadden gezien.

Is die bredere toegang nu dan van de baan? Dat is het addertje onder het gras van het geheel. Dat streven is niet van de baan. Het lijkt er eerder op dat het digitale kinddossier is ontdaan van het beoogde doel, een één-druk-op-de-knopdossier zijn, om het nu – met jaren vertraging – in ieder geval ingevoerd te krijgen; zonder al te veel onrust over privacy en de bescherming daarvan. Politiek heel slim, want dan is de eerste stap maar vast gezet.
Maar wat de meerderheid van de Kamer nog steeds wil, is een snellere en eenvoudigere informatie-uitwisseling tussen hulpverleners om daarmee nieuwe Savannahs of Maas-meisjes te voorkomen. Liet het PVDA-Kamerlid Bouchibti zich vorige week niet ontvallen dat ze derden binnen een jaar alsnog toegang tot het Elektronisch kinddossier wil geven? De minister gaf als antwoord: nu nog niet. Ook hij sloot het nadrukkelijk niet voor altijd uit. Al beloofde hij wel dat er dan speciale wetgeving nodig is.