Een adempauze op het slagveld

Wolfgang Koeppen, Duiven in het gras. Uit het Duits vertaald door Wim Platvoet. Uitg. Thot, 223 blz., f36,90
Wanneer in de moderne roman de grote stad niet enkel als achtergrond maar als onderwerp of zelfs als hoofdpersoon optreedt, is dat onmiddellijk van invloed op stijl, verhaalvorm, behandeling van personages en constructie. Toen Wolfgang Koeppen in 1951 zijn roman Duiven in het gras publiceerde, sloot hij met zijn associatieve techniek en caleidoscopische compositie onmiskenbaar aan bij de stadsromans van voorgangers als Joyce, Doblin en Dos Passos. Van deze roman kon net als van Berlin Alexanderplatz gezegd worden dat hij een beeld van een stad gaf, Munchen in dit geval, ook al wordt de stad niet met name genoemd, toegespitst op een dag, 20 februari 1951 (in het boek komt het bericht voor dat de vorige dag Andre Gide gestorven was).

Wat behelst dat beeld? Er worden meer dan dertig personen in beeld gebracht, van de door faalangst achtervolgde schrijver Philipp, die in een hotel is gaan zitten om de scenes met zijn vrouw Emilia uit de weg te gaan, de beroemde buitenlandse schrijver Edwin die een lezing in de stad geeft, bierdrinkers die niet van oude nazi’s te onderscheiden zijn, blanke en zwarte Amerikaanse soldaten, hoertjes, acteurs, een toeristisch gezelschap van Amerikaanse dames, lesbische meisjes, hoerenjongens, een bigot dienstmeisje en nog vele anderen. De passages wisselen als camerainstellingen, soms door niet meer dan een woord of zin met elkaar verbonden. Een stoplicht kan evengoed de plaats zijn waar de levens elkaar kruisen als het Amerikahaus, waar de naar Eliot gemodelleerde beroemde dichter zijn humanistische praatje houdt.
Maar geeft dit nou een beeld van een milieu, van de hele stad, van een tijdperk? Ik betwijfel het. Bovendien is er in de roman niet zoveel te zien. Eerder wordt er iets voelbaar, een sfeer, wat even goed bereikt wordt door krantenkoppen, songtitels, radioberichten, mythische verwijzingen als door situatiebeschrijvingen. Zeg je ‘sfeer’, dan gaat het vanzelf om beleving. Maar niet direct die van een verteller, die blijft onzichtbaar - nu eens verplaatst hij zich in bepaalde personages, dan weer houdt hij zich op afstand. Hij is de figuur die aan de touwtjes trekt. De verteller bepaalt de toon en het ritme, en het woord dat die toon het beste treft is 'ademloosheid’: vanaf de eerste regel wordt de lezer op felle syncopen getrakteerd. 'Vliegtuigen waren boven de stad, onheilspellende vogels. Het lawaai van de motoren was donder, was hagel, was storm. Storm, hagel en donder, dag en nacht, een aan- en afvliegen, oefeningen des doods, een hol gebulder, een trilling, een herinnering in ruines. Nog waren de bommenruimen van de machines leeg. De auguren glimlachten. Niemand sloeg de ogen op naar de hemel.’ Beleving wil hier vooral zeggen tijdsbeleving: 'men leefde in het overgangsgebied, misschien op het breukvlak, de tijd was kostbaar, ze was een adempauze op het slagveld, en men was nog niet goed op adem gekomen, weer werd bewapend…’
Deze zinnen uit het begin komen aan het slot bijna letterlijk terug. De tijd draait hier als een tol, hij raast en staat stil. Een gerucht is genoeg om de bevolking op jacht te laten gaan naar een zwarte soldaat; de sfeer is geladen. Niemand weet waar hij het moet zoeken, dus zoekt men het in vergetelheid, in de roes. Iedereen lijkt bezeten door de behoefte aan contact. Helaas leidt dat vooral tot botsingen en verwarring. En in dat hectische gedoe valt nauwelijks uit te maken of we te maken hebben met de stuiptrekkingen van een macabere periode of met de levenstekenen van een nieuwe, heel andere tijd.
In feite schreef Koeppen in de jaren vijftig over zijn beleving van het nationaalsocialisme. De uitbeelding van een dag in een bezette ruinestad is niet als beeld bedoeld, maar als verbeelding. Het is de geschiedenis van een Duitse stad zoals Koeppen die in z'n kop had.