Graf van de joodse profeet Ezechiël in Kifl, Irak, 2003 © Geert van Kesteren / de Beeldunie

Liefdevol toont ze haar gebedenboek. Beduimeld door het vele gebruik, met gebeden voor verschillende dagen en tijden. Ze slaat het open op die voor vandaag. De Hebreeuwse letters springen me tegemoet. ‘Ik heb er veel steun aan’, zegt ze, teder door het boek bladerend.

Leila’s huis in Bagdad voelt als een verborgen museum van het jodendom in Irak: de verstopte mezoeza, een kokertje met een tekst uit de thora, binnen naast de voordeur in plaats van buiten; de menora-kandelaar in de kast; de foto’s van haar familie, haar broers met keppeltjes op aan een dis vol Iraaks-joodse gerechten. Dit was het huis van haar ouders, waar Leila bleef wonen toen zij overleden. De middenklasse-wijk eromheen werd steeds minder joods naarmate er meer christenen kwamen wonen, en verliest nu ook langzaam de christelijke sfeer.

Leila, wat niet haar echte naam is, is voorzichtig. We leren elkaar via een wederzijdse kennis kennen. Alleen daarom schenkt ze mij haar vertrouwen en nodigt me thuis uit. Daar voel ik me verlegen onder haar hartelijkheid en gastvrijheid. Met zelfgebakken dadelkoekjes en amandelpudding waakt ze als een joodse mama over mijn welbevinden.

Ze wil alles horen over mijn inmiddels jarenlange zoektocht naar het schaarse joodse erfgoed in Irak. En vooral over mijn beweegredenen. Dat het me raakt hoe Iraakse joden in hun vaderland worden doodgezwegen, accepteert ze. Dat mijn interesse voor het verdwenen joodse verleden vooral journalistiek is, niet. Heb ik misschien zelf joods bloed? Ik denk aan de Twentse namen van mijn beide hervormde ouders, aan de Friese wortels van mijn opa en schud lachend mijn hoofd. Maar ze heeft gelijk. Zelf begrijp ik die fascinatie ook niet helemaal.

Tussen ons schept het duidelijk een band. Leila vertelt vol weemoed over haar jeugd in het Irak waar joden nog onderdeel van waren. Dat ze jaarlijks met haar ouders op bedevaart ging naar het graf van de joodse profeet Ezechiël, in het zuiden van Irak. Ze bekijkt de foto’s die ik er nam en wijst op wat er in de tussentijd veranderd is. De grafsteen die nu in de muur is gemetseld. De graftombe met een groene doek erover, die van later datum is. Toegevoegd door sjiieten die in 2003 in Irak aan de macht kwamen en de synagoge ernaast in een moskee veranderden.

Leila’s ouders behoorden tot de minderheid van joden die in de jaren vijftig niet deelnam aan de exodus uit Irak. Eeuwenlang hadden de verschillende geloven hier vreedzaam naast elkaar geleefd. Maar onder invloed van een pro-naziregering in Bagdad nam het antisemitisme sterk toe en in 1941 plunderden haatzaaiers en criminelen de joodse wijk. Er vielen meer dan tweehonderd doden. Bij de vorming van de staat Israël in 1948 overspoelde een golf van ongekende wraakzucht het land. Terwijl Irak geen enkele grens deelde met de nieuwe staat, stuurde de regering er soldaten heen, van wie vele sneuvelden. Iraakse joden kregen de schuld. Er volgden beroepsverboden, arrestaties en detentie in onmenselijke woestijnkampen.

Al vanaf het begin van de jaren veertig zochten Iraakse joden hun weg naar Israël. In 1950 werd een wet ingevoerd om dat te reguleren, waarbij ze legaal konden vertrekken door de Iraakse nationaliteit af te staan, evenals hun eigendommen. Bang en onzeker tekende twee derde van de 150.000 joden. De rest bleef. Onder hen een deel van de welvarende middenklasse die te veel te verliezen had. De joden vormden met hun banken en goudhandel immers de economische ruggengraat van de Iraakse hoofdstad. Aanvankelijk keerde de rust terug. De uitgedunde maar overwegend rijke joodse gemeenschap in Bagdad vierde dat dagelijks met besloten huisfeestjes.

Nog tot in de jaren zeventig ging Leila met haar familie met het joodse Paasfeest op bedevaart naar Ezechiëls graf. Andere gezinnen trokken zeven weken later voor de viering van het Wekenfeest naar het graf van de profeet Nahum in het Noord-Iraakse Alqosh. Voor Leila zijn dat dierbare herinneringen aan het weerzien met joodse gezinnen uit het hele land.

Die contacten vervaagden. Na de Zesdaagse Oorlog van 1967 tussen Israël en zijn buren en een nieuwe golf van antisemitisme begon een tweede exodus. Er was steeds minder ruimte voor joden in Irak. Leila’s familie ging alleen nog op bedevaart als dat onopvallend kon tussen de moslims bij Ezechiëls graf, want de joodse wijsgeer is ook voor de islam en het christendom een profeet. Soms bezoekt ze de joodse begraafplaats waar haar ouders en grootouders begraven liggen. Die is onderdeel geworden van een uitgedijde sjiitische miljoenenwijk. Gras bedekt het Hebreeuwse schrift op de oude grafstenen.

Het zo swingende joodse sociale leven is totaal verdwenen. Joden zijn ondergedoken door een nieuwe identiteit aan te nemen. Zo verbergt Leila de hare in het dagelijks leven angstvallig achter een christelijke. Ze is actief voor christelijke organisaties en heeft een christelijke man. Bij christelijke feestdagen stuurt ze de gebruikelijke Iraaks-christelijke plaatjes van gestileerde jezussen en maria’s.

Maar dat leven heeft ernstige beperkingen. Ze reist allang niet meer, bang dat de zo herkenbare joodse achternaam in haar paspoort tot problemen zal leiden. Een christelijk huwelijk met haar man is om diezelfde reden uitgesloten. Met het piepkleine groepje eveneens verscholen joden om haar heen was ze betrokken bij het opknappen van de enige overgebleven, geheime sjoel in Bagdad. Maar al jaren zijn er te weinig aanwezigen om een dienst te houden. De wekelijkse sabbatviering thuis gebeurt kleinschalig.

De wraak van de islamitische terreurgroep IS is een reële dreiging, net als die van andere extremistische landgenoten. Mede daarom mag mijn chauffeur haar adres niet weten en haalt ze me zelf op als hij me een blok verder afzet.

Ik beweeg mee, al lijkt die angst me af en toe wat overdreven. Zelf leid ik in de Koerdische Regio van Irak bezoekers uit Israël rond. Bij het graf van de profeet Nahum in de vervallen synagoge van Alqosh tref ik langbrandende kaarsen aan uit een Israëlische supermarkt. Ik help rabbijnen Koerdistan te bezoeken. De Koerdische regering stelt een joodse vertegenwoordiger aan bij het ministerie van Religie, ten teken dat ze het joodse geloof erkent als een van de religies van de regio.

Er is echter geen Koerdische jood te vinden die de functie wil vervullen. De man die het (vrijwilligers)werk een paar jaar doet blijkt later helemaal geen joodse wortels te hebben en het baantje te misbruiken om zich te verrijken. Zo openlijk uitkomen voor een joodse achtergrond, dat durft niemand. Wie dat toch doet, kan rekenen op wantrouwen van verscholen joden. Meestal ontdek ik dat zij daarin gelijk hebben. Stilte is de norm.

Ranj Cohen, een Iraaks-Koerdische jood, bij een verwoeste synagoge in Arbil, 2020 © Safin Hamed / AFP / ANP

Overal waar joden zich in Irak verbergen achter een andere identiteit, leeft die angst. Ook bij mijn goede vriend Hamid, wat ook al niet zijn ware naam is. Met deze Koerdische benjew drink ik regelmatig thee om over de politiek en het jodendom te praten. Zoals de titel ‘benjew’ letterlijk aangeeft, heeft Hamid joodse wortels. Om in Koerdistan te kunnen blijven wonen bekeerde zijn grootvader zich in de jaren vijftig tot de islam, samen met duizenden andere Koerdische joden. Hamid is weliswaar trots op die wortels, maar hoewel zijn directe collega’s ervan afweten komt hij er toch niet openlijk voor uit.

Leila reist niet meer, bang dat haar joodse achternaam tot problemen zal leiden. Een christelijk huwelijk wmet haar man is om diezelfde reden uitgesloten

Via hem ontmoet ik een man die enige tijd in Israël woonde. Hij vertrok in de jaren negentig bij een van de laatste gelegenheden dat Iraakse joden naar hun beloofde land werden gebracht, maar kwam terug omdat hij er niet kon aarden. Nu heeft hij spijt. Er zijn meer benjews zoals hij, die hun Israëlische periode angstvallig geheimhouden. Als ik later nog eens contact opneem, smeekt hij me hem niet in gevaar te brengen.

Veel benjews weten nauwelijks iets over het joodse geloof. Niet over de regels of gebeden, niet over de verhalen die met het geloof verknoopt zijn. Hamid neemt dan ook verheugd mijn boeken over het Iraakse jodendom aan als ik uit Irak vertrek. Was de bekering van de eerste generatie joden misschien alleen een voorwendsel, latere generaties konden via school, buren en gemeenschap niet meer aan de islam ontsnappen. De Iraakse samenleving is er immers van doordesemd.

Des te opvallender is mijn ontmoeting met een Koerdische, die van haar moeder de joodse gebeden had geleerd. Bij haar huwelijk met een moslim had die bedwongen dat de dochter haar geloof kon doorgeven aan haar kinderen. Die zijn inmiddels in Canada met orthodoxe joden getrouwd. In de veiligheid van een huiskamer vol gelijkgezinden zegt de vrouw plechtig het sabbatgebed op. We zijn er stil van. Dat gebed, dat ooit in zoveel duizenden huishoudens de sabbat inluidde, is in het Irak van vandaag bijna niet meer te horen.

In het verborgene bij Leila thuis klinkt het ook nog. Net zoals de taal van joden in Iraaks Koerdistan, het Aramees dat mee terugging naar Israël, toch niet helemaal verdwenen is. Een van de eerste benjews die ik ontmoet vertelt me dat zijn grootfamilie het thuis is blijven spreken. Er zijn alleen erg veel Koerdische leenwoorden ingeslopen, klaagt hij. Na wat rondvragen vind ik op internet enkele links met gesprekken in het Aramees om hem te helpen snoeien in de leenwoorden.

Die inzet, om vast te houden aan je wortels, al is dat moeizaam of zelfs gevaarlijk, ontroert me. Zeker omdat de groep steeds kleiner wordt. In bijna een half jaar overleden in Bagdad de vrouw die de administratie bijhield van het bezit dat joden bij hun vertrek achterlieten, en de orthopedisch chirurg die dat werk overnam. Zijn dood kreeg veel aandacht in Bagdad, waar velen om hem rouwden omdat hij weigerde zijn onvermogende patiënten te laten betalen. Daarmee stierf Bagdads laatste joodse arts, van wie velen niet eens wisten dat hij joods was.

Ik ben blij dat joden in Irak in ieder geval nog voortleven in de verhalen. In de herinneringen die hun buren en moslimvrienden met elkaar en ook met mij delen. Maar ook in de verhalen die benjews aan hun kinderen meegeven. Dat zie ik bij Hamid thuis als zijn kinderen in een half uurtje een stamboom maken die teruggaat tot hun joodse grootvader.

En dan zijn er de verhalen die in de diaspora voortleven onder Iraakse joden. Zoals binnen de familie van Edwin Shuker, een 65-jarige Bagdadse jood die op zijn zestiende Irak ontvluchtte. Veilig aangekomen in Londen werd die augustusdag van hun vlucht jaarlijks gevierd. Voor hen was het de dag waarop de familie was gered. ‘Ieder jaar kwamen we bij elkaar, haalden herinneringen op aan Bagdad en vierden onze vrijheid.’

Shuker vindt het belangrijk om deze verhalen door te geven, precies zoals joden dat al generaties lang doen met het verhaal over hun uittocht uit Egypte. Net als Leila praat hij met weemoed over zijn jeugd in Irak. Hij ging naar school met moslims en christenen, at hun eten, kocht in hun winkels, droeg hun kleren, sprak hun taal. Thuis werd echter alleen joods-Arabisch gesproken, en op de feestjes van zijn rijke ouders kwamen alleen joden. Toen in de jaren zestig, na het verlies van de Arabieren van de Zesdaagse Oorlog en de machtsovername van de Baathpartij in Irak, alles veranderde, vluchtten Shuker en zijn ouders alsnog.

Hij is een van de weinige joden die naar Irak terugkeerde en daar niet stiekem over deed. Een filmploeg maakte opnamen van zijn bezoek aan de sjoel. Die beelden brachten een discussie op gang. Moesten Iraakse joden niet de kans krijgen hun oude nationaliteit terug te vragen? Daar was steun voor, als zij tenminste bereid waren zich loyaal aan Irak te verklaren. Het vooroordeel dat iedere jood een zionist is en dus vooraleerst loyaal aan Israël, zit diep.

Zowel joden als moslims in het straatbeeld van Bagdad, circa 1914 © Foto Underwood & Underwood/Library of Congress

De islamitische terreurgroep IS kwam en ging. Buurland Iran gaf de haat voor ‘de kleine vijand’ Israël door aan sjiitische geloofsgenoten in Irak. Maar zo stil als het daar een paar jaar geleden nog was als het om de joden ging, wordt het nooit meer. Want door de schade die IS aanrichtte in het vertrouwen tussen de religieuze en etnische groepen in Irak, groeide ook het besef van wat er eerder al verloren was gegaan door eveneens politiek geïnstigeerd wantrouwen.

Zo liggen er op de beroemde markt in de Mutannabistraat in Bagdad tegenwoordig openlijk vele boeken van en over Iraakse joden. Dat was tot voor kort onmogelijk. En er wordt joods erfgoed hersteld, zoals de synagoge in Aqosh die voor verder verval bewaard is gebleven. Het is al een hele stap dat het belang voor alle Irakezen van joods erfgoed en verleden niet langer wordt ontkend.

Dat Israël vorig jaar diplomatieke banden aanknoopte met enkele Golfstaten en Marokko is de Irakezen niet ontgaan. Toch is er geen openlijke steun voor. De bloei van een joodse gemeenschap zoals die nu in Dubai mogelijk is, lijkt voor Irak een weinig realistische droom. Want de macht van Iraniërs die Israël haten is te groot, net als de invloed van jarenlang geïnstitutionaliseerd antizionisme.

Maar met de misdaden van IS nog op het netvlies komt er in Irak wel ruimte voor schaamte voor wat een volk is aangedaan. En voor spijt om wat verloren ging. Er worden lessen getrokken. Hoe voorkom je dat de geschiedenis zich herhaalt en kleine geloofsgroepen zoals die van de jezidi’s en de christenen als erfenis van IS ook nog uit het Iraakse mozaïek verdwijnen?

Binnenkort krijgt Mosul een virtueel museum waar de orale historie van nog levende joden uit Iraks tweede stad een plek krijgt, naast documenten over hun sociale en economische situatie. Historicus Omar Mohammed wil daarmee een leemte vullen in de kennis over de geschiedenis van zijn stad. Om diezelfde reden hield hij tijdens de IS-bezetting van Mosul stiekem een blog bij: om te voorkomen dat ‘toekomstige generaties stadsgenoten dezelfde gaten in de geschiedenis aantreffen als ik’.

Vijf jaar geleden was dit project onmogelijk geweest vanwege het taboe op alles wat betrekking had op joden; zelfs het benoemen van het joodse verleden van Irak lag gevoelig. Nu zijn Iraakse jongeren in opstand gekomen tegen hun bestuurders. Behalve de corruptie en zelfverrijking zijn deze betogers ook de politieke strategie van ‘verdeel en heers’ zat. Hun overtuiging dat de Iraakse diversiteit juist haar kracht moet zijn, maakt veranderingen uiteindelijk onontkoombaar.

Omar Mohammed stond als moslim na het vertrek van IS in de vervallen Sassoon-synagoge van Mosul, waar hij werd gegrepen door de hem grotendeels onbekende joodse geschiedenis van zijn stad. Mijn eigen fascinatie begon toen ik op de pilaren van de synagoge in Alqosh eeuwenoude Hebreeuwse inscripties ontdekte. De vergeten geschiedenis schreeuwde ons toe.

Er is iets in gang gezet. Irakezen beginnen te begrijpen hoe schadelijk dat verzwijgen is. Makkelijk zal het niet zijn om de joodse geschiedenis een plek te geven in het Iraakse bewustzijn. Daarvoor is de invloed van antisemitisme en antizionisme te sterk. Of Leila en Hamid ooit durven uit te komen voor hun joods-zijn, is niet te voorspellen. Maar het taboe begint af te brokkelen. En zo stil als het decennialang was, zal het nooit meer zijn.