Een aimabel monster (1)

Wie speelt de naieve broer van de hinkepotende schurk Richard van Gloucester, de latere koning Richard III? Jawel: Nigel Hawthorne, de man die we kennen als de gehaaide topambtenaar uit de leukste Britse tv-serie sinds tijden, Yes Minister, sinds kort Yes Prime Minister (BRT), over politiek gekonkelefoes in Westminster. Daar staat-ie, de arme Clarence, zwetend in een gehavende frak, aan de rand van een gevangenisgracht.

Londens meest beruchte gevangenis, The Tower, is hier een griezelige kruising tussen een energiecentrale en de Bijlmerbajes. De eerste beslissing die bewerker (en titelrolvertolker) Ian McKellen en regisseur Richard Loncraine bij de verfilming van Shakespeare’s klassieke schurkenstuk Richard III namen, was: afzien van herkenbare, ‘very British’ locaties. Geen Tower of London, geen Buckingham Palace. 'Het cruciale voordeel van een modern, tijdloos decor’, schrijft Ian McKellen in zijn scenario, 'is de dwang om het verhaal helder te vertellen.’ Dat lijkt bij Richard III niet de meest simpele opgave. Personages van koninklijke, adellijke, politieke, kerkelijke en burgerlijke afkomst tuimelen in dit relaas van een bloedige burgeroorlog over elkaar heen.
Ian McKellen speelde in het begin van de jaren negentig over de hele wereld zo'n 250 voorstellingen van het stuk. De 'moderne’ aanpak van regisseur Richard Eyre was van een verbluffende eenvoud. Uitgangspunt: stel dat er in de jaren dertig binnen het Britse koninklijk huis een aanhanger van het extreem-nationalisme was geweest, die vervolgens de macht had gegrepen - wat dan? Eyre’s produktie met het Royal National Theatre opende indertijd angstaanjagend. Op een scherm werd de naam van de vorige koning geprojecteerd: Edward IV. Daarna hoorden we het geratel van machinegeweren, de kreten van een gemarteld paard. Op een kaal speelvlak wandelde Richard van Gloucester naar voren: een hinkepoot met een kleine bochel, de misvormde rechterhand diep in de zak van zijn rokkostuum gestoken. Daar klonken de beroemde eerste regels van de Shakespeare-tekst: 'Now is the winter of our discontent/ Made glorious summer by this son of York!’
De begintitels in de filmversie van deze Richard III verstrekken zakelijke informatie over de burgeroorlog. We komen het hoofdkwartier van een leger binnen. De oude koning gaat slapen. De kroonprins prikt in een schotel met puree en worteltjes. Zijn hond knaagt op een bot. Er klinkt gedreun. De hond slaat aan. Het gedreun wordt een aardbeving. De hond piept. Er valt een foto om. Dwars door een muur rijdt een tank. Rebellen schieten hun revolvers leeg. De kroonprins sneuvelt. De oude koning bidt in zijn slaapkamer. Een man met een gasmasker komt binnen. Er klinken enkele gerichte schoten. Op het ritme van de schoten verschijnt de titel van de film: Richard III.
Luttele minuten later zal de man die net het gasmasker van zijn gezicht trok, nuchter op een microfoon tikken. We zijn op het feest ter ere van de nieuwe koning - een slappeling, dat zie je meteen. De party wordt verstoord door Richard van Gloucester. We zien en horen een briljante ingreep in Shakespeare’s tekst. De openingsmonoloog van het aimabele monster Richard start niet als vertrouwde klaagzang van de man-die-net-geen-koning-werd, maar als een lofzang op de nieuwe koning. Iedereen lacht hartelijk. Maar hoe moet dit verder? Richard gaat immers (volgens Shakespeare) heel lelijke dingen zeggen. De film schakelt naar een koninklijk pissoir, waar de bultenaar zijn wraakzuchtig betoog vervolgt. Hij eindigt met een blik in de spiegel boven de wastafel, waar Richard ons (via de camera) voor het eerst (en met zichtbaar plezier) als voyeurs opmerkt. En waar hij een van de sleutelzinnen van het stuk uitspreekt: 'I can smile, and murder while I smile.’ Ik schater het uit. Mijn vriend (geen kenner) fluistert verbaasd in mijn oor: 'Is dit Shakespeare?’ Ik fluister gretig terug: 'Yes!’ En wrijf in mijn handen. De film is pas zeven minuten op gang.
(Wordt vervolgd)