Een akoestische vuilnisbelt

Iedereen kent wel dat moment van irritatie en schrik als je bij het zoeken naar een bepaalde radiofrequentie opeens in een gebied van storing terecht komt. Een oorverdovend gepiep en gekraak doorklieft de hersenpan en je weet niet hoe snel je de volumeknop dicht moet draaien. Wat de doorsnee luisteraar ervaart als een ellendige herrie vormt voor Gert-Jan Prins juist het materiaal voor zijn composities. Het procédé is uiterst ambachtelijk: door een microfoon voor een radio- of televisietoestel te plaatsen vangt Prins de ruis op. Deze wordt vaak eerst met live elektronica bewerkt en dan via de versterker opnieuw weergegeven. Met deze bijzondere manier van elektronisch musiceren treedt Gert-Jan Prins al jarenlang in allerlei bezettingen op. Onlangs bracht hij een solo-cd uit: Noise Capture.

Hoe ongewoon het ook mag lijken om met het afval uit radio en tv muziek te maken, in wezen staat Prins met beide benen in de traditie. Aan de ene kant borduurt hij voort op de uitgangspunten van Edgar Varèse die aan het begin van deze eeuw geluiden uit het dagelijks leven in zijn stukken meecomponeerde. Hij probeerde bijvoorbeeld de heksenketel van de stad in geluidspanorama’s te vatten. Varèse vertegenwoordigde daarmee een manier van denken over muziek die baanbrekend is geweest.
Aan de andere kant staat Prins in de traditie van de pioniers in de elektronische muziek. Het onderzoek naar het wezen van klank heeft de definitie van muziek ook enorm verruimd. In Nederland was Jan Boerman zo'n componist die te kennen gaf niet zozeer gefascineerd zijn door een toon maar door het schemergebied tussen twee tonen: ruis.
Hoe klinken composities die met ruis gemaakt zijn? In het geval van Gert-Jan Prins is het resultaat streng en sober. Een soort akoestische arte povera. Dat geldt zeker voor ‘RFX 9/10’ waar de cd mee opent. Je hoort dat typische krakende geluid van een oude lp waar vaak zo nostalgisch over gedaan wordt. Of het geluid die oorsprong heeft, is de vraag. Na een tijdje verandert het van intensiteit en gaat het over in een dik geknetter.
Het tweede nummer, 'SUB IV’, is een stuk gecompliceerder. Een fuzzy mengeling van elektronische geluiden beweegt in een naargeestig dreunend patroon. Naarmate het geluid metaliger en groezeliger wordt en er de galm van een grote fabrieksruimte bij wordt gevoegd, ontstaat een industrial sound. Dat blijkt de opmaat voor een soort psychologische oorlogsvoering: minutenlang tergt het razende geknars van roestige onderdelen het gehoor van de luisteraar. Deze prijst zich gelukkig heer en meester over de volumeknop te zijn!
Veel poëtischer is dan weer 'SUB V part I’ dat is gebaseerd op het geluid van radiogolven - storing in alledaagse termen. Allerhande stoorgeluiden zijn de ingrediënten voor een onorthodox klanklandschap.
Maar ook een opgewekt stuk als 'SHF 3’ ontbreekt niet. De snelle, energieke puls heeft iets van een alternatieve ochtendgymnastiek. Deze loopt echter jammerlijk vast in een langdurige crash.
Noise Capture is een cd die van de luisteraar enige koelbloedigheid vereist. Of je hem als een puur conceptueel idee beschouwt of ook het muzikaal resultaat waardeert, is een kwestie van smaak. In beide gevallen gaat het om de schoonheid van een akoestische vuilnisbelt.

  • Onlangs maakte trombonist Willem van Manen bekend na 25 jaar trouwe dienst uit De Volharding te stappen, het blaasorkest dat hij zelf mede heeft opgericht. Dat hij geenszins de pijp aan Maarten geeft blijkt wel uit de cd met zijn eigen Contraband die onlangs uitkwam. De nummers op Hittit (BVHaast 9802) vallen op door hun levendige arrangementen vol contrasten en onverwachte accenten. Daarnaast krijgen de bandleden alle ruimte hun kunnen te tonen. De evidente speellust van de musici levert een evenredig luisterplezier op.