Toneel - Helft

Een alleenspraak in de rouw

In dit tijdvak van het publieke sterven en het ‘vieren’ van de doden rondom bittertafels op onze ‘treurbuis’ is het rouwen daarna, raar genoeg, iets waarmee het liefst snel en effectief korte metten wordt gemaakt.

Medium toneel

‘Op een dag is het genoeg. Kan niemand het meer aanzien. Het rauwe weefsel. De open zenuwen. Doe dat maar in je eigen tijd, met je horror te koop lopen. Dat hoef ik niet te zien. Het leven gaat door en tijd heelt alle wonden.’ Daarom is de rouw het eenzaamste en het stilste van alle lijden aan het leven. Geen mens heeft er ooit voor doorgeleerd. Het went niet. En het gaat trouwens ook nooit meer over.

De vrouw zit op een bank. Ergens op de helft van haar vertelling over de dood van de grote liefde in haar leven bekent ze dat ze, hoewel zeer alleen, toch echt geen single is: ‘Ik ben een oud verknocht echtpaar waarvan één helft ontbreekt.’ Deze monoloog over de rouw heet: Helft. Met als ondertitel: Jij ging dood en daar stond ik, zonder vel. Helft is in de strikte zin van het woord een voorstelling; een vrouw, de toneelspeelster Jolien van der Mee, die qua vertellend spelen van wanten weet, houdt ons drie kwartier in de ban van haar woorden en hartstochten. Helft is daarnaast ook een stap verder dan wat een voorstelling kan. Deze alleenspraak werkt als een steen in een slinger – de actrice geeft een zwiep en wij pakken de steen na afloop op en geven hem door. Omdat de pijnlijke open wond van de rouw schreeuwt om iets erna, dat heet: het erover hebben. Wat dus vrijwel nooit gebeurt, omdat het gros van de mensen wegkijkt wanneer de rouwende langs schuifelt. Om allerlei zogeheten legitieme redenen overigens: angst, onwetendheid, onhandigheid, druk-druk-druk en tot slot steeds weer: ‘jij ook altijd met je ellende’ en ‘is het nou nog niet over?’

Want, inderdaad, nee, het is meestal nog lang niet over.

‘Mijn wonden helen niet, ik hoef geen vel, het kan me niks schelen, zo zie ik eruit, zonder vel. Het kan me niks schelen, de pijn, dat is mijn liefde, mijn wonden dat ben jij, als ik geen pijn meer heb, ben ik je kwijt.’ In dat laatste schuilt de essentie van de pijn in de rouw, de paradox van het rouwen. ‘De mensen zijn bang. Iemand zonder vel is angstaanjagend. Het ziet er niet uit.’

Jolien van der Mee weet waar ze het over heeft. Ze verloor haar Pieter Thoenes ruim drie jaar geleden. En ze deelde met hem een leven lang het zoeken naar een goeie toon, de juiste beheersing, en de sterke vorm die we schoonheid zijn gaan noemen. Om vraagstukken op te gooien die ertoe doen. Deze monoloog gaat ook enorm over zielsverwantschap. En over het missen van die verwante ziel.

Sophie Kassies schreef met Van der Mee samen aan de tekst, waaruit wij hier citeren. Allan Zipson hield een regisserend oog in het zeil. Het resultaat is een bescheiden toneeljuweel van hoge urgentie.


Inlichtingen over Helft: jolienvandermee.nl


Beeld: Theatervoorstelling Helft, Jolien van der Mee