Film: ‘The Vietnam War’ en ‘The Post’

Een Amerikaanse ervaring

The Vietnam War van Ken Burns en Lynn Novick en The Post van Steven Spielberg laten zien dat de Amerikaanse regering aan het grote gelogen Vietnam-verhaal niet voldoende had om de burgers achter zich te houden. De burgers moesten ook nog goedgelovig zijn.

Medium vietnam
Long Khanh-provincie, Vietnam, 1966 © Pfc. L. Paul Epley / Courtesy of National Archives and Records Administration

Aan het begin van American Pastoral buigt Nathan Zuckerman, Philip Roth’s eeuwige alter ego, zich over een speech die hij moet geven op de reünie van de middelbare school waar hij begin jaren vijftig zijn diploma haalde. ‘Laten we terugdenken aan de energie’, zegt hij: ‘Er was een eind gekomen aan opofferingen en beperkingen. De crisisjaren waren voorbij. Het hek was van de dam. De Amerikanen gingen opnieuw beginnen, en masse, allemaal samen. Alsof dat nog niet bezielend genoeg was – de miraculeuze afloop van die allesoverheersende gebeurtenis, de klok van de geschiedenis die was verzet, waardoor de doelen van een heel volk niet meer bepaald werden door het verleden – was er onze buurt, het gemeenschappelijke besluit dat wij kinderen geen armoede, onwetendheid, ziekte, maatschappelijk onrecht en intimidatie zouden kennen – en dat we bovenal niet onbetekenend zouden zijn. Laat het niet zo zijn dat er niets van jullie terechtkomt! Maak iets van jezelf!’

De pastorale uit de titel is het leven van Seymour Levov, de populairste jongen van Zuckermans highschool. Hij is atletisch, slim, knap, ‘met de steile vikingkaak’. Hij trouwt met voormalig Miss New Jersey en erft een succesvolle handschoenenfabriek. Het toonbeeld van een voornaam, keurig burgerbestaan, tot de jaren zestig aanbreken, zijn dochter radicaliseert binnen de anti-Vietnambeweging en de nationale politiek zijn leven kapotslaat.

Natuurlijk is dit een gedramatiseerde roman, maar een van de meest opvallende dingen in de spraakmakende, zeventien uur durende documentaire The Vietnam War van Ken Burns en Lynn Novick is hoeveel van de geïnterviewde veteranen, correspondenten en demonstranten variaties van dit verhaal vertellen. Ze groeiden op in dorpen en steden waar op Onafhankelijkheidsdag optochten werden gehouden, waar de Amerikaanse vlag op de veranda’s wapperde, het volkslied iets betekende en het idee je land te dienen vanzelfsprekend was. Niemand twijfelde aan de goede bedoelingen van de regering, iedereen steunde het leger. En dus lieten jonge studenten universiteitsbeurzen schieten omdat ze vonden dat ze in Vietnam tegen het communisme moesten vechten, of liepen ze weg van huis om in dienst te gaan. Het gevoel Amerikaan te zijn was het gevoel verschil te maken in de wereld. (Het doet denken aan wat Susan Sontag schreef in 1966: ‘Alles wat je over dit land kunt voelen, wordt ingegeven door het besef van Amerika’s macht; het besef van Amerika als het opperrijk van de wereld, dat de biologische en politieke toekomst van de mens vast heeft in zijn King Kong-klauwen.’)

Vanuit de 21ste eeuw bezien kun je alleen maar denken dat het een fabeltje is. Je weet dat Amerika altijd al door etniciteit en kapitalisme is verscheurd, dat presidenten en politici feiten zo verdraaien dat ze in hun voordeel uitpakken. Er zijn mensen die zeggen: ‘Ik kijk niet naar Game of Thrones, ik kan toch niet geloven in draken en zombielegers.’ Iets soortgelijks voel je soms bij de eerste paar afleveringen van The Vietnam War, ondanks het feit dat geen woord verzonnen is. Het is heel moeilijk je te verplaatsen in het blinde vertrouwen, of de naïviteit, van de Amerikanen van toen. Niet dat vijf opeenvolgende presidenten over Vietnam logen is choquerend, maar dat de burgers ze steeds geloofden.

The Vietnam War werd afgelopen september uitgezonden op de publieke zender pbs en was, zoals dat heet, een tv-event. Vanwege de omvang: tien chronologische afleveringen van ruim anderhalf uur. En vanwege de maker: Ken Burns is onderhand de beroemdste documentairemaker in de VS, een levend instituut. Hij brak door met The Civil War (negen afleveringen, elf uur), waar in 1990 meer dan veertig miljoen Amerikanen op afstemden. Zijn documentaires zijn steevast episch opgezet, waarbij kleine individuele levens worden vervlochten met grote historische gebeurtenissen – telkens typisch Amerikaanse onderwerpen zoals honkbal, jazz en Thomas Jefferson. De egodocumenten van getuigen worden meestal voorgedragen door een sterrencast van beroemde acteurs. Zijn cameravoering is zo eigen dat het ‘Ken Burns-effect’ een eigen Wikipedia-pagina heeft: het is het effect dat hij creëert door een camera langzaam over een oude foto te laten bewegen en gaandeweg ergens op in te laten zoomen. Het creëert de illusie dat de foto een bewegend beeld is.

Voor The Vietnam War gingen Burns en Novick door duizenden uren archiefbeelden heen en interviewden ze ruim honderd getuigen: Amerikaanse en Vietnamese soldaten, dienstweigeraars, activisten, oorlogscorrespondenten, zussen en moeders van gesneuvelden, de eerste piloot die werd neergeschoten en krijgsgevangen werd gemaakt en de laatste soldaat die in 1975 in de laatste helikopter uit Saigon vluchtte. De som van al hun vertellingen samen is, simpelweg, hartverscheurend. Nog los van de politieke lading die de film heeft, kun je bijna niet onbewogen kijken naar de inmiddels oude veteranen die zich voor de camera proberen groot te houden terwijl ze vertellen over de ergste dingen die ze in hun levens hebben meegemaakt. De moeder van een jongen die van huis was weggelopen om bij het leger te gaan, vertelt dat ze hem liet begraven op de Arlington-begraafplaats, naast Washington DC, aan de andere kant van het land. Als hij dichterbij begraven zou zijn, zegt ze, ‘wist ik diep in mijn hart dat ik met mijn blote handen in de aarde zou graven om de warmte van hem terug te vinden’.

Medium 20170914 160446 744531 vietnamwarblog
Beeld uit The Vietnam War: een soldaat van de 25ste Infanterie Divisie, ongeveer 1969 © CHARLES O. HAUGHEY
‘Ik wist diep in mijn hart dat ik met mijn blote handen in de aarde zou graven om zijn warmte terug te vinden’

Wat die politieke lading betreft: die is vreemd genoeg afwezig. In de eerste aflevering wordt over de oorlog gezegd: ‘It was begun in good faith, by decent people’, wat een gotspe is, want Burns en Novick laten zelf al zien dat zodra de communistische, nationalistische Vietminh de onafhankelijkheidsstrijd tegen de Fransen won, in 1954, de VS alles deden om heimelijk verkiezingen te saboteren, het land opgebroken te houden en de communisten van de macht te weren. De makers zoeken duidelijk een toon die niet antagonistisch is. Hoewel alle bloedbaden in beeld komen en alle leugens van de politici worden ontmaskerd, is hun film geen aanklacht. De getuigen die aan het woord komen zijn eerlijk over al hun misstappen en het kolossale falen van de VS, maar ze zijn niet cynisch.

De bottleneck in de serie is het Tet-offensief, 31 januari 1968, toen duidelijk begon te worden dat de oorlog helemaal niet liep zoals de generaals zeiden dat ze liep. Dat was het moment dat de soldaten zich begonnen af te vragen wat ze daar deden; daar begon het trauma. Een veteraan vertelt hoe hij na de oorlog zijn honden het huis uit werkte, zijn pistool doorlaadde, eindelijk de moed had zelfmoord te plegen, om er vervolgens alleen van af te zien omdat zijn honden tegen de deur bleven krabben. Een andere veteraan vertelt dat hij en zijn vrouw goed bevriend raakten met hun nieuwe buren. Pas nadat ze twaalf jaar naast elkaar hadden gewoond kwamen ze erachter dat beide mannen in Vietnam hadden gevochten. Ze hadden er nooit iets over gezegd.

Wat The Vietnam War toont is niet een politieke geschiedenis of een militaire gebeurtenis. Wat het laat zien is een menselijke ervaring, waarmee een generatie volwassen werd.

Steven Spielbergs nieuwste film, The Post, speelt op verschillende manieren met naïviteit. Met een kinderlijk plezier toont hij het knip-en-plakwerk waarmee een krant, in dit geval The Washington Post, begin jaren zeventig werd gemaakt. Eindeloze rollen telexpapier, buizenpost, draaitelefoons, drukwerk dat met de hand gezet diende te worden. Spielberg zoomt erop in alsof hij zeggen wil: kijk eens, wat waren we nog onschuldig toen.

Een grotere naïviteit lijkt in de personages te zitten. In het hart van de film staat hoofdredacteur Ben Bradlee (Tom Hanks: grommend, bluffend, opgerolde mouwen, een montere piraat) tegenover uitgeefster Katharine Graham (Meryl Streep: zuchtend, steunend, een renpaard dat de hindernis niet durft te nemen). Nadat de regering-Nixon The New York Times heeft verboden te publiceren uit de geheime maar gelekte Pentagon Papers, waarin drie decennia overheidsleugens over Vietnam staan, heeft Bradlee de papers in handen gekregen. Hij wil publiceren, want het volk heeft er recht op. Graham twijfelt, want haar krant komt net op de beurs en als ze het verbod negeert kan Nixon haar krant sluiten. Ze moet zich losmaken van haar narrige mansplainende adviseurs om tot een beslissing te komen. En op een bepaalde manier moeten Bradlee en zij in de spiegel kijken. Hoezeer hebben zij als leden van Washingtons establishment gewillig in de zak van de politici gezeten?

Als Bradlee’s onderzoeksjournalisten door de duizenden pagina’s gekopieerde rapporten heen gaan, vallen hun monden steeds verder open. Lyndon Johnson wist al dat de oorlog zou falen! Wat? Net als bij The Vietnam War is hun ongeloof moeilijk te geloven. Je kunt als 21ste-eeuwse kijker bijna niet anders dan denken: natuurlijk loog Kennedy, natuurlijk loog Johnson, en reken maar dat Nixon loog. Vietnam was het moment dat de mijter en de plakbaard van Sinterklaas afvielen en de overheid alsnog bleef beweren dat die man daar Sinterklaas was en niet je ene oom. Dat wisten de journalisten in 1971 toch wel?

De afgelopen jaren staan de kranten vol columnisten en opiniemakers die zeggen dat we – links, rechts, Nederland, Europa, het Westen – weer op zoek moeten naar een groot verhaal waar we allemaal in geloven, dat ons samenbrengt en ons een doel geeft, zoals we dat vroeger hadden, ‘en masse, allemaal samen’, zoals Nathan Zuckerman speechte. The Post en The Vietnam War laten zien dat een goed groot verhaal alleen niet voldoende is; het heeft ook goedgelovige burgers nodig. Dat is de verknipte nalatenschap van de Vietnamoorlog. Het punt van een ervaring is dat als je hem eenmaal hebt je nooit meer terug kunt naar de tijd voordat je haar kreeg. Je kunt iets niet bewust vergeten. Om nu nog in een groot verhaal te geloven is op de eerste plaats een willing suspension of disbelief nodig, zoals dat in de literatuurwetenschappen heet: het opschorten van ongeloof. Het publiek moet iets actief willen geloven, willen vergeten dat die mijter is afgevallen. En iets willen geloven is nu net een contradictio in terminis.


The Post draait vanaf 1 februari in de bioscoop. The Vietnam War is te bestellen via bol.com