De vermeende Kennedy-moordenaar en zijn laatste minnares

«Een Amerikaanse held»

Aan theorieën over de moord op president Kennedy is al veertig jaar geen gebrek. Judyth Vary Baker, naar eigen zeggen de laatste minnares van de vermeende moordenaar Lee Harvey Oswald, voegt daar nu de hare aan toe. Het verhaal wordt steeds gekker.

Sinds kort is in de Kleine Houtstraat 136 in Haarlem het Lee Harvey Oswald Museum gevestigd. Het is opgericht door de Amerikaanse Judyth Vary Baker. Zij was naar eigen zeggen de minnares van Lee Harvey Oswald tijdens het laatste jaar van zijn leven, 1963, en zou met hem hebben samengewerkt in een ondergrondse afdeling van de Amerikaanse geheime dienst in New Orleans, in een project dat was gericht op de eliminatie van de Cubaanse leider Fidel Castro. Volgens Judyth Vary Baker is Oswald ten onrechte de geschiedenis ingegaan als de moordenaar van John F. Kennedy. «Lee heeft de moord op de president juist proberen te voorkomen.»

Het verhaal van Judyth Vary Baker is schokkend, soms bizar, als een aflevering uit The X-files. Tegelijkertijd weet zij ter adstructie van haar relaas zo veel origineel bewijsmateriaal te overleggen dat haar verhaal onmogelijk geheel kan worden genegeerd of geridiculiseerd, zoals in de VS tot nog toe vooral is gebeurd.

Aan de hand van talloze brieven en documenten kan ze bijvoorbeeld aantonen dat ze als jonge student inderdaad gemoeid was met onderzoek naar de oorzaak van kanker, het onderzoek dat haar naar eigen zeggen uiteindelijk deed belanden in een ultrageheim, door de CIA gesponsord laboratorium waar werd gewerkt aan een virus om Castro mee te vermoorden.

Het bestaan van dat laboratorium wordt bevestigd door de Amerikaanse schrijver Edward T. Haslam, die in 1995 met het boek Mary, Ferrie and the Monkey Virus: The Story of an Underground Laboratory als eerste het bestaan van dergelijke onderzoekscentra aantoonde. Haslam heeft Vary Baker diverse keren gesproken en verklaard dat haar verhaal wel degelijk op waarheid berust.

Wat betreft Vary Bakers relatie met Lee Harvey Oswald, de man die twee dagen na de moord op Kennedy, op 24 november 1963, zelf in de kelder van de politiegevangenis in Dallas werd doodgeschoten, kan ze aan de hand van loonstrookjes en belastingpapieren aantonen dat ze inderdaad in precies dezelfde periode als Lee Harvey Oswald werkzaam is geweest bij de Reily Coffee Company in New Orleans.

Volgens haar was deze firma een dekmantel voor uiteenlopend en zeer geheim inlichtingen- en agitatiewerk. Ook andere bronnen — zoals de beruchte CIA-huurling Gary Hemming — hebben die bewering over de Reily-firma gedaan. Foto’s van Judyth en Lee zijn er niet. Er is wel een bekende foto van Oswald — genomen in New Orleans terwijl hij pro-Castro-folders uitdeelt in het zakenhart van de stad — waar een niet herkenbare vrouw op staat. Vary Baker denkt dat zij de vrouw op die foto is, maar kan dat niet bewijzen.

Of Lee Harvey Oswald daadwerkelijk een agent van de CIA is geweest — zoals niet alleen Vary Baker, maar ook gerenommeerde Kennedy-speurders (zoals de Britse ex-BBC-journalist Anthony Summers in zijn boek Not in Your Lifetime, 1997) stellen — zal voorlopig een kwestie van speculatie blijven. Oswald heeft een geheim, 51 documenten tellend CIA-dossier. Maar op grond van de nationale veiligheid heeft de Amerikaanse regering besloten dat dossier tot september 2038 in de kluis te houden, net als het dossier over zijn vriend en partner in duistere zaken David Ferrie.

Judyth Vary Baker: «Ik ben geboren op 15 mei 1943 in South Bend, Indiana, thuisstad van de befaamde Notre Dame college-footballclub, de trots van de Ierse katholieken in de VS, en ook de favoriete club van Lee Harvey Oswald. Mijn vader werkte als uitvinder in de radio- en tv-industrie. Ooit kreeg hij een baan bij het leger in het zogeheten Red Stone Rocket Project in New Mexico aangeboden. Dat ging op het laatste moment niet door omdat mijn moeder het daar vreselijk vond. Maar de hele familie had toen wel al een security clearance gekregen, en ik denk dat dat van invloed is geweest op mijn verdere leven.

Na de pensionering van mijn vader in 1955 vertrokken we naar Florida, waar ik de Manatee High School in Bradenton bezocht. Bradenton was afgeladen met militaire figuren en ook de school was sterk met het leger verbonden. Op mijn zestiende won ik een nationale prijs voor een nieuwe manier om magnesium uit zeewater te winnen. Met een gemeten IQ van 155 werd ik beschouwd als een whizzkid en sterk aangemoedigd me verder te verdiepen in laboratoriumonderzoek.

Mijn passie lag bij kankeronderzoek. Ik kreeg een eigen laboratorium op Manatee waar ik experimenten deed met levende kankercellen op muizen. Daar was op dat moment nog niets geheims aan. Plaatselijke en landelijke kranten schreven over mijn project, met foto’s van mij erbij. Mijn onderzoek was gericht op de vraag in hoeverre groei van kankercellen werd gestimuleerd door chemicaliën en met behulp van straling.

Ik werd in contact gebracht met de biologische wapenexpert dr. Canute Michaelson die mijn onderzoek financierde en die, naar later bleek, ook werkzaam was voor de CIA. In St. Petersburg in Florida ontmoette ik twee Nobelprijswinnaars in de natuurkunde, en uiteindelijk werd ik tijdens een internationale wetenschapsbeurs, nog steeds op de High School, in contact gebracht met de toen al legendarische arts Alton Ochsner, stichter van de befaamde Ochsner Cancer Clinic in New Orleans.

Ochsner was een beroemd chirurg, die onder zijn persoonlijke kennissenkring zowel Juan Perón, dictator Somoza van Nicaragua als Richard Nixon en «Wild Bill» Donovan, het hoofd van de OSS — de voorloper van de CIA — mocht rekenen. Ochsner was de eerste Amerikaanse arts die een verband legde tussen roken en longkanker en stak veel geld in onderzoek. Tegelijkertijd was Ochsner voor alles een virulent anticommunist. Zo was hij oprichter van de Information Council of the Americas (INCA), een sterk anticommunistische organisatie in New Orleans die, gesteund door de CIA, eigen radio-uitzendingen verzorgde voor Latijns-Amerika en Cuba. Na de coup van Castro in Cuba diende de INCA als verzamelplaats voor de Cubaanse oppositie.

Na de kennismaking met Ochsner werd mij gevraagd of ik mijn land wilde dienen. Vanaf dat moment werd ik een asset voor de CIA, al had ik dat niet direct door. Daarnaast kende ik in die tijd al veel mensen uit de anti-Castro-gezinde Cubaanse gemeenschap. Ik ontving voor mijn onderzoek speciale chemicaliën van de Walter Reed Army Institute of Research, en ook van bedrijven als Eli Lily. Ik was pas zeventien jaar oud, maar kreeg het meest exclusieve materaal in handen. Senator George Smathers, een persoonlijke vriend van Nixon en van John F. Kennedy, die toen net president was geworden, had veel belangstelling voor mijn werk en moedigde me verder aan mijn land te dienen. Het waren moeilijke jaren. Met de rakettencrisis in Cuba en het mislukken van de operatie Varkensbaai waren de internationale verhoudingen bijzonder explosief geworden. Het was alsof elk moment de Derde Wereldoorlog kon beginnen.

Tegen die achtergrond was ik maar al te trots dat ik werd gevraagd voor geheim werk om het land te dienen. Dat bracht met zich mee dat ik mijn wetenschappelijke arbeid voortaan low profile moest houden. Tekenend was dat ik, hoewel ik een belangrijke prijs had gewonnen voor mijn laboratoriumonderzoek, bij mijn afstuderen lage cijfers kreeg op dat vakgebied. In plaats daarvan kreeg ik hoge cijfers op het gebied van de kunst. Dat was deel van de cover up.

Na Manatee kwam ik met een beurs van de National Science Foundation terecht in Roswell Park in Buffalo, New York, het oudste centrum voor kankeronderzoek ter wereld. Het hoofd daarvan, dr. George Moore, was een goede vriend van Ochsner. Het instituut was actief voor de Amerikaanse inlichtingendienst in uiterst geheime projecten ten behoeve van biologische oorlogsvoering. In 1962 bezocht ik de universiteit van Florida in Gainesville, waar ik toestemming kreeg om experimenten te doen met hoge radioactieve straling. Daarvoor had ik een jaar gestudeerd aan de Universiteit van Indiana. In april 1963 werd ik naar New Orleans gestuurd, alwaar ik — zo was mij verteld — voor dr. Ochsner zou gaan werken. Daar, op 26 april 1963, ontmoette ik Lee Harvey Oswald, op het postkantoor. Het leek een toevallige ontmoeting, maar achteraf ben ik ervan overtuigd dat het een opzetje was.

Het was liefde op het eerste gezicht. Binnen enkele weken hadden we een hartstochtelijke affaire, hoewel we dat allebei eigenlijk niet wilden. Lee was een geweldige minnaar en een levenslustige, energieke man met vele vrienden, in niets de «lone nut» waarvoor de Commissie-Warren — de onderzoeksgroep die de moord op Kennedy moest uitzoeken maar die in werkelijkheid vooral werk maakte van het verbergen van de waarheid — hem heeft uitgemaakt.

Ik stond in april 1963 op het punt te gaan trouwen met Robert Baker, maar was niet gelukkig met dat vooruitzicht. Lee was getrouwd met de Russische Marina, maar zijn huwelijk stond op het punt van instorten. Ik leek in die tijd heel erg op Marina, en het feit dat ik ook wat Russisch sprak — net als Lee, die uiteindelijk nog een jaar in de Sovjet-Unie had gewoond — bond ons ook. Lee zorgde ervoor dat ik een woning kreeg bij hem in de buurt, en het was ook hij die ons allebei een baan bezorgde bij de Reily Coffee Company. We werkten allebei in hetzelfde gebouw, vanaf dezelfde dag: 10 mei 1963.

Reily Coffee Copany was een dekmantel voor allerlei ondergrondse operaties. Er bestonden nauwe banden tussen het bedrijf en Ochs ners INCA. De baantjes die we kregen verborgen onze werkelijke activiteiten. Lee werkte bij Reily als manusje van alles. Zijn werk bestond uit machines oliën, lampjes indraaien, stoppen en koffiemachines schoonmaken. Allerlei zaken die moesten verbergen waar hij eigenlijk mee bezig was. In werkelijkheid was hij nauwelijks aanwezig bij Reily. Hij was altijd bezig met infiltratieoperaties in kringen van Castro-aanhangers.

Om die activiteiten te verbloemen was het mijn taak om Lee telkens uit te klokken, zodat het leek dat hij de hele dag op kantoor was geweest. Zijn werkelijke bezigheden werden gecoördineerd vanuit het kantoor van privé-detective Guy Bannister, in dezelfde buurt. Bannister was het ex-hoofd van de FBI in Chicago en werkte samen met de maffia en de CIA. Hij was een rabiate anticommunist. Ik heb hem een paar keer samen met Lee ontmoet. Hij verkeerde in de veronderstelling dat ik Marina, de Russische vrouw van Lee was. Dat was een truc die we vaker uithaalden. In werkelijkheid heeft hij Marina nooit gezien. Bannister overleed in 1964 aan een hartaanval, maar Anna Vincent, de vrouw van zijn medewerker David Lewis, heeft officieel verklaard dat zij en haar man en Lee en ik vaak met zijn vieren het nachtleven van New Orleans zijn ingetrokken.»

«Lee was een spion, en heeft ook nooit iets anders dan een spion willen zijn. Zijn favoriete films waren James Bond-films. Ik herinner me nog goed dat we samen From Russia With Love hebben gezien. Hij voelde zich een Amerikaanse James Bond, en niet ten onrechte. Zijn zogeheten communistische sympathieën waren allemaal verzinsels, een façade waarachter hij zijn undercoveroperaties kon uitvoeren. Zo richtte hij in New Orleans de lokale afdeling van het Comité Fair Play for Cuba op, waarvan hij het enige lid was. Het adres op het propagandamateriaal voor die organisatie — die gericht was op het normaliseren van de Amerikaans-Cubaanse betrekkingen — stond nota bene op het kantoor van Guy Bannister.

In mei 1963 bracht Lee mij in contact met David Ferrie, oftewel dr. David Ferrie, zoals hij zich graag noemde. Ferrie was een zeer bijzondere figuur. Hij was piloot, en had zowel connecties met de maffia als de CIA in New Orleans. Hij had clandestiene vluchten uitgevoerd namens de CIA naar Cuba en speelde ook een rol bij de invasie van de Varkensbaai in 1961. Hij was een bijzondere verschijning: door een ziekte had hij al zijn haren verloren, zodat hij rondliep met een opzichtig toupet en met opgeplakte wenkbrauwen. Hij ging diep gebukt onder zijn biseksuele geaardheid, die hem zijn baan als piloot bij de Eastern Airlines had gekost. Hij had Lee al als jongeman gekend. Toen Lee vijftien was, was Ferrie zijn mentor bij de Civil Air Patrol. Hij was voor Lee — die zonder vader was opgegroeid — een soort vaderfiguur.

Ferrie haatte Kennedy vanwege de mislukking van de operatie Varkensbaai. Die haat tegen de Kennedy’s deelde hij met maffiabaas Carlos Marcello in New Orleans, voor wie Ferrie allerlei hand- en spandiensten verrichtte. Zo was het Ferrie die Marcello terugvloog naar Amerika nadat deze op last van minister van Justitie Robert Kennedy als ongewenst vreemdeling was uitgezet naar Guatemala. Marcello was vanaf dat moment een erfvijand van de Kennedy’s. Hij had een grote rol in het complot dat leidde tot de dood van de president.

David Ferrie was een man van vele kwaliteiten. Hij was zeer religieus geïnteresseerd en liet zichzelf zelfs tot bisschop benoemen bij een tak van de vrije katholieke kerk. Hij was gefascineerd door het occulte. Maar daarnaast deed hij ook aan kankeronderzoek, net als ik. In New Orleans was Ferrie betrokken bij een ondergronds laboratorium waar werd geëxperimenteerd met biologische oorlogsvoering. Ook betrokken bij dat laboratorium — dat werd gefinancierd door de CIA — was dr. Mary Sherman. Zij was een wereldvermaarde onderzoekster naar de oorzaken van kanker en een vertrouwelinge van dr. Ochsner. Met beiden heb ik intensief samengewerkt in het geheime laboratorium en in een ziekenhuis in New Orleans.

Ook het huis van Ferrie werd voor het onderzoek gebruikt. Dat is de reden waarom er na de mysterieuze dood van David Ferrie in 1967 hokken met honderden muizen werden aangetroffen. Jim Garrison, de openbare aanklager van New Orleans, wees direct na de dood van Ferrie op diens vreemde fascinatie voor kankeronderzoek. Het werd hem door de dood van Ferrie onmogelijk gemaakt om die link verder te onderzoeken, hoewel later is gebleken dat Garrison op het punt heeft gestaan om dr. Alton Ochsner aan te klagen als medeverdachte bij de moord op John F. Kennedy.

In ons laboratorium stonden Ferrie, dr. Sherman en ik bekend als dr. Ferrie, dr. Mary en dr. Vary. Ik denk achteraf dat dat mijn leven heeft gered. Als mensen later de naam dr. Vary lieten vallen, gingen ze ervan uit dat daarmee David Ferrie werd bedoeld.

Lee was ook betrokken bij het onderzoek. Hij kreeg een spoedcursus over het omgaan met het transport van levende kankercellen, die in een speciale chemische vloeistof levend konden worden gehouden. Bij die techniek werd gewerkt met SV-40, materiaal dat werd getrokken uit de nieren van mensapen, dat ook werd gebruikt bij de ontwikkeling van het polio vaccin. Het doel van de operatie was Castro ermee te besmetten. Hij stond bekend als een liefhebber van sigaren en niemand zou er dus vreemd van opkijken als hij longkanker zou krijgen.»

«Lee moest het materiaal in Mexico City zien te krijgen, waar een Cubaanse contactpersoon, een student medicijnen, voor verder transport zou zorgen. Personeel van het ziekenhuis in Havana dat Castro bezocht — niet artsen, maar technisch personeel van de radiologieafdeling — zou vervolgens voor de besmetting zorgen.

Achteraf gezien was het natuurlijk een immoreel onderzoek. Maar op dat moment leek het alsof alleen de dood van Castro Amerika zou kunnen bevrijden van die enorme dreiging van een atoomoorlog. Wel heb ik mijn zorgen over het project geuit aan dr. Ochsner. Hij deelde me mee dat ik vervangbaar was en waarschuwde ervoor dat het onderzoek niet in verkeerde handen mocht vallen.

Tot mijn afschuw ontdekte ik dat er in de VS proeven met mensen werden gedaan met het kankervirus. Het proefkonijn was een gevangene uit de Angola-gevangenis in Lousiana. Die zou naar het East Louisiana State Mental Hospital in Jackson worden overgebracht voor behandeling, maar daar in werkelijkheid dienst doen als menselijk proefkonijn.

Eind augustus 1963 ging Lee samen met David Ferrie en Clay Shaw — een goede bekende van dr. Ochsner en net als deze betrokken bij het geheime «Get Castro»-project — per auto naar Jackson, met de bedoeling om zich daar te voegen bij een konvooi dat de proefpersoon naar het hospitaal bracht. Dat was een vergeefse trip, want de gevangene was nog niet in het ziekenhuis gearriveerd. In het nabijgelegen Clinton, waar ze uren wachtten op het konvooi, was op dat moment een actie aan de gang om zwarten zich te laten registreren in de kiesregisters. Het was dus erg druk, en dat was de reden dat zich later tal van getuigen hebben gemeld met de mededeling dat zij Lee Harvey Oswald samen met Ferrie en Clay Shaw hadden gezien. Voor Jim Garrison was dat feit later een reden Clay Shaw aan te klagen, maar zoals bekend haalde hij bakzeil.

Een paar dagen later ben ik met Lee naar Jackson gereisd. David Ferrie had het proefpersoon inmiddels besmet met het kankervirus. Ik moest met bloedtests controleren of het virus ook daadwerkelijk aansloeg. We vonden het allebei vreselijk, maar we hielden ons voor dat het in het landsbelang was, en dat de man in kwestie een veroordeelde moordenaar was. Het experiment slaagde: binnen 28 dagen overleed de man. Het virus was klaar voor gebruik.»

«In september 1963 vertrok Lee met het kankerverwekkende materiaal, verpakt in een afgesloten soepkom, naar Mexico City. Op dat moment werd Cuba overvallen door de orkaan Flora. Castro gelastte al het medisch personeel dat hem omringde hulp te bieden aan de bevolking van het eiland, en het plan viel in duigen.

Daarna trad plan B in werking: het vermoorden van president Kennedy. Als Castro niet gepakt kon worden, zou de president er aan moeten geloven, omdat hij pro-communistisch werd geacht.

Lee wist van het complot om Kennedy te vermoorden, maar hij was daar een tegenstander van. Hij was juist een bewonderaar van beide Kennedy’s. Hij was fel voorstander van de antisegregatiepolitiek van de Kennedy’s. Toen hij in New Orleans na het op straat uitdelen van pro-Castro-folders eens terecht moest staan vanwege een vechtpartij met tegenstanders, nam Lee in de rechtszaal demonstratief plaats op de plek waar de zwarte burgers geacht werden te zitten.

Hij was zonder meer pro-Kennedy, en dat was dan ook de reden dat hij in oktober als een gebroken man terugkeerde uit Mexico. Hij wist welk nieuw plan er in werking zo treden als Castro niet kon worden vermoord. Bij Reily Coffee Company had hij inmiddels zijn congé gekregen. Zijn nieuwe werkplaats werd Dallas. Een dag voor de moord op Kennedy sprak ik hem voor het laatst. Hij verkeerde in een uiterst sombere staat. ‹I’m a dead man, anyway›, zei hij tegen me. Hij vertelde mij van het complot om Kennedy te vermoorden en vertrouwde me toe dat hij dat zou proberen te voorkomen. De bedoeling was Kennedy te vermoorden en Castro er de schuld van te geven, zodat de operatie-Varkensbaai kon worden herhaald, dit keer met het gewenste resultaat.

Lee ging naar Dallas in de overtuiging dat hij dat plan kon saboteren. Mogelijk loste hij het eerste schot op Dealey Plaza, het schot dat miste, achter de presidentiële wagen, met de bedoeling de bewaking te alarmeren.»

«Op 22 november 1963 was ik in Gaines ville, Florida, waar ik onderzoek deed voor Ochsner. Daar hoorde ik van de moord op Kennedy, en twee dagen later zag ik op tv hoe Lee werd vermoord. Het was het einde van mijn wereld. Lee en ik hadden een plan om samen uit de VS te vertrekken. We zouden gaan leven op de Kaaiman-eilanden, waar hij contacten had. Maar dat heeft allemaal niet zo mogen zijn.

Ik heb zijn moordenaar Jack Ruby via Lee persoonlijk gekend. Ruby kende Lee als jongen in New Orleans en Dallas. Lee’s moeder had de nodige maffiaconnecties en uit die tijd stamde de connectie met Jack Ruby al. Ik denk dat Ruby door de maffia is gedwongen om Lee te vermoorden. Hoe weet ik niet. Eenmaal in de gevangenis heeft Ruby verklaard dat hij was besmet met kankercellen. Niemand geloofde hem. Hij stierf in 1967 aan een extreme vorm van longkanker.

Dokter Mary Sherman werd op 21 juli 1964, de dag dat de verhoren van de Warren Commissie naar de dood van Kennedy in New Orleans begonnen, dood aangetroffen in haar appartement. Haar arm was compleet afgebrand, als met een vlammenwerper. Ze had veertien messteken in haar ontklede lichaam en men had haar in brand gestoken. Je begrijpt dat daarna niemand meer praatte over het geheime lab. Ik zelf deed er ook het zwijgen toe.

Na de dood van Lee was het alsof mijn wereld was vergaan. Ik werd gedwongen te stoppen met mijn werkzaamheden als onderzoeker en zocht samen met mijn man bescherming bij de mormonen. Ik wijdde me aan de opvoeding van onze vijf kinderen, en sprak met niemand over mijn tijd met Lee. Van de acht personen die ik kende bij het kankerlaboratorium in New Orleans, waren er in 1967 al vijf dood. Na 1972 waren alleen Ochsner en ik nog in leven. Ochs ner is ook overleden. Ik ben de enige die het verhaal kan vertellen.»

«Dertig jaar lang heb ik gezwegen, uit angst dat ik vermoord zou worden, of dat mijn kinderen iets zou overkomen. Ik probeerde Lee en de moord op Kennedy uit mijn gedachten te bannen, wilde er niets over horen. Tot vier jaar geleden, toen ik thuis de video zag van Oliver Stone’s film JFK. Die film maakte alle oude wonden weer open. Ik kon niet meer leven met de gedachte wat voor onrecht ze Lee hebben aangedaan. Mijn huwelijk met Robert Baker was al uitgemond in een scheiding en de kinderen waren volwassen. Ik zocht contact met de Amerikaanse media om mijn verhaal te doen. Na de nodige telefonische bedreigingen en twee mysterieuze auto-ongelukken — de laatste in 2002, waarbij ik zwaar gewond raakte — besloot ik de VS te verlaten.

Ik koos voor Haarlem omdat dit de stad is van Corrie ten Boom, de Haarlemse vrouw die tijdens de oorlog haar leven riskeerde door hulp te bieden aan ondergedoken joden. Haar boek The Hiding Place is in Amerika zeer geliefd, en bood ook mij de inspiratie om de waarheid te vertellen.

Ik probeer mijn geld te verdienen met mijn schilderijen. In de VS had ik de afgelopen jaren een goed lopende kunstgalerie. Momenteel leg ik de laatste hand aan mijn boek over Lee Harvey Oswald. Mijn doel is hem te rehabiliteren. Lee was een Amerikaanse held, die in de val is gelokt door mensen die hij dacht te kunnen vertrouwen. Hoewel onze relatie maar zeven maanden heeft mogen duren, was en blijft hij de man van mijn leven.

Veel mensen hebben te vrezen van mijn verhaal. Vandaar dat men mij afschildert als een hysterica, of een bedriegster. Maar ik kan alles wat ik zeg met bewijzen staven en ik ben ervan overtuigd dat de waarheid zal overwinnen. Ik hou van mijn land, maar nog meer hou ik van de vrijheid. Het is geen pretje om op je zestigste helemaal alleen in een vreemd land te moeten wonen, weg van mijn kinderen en mijn kleinkinderen, maar dat is de prijs die ik moet betalen.»