Essay - Parijs en de wraak der soennieten

Een ander Arabisch geluid

In Europa is een ‘verloren generatie’ ontstaan van Maghreb-jongeren die zich niet interesseren voor het Europese verhaal. Zij hebben hun eigen Arabische verhaal. Daarin draait het om verraad en vernedering.

Medium 172181 600

Je discussieert niet met iemand die schreeuwt of huilt. Er moet ook tijd zijn voor verbijstering, afgrijzen, moedeloosheid, droefheid en mededogen. Maar daarna komt er, omdat dat nu eenmaal moet, ook tijd voor analyse en reflectie. Vanuit dit gezichtspunt bezien hebben degenen die vanaf de eerste dagen na ‘13 november’ poogden een heldere analyse op tafel te leggen van het duivelse geweld dat zich die dag in Parijs afspeelde zich ongetwijfeld schuldig gemaakt aan te vroeg praten. Dat is ze te verstaan gegeven, en nog ongezouten ook, zodat de meest mediagenieke onder hen heeft aangekondigd voortaan zijn mond te zullen houden.

Maar daarna zijn de tongen toch losgekomen, op de radio, op televisie, in de geschreven pers en op internet. Het lijkt nu alsof alles wel is gezegd. Grofweg waren er twee kampen. Tegenover degenen die het wilden proberen te begrijpen stonden degenen (die in verwarring waren of geen zin hadden zich intellectueel in te spannen) die wilden vasthouden aan het irrationele, aan dat plotselinge onbegrijpelijke opduiken van een ongehoorde barbarij, midden in een tijd die beschaafd werd geacht, en die deze barbarij wilden vernietigen – met wortel en tak wilden uitroeien.

Maar wat betekent dat precies? Dat van die wortels, dat is natuurlijk een metafoor, want zoiets bereik je niet met bombardementen en zelfs niet door het sturen van commando’s naar het gebied waar je ze letterlijk uit de grond zou willen trekken. Die wortels, die zitten in de hoofden van al diegenen die bereid zijn zich in dit avontuur te storten, door naar Raqqa te gaan of in ieder geval hun trouw aan de kalief te belijden.

Het is wel een vreemde kalief, nietwaar? Beslist. Maar waarom zouden we, in plaats van de spot te drijven met zijn Zwitserse horloge of ons te laten afschrikken door zijn indeling van de wereld in dar al-islam en dar al-harb – de kring van de islam en de kring van de oorlog, waar helemaal niets nieuws aan te ontdekken valt – ons niet eerst eens afvragen wat dat eigenlijk is, een ‘kalief’? Het heeft geen zin een even obscure als loze discussie aan te gaan over de eigenschappen van de kalief na de dood van Mohammed, en over de exacte aard van zijn opvolging – kan een profeet eigenlijk wel worden opgevolgd? Dat is allemaal muggenzifterij voor later, als het weer vrede is. Het is nu vooral van belang ons te herinneren dat er in de soennitische islam helemaal geen kalief meer is geweest nadat Atatürk de instelling in 1924 had afgeschaft en de laatste titularis, Abdoel Majid II, naar Parijs had verbannen, waar deze een inactief burgermansbestaan leidde (aan de Boulevard Suchet als ik me niet vergis) en in anonimiteit is gestorven. Maar toen had de wereld ook andere zorgen: het was in 1944…

Dus na 1924 hebben de soennieten geen kalief meer gehad – geen ‘paus’. Bij ontstentenis daarvan hebben ze politieke leiders gekend van het gestaalde soort, een zekere Nasser bijvoorbeeld die de grote massa der Arabieren in vervoering bracht, maar bij wie de Europese pers niets anders kon ontwaren dan ‘de handen van een wurger’. Politieke leiders, ‘sterke mannen’, de Nassers, de Bourguiba’s (voor lokaal gebruik), de Saddams (wiens begindagen, dat vergeet men snel, ‘veelbelovend’ waren, zozeer zelfs dat een gefascineerde Chirac Arabisch ging leren om zonder tolk met hem te kunnen spreken), de Salehs in Jemen, de Fayçals, enzovoort.

Maar beetje bij beetje is dit alles tot stof vergaan. Nasser, aangeslagen door de nederlaag in de Zesdaagse Oorlog, gedeprimeerd en gekwetst, vernietigde zichzelf tergend langzaam (door vier pakjes sigaretten per dag te roken) en overleed toen hij nog maar net vijftig was. Zij die hem wilden opvolgen verdwenen de een na de ander, oneervol, tot die tweevoudige zwarte apotheose van een vernedering zich voordeed die geen enkele scenarioschrijver had durven voorstellen aan zijn producent, omdat zij zo karikaturaal is: Saddam die er letterlijk uitzag als een rat, uit een gat in de grond werd gevist en werd opgehangen zonder zelfs maar zijn laatste gebed te hebben mogen beëindigen, en Kadhafi, te voorschijn kruipend uit een soort buis waarin hij zich had verstopt (een riool, kortom: we zijn nog steeds bij de ratten), en ter plekke gelyncht.

Stel je de nationalistische Arabier eens voor die zich deze geduldige eliminatie van al zijn sterke mannen heeft zien voltrekken, één voor één, op een steeds vernederender manier. Nadat er voortdurend tegen hem was gezegd dat hij in die zes dagen in de zomer van 1967 was ‘verpletterd’ door het Israëlische leger (zoals je kakkerlakken verplettert), was hij door zijn achtereenvolgende leiders ‘gepromoveerd’ tot een slijmerig knaagdier. Het is zoölogisch gezien misschien een vooruitgang, maar een dergelijke gang van zaken is niet heel enthousiasmerend.

Intussen was er ook een ayatollah geweest die het hoofd had geboden aan de Grote Satan (de Amerikaanse diplomaten die gedurende 444 dagen gegijzeld werden in Teheran, zonder dat Washington er ook maar iets aan kon doen). Maar die ayatollah was een sjiiet, zo besefte men uiteindelijk – iemand van een andere club, kortom. De soennieten voelden zich weer verweesd.

Alle serieuze analisten weten dat Daesh, of Isis, of Islamitische Staat – wat doet de naam of de afkorting er eigenlijk toe – uit deze bron is voortgekomen: het is de wraak der soennieten. Het is mogelijk dat enkele zwakke geesten of openlijke psychopaten – ik denk in het bijzonder aan de bekeerlingen die erheen zijn gegaan om ongelovigen te onthoofden – zich bij IS hebben aangesloten zonder ook maar iets te weten van de geschiedenis van de soennieten. Heeft men bij een van die warhoofden, bij de douane op Heathrow, niet De islam voor dummies in zijn bagage aangetroffen, gekocht op de luchthaven? Toch zijn dat uitzonderingen.

Heeft men bij een van die warhoofden, bij de douane, niet De islam voor dummies in zijn bagage aangetroffen, gekocht op de luchthaven?

Deze wraak der soennieten is allesbehalve irrationeel, folkloristisch of ongerechtvaardigd. Ik kijk systematisch naar de Arabische televisiezenders, naast France 2 of de bbc, of de Nederlandse omroep. Hoe vaak heb ik de afgelopen maanden op die westerse zenders de namen van Sykes en Picot horen vallen? Geen enkele keer. Men heeft geen idee wie dat zijn. Daarentegen zijn deze twee heren (waarvan Picot overigens de oudoom van Giscard is) op de Arabische zenders en in de propaganda van IS alom aanwezig. Waarom? Omdat deze twee hoge diplomaten, een Brit en een Fransman, op een dag in 1916 de kaart van het Midden-Oosten pakten en daarop kunstmatige grenzen trokken, waarbij de ene zone aan Engeland toeviel en de andere aan Frankrijk. Vergeten waren de mooie beloften van Lawrence of Arabia en van Sir Henry McMahon, vergeten was het ‘grote verenigde Arabische koninkrijk’. En in het hart van dit doodgeboren project verrees in 1948 de staat Israël. Een wonder van de moderne tijd in de Europese versie van het verhaal, een nakba (catastrofe) in de Arabische versie.

Oude koeien? Bezien van hieruit, vanuit Parijs bijvoorbeeld, zijn dit inderdaad oude koeien, en is er sindsdien veel water onder de Pont Neuf door gestroomd. Maar dáár niet! Dat moet nu eindelijk maar eens begrepen worden. Sykes-Picot, het grote verraad, de Palestijnse kwestie, het is daar allemaal heel actueel. En als de Franse president rechtstreeks tussenbeide komt in de Syrische burgeroorlog, vanaf 2011, verordenend dat Bashar al-Assad niet langer de legitieme president van het land mag zijn, ziet men hem daar als niets anders dan een nieuwe Picot – feitelijk geeft hij Picot zelfs een gezicht.

Ziehier een tafereel waarvan schrijver dezes getuige is geweest: een strijder van IS wist met zijn laarzen een denkbeeldige lijn in het zand en roept uit: ‘Kijk wat ik doe met Sykes-Picot!’ Wie begrijpt dat hier? Laten we dus ophouden te praten over ‘barbarij’, over ‘uitvaagsel van de aarde’ en over warhoofden die hopen dat er 66 maagden op ze wachten ‘in het paradijs van Allah’. Zelfs intellectuelen uit de Maghreb, onder wie mijn vrienden, die toch de kans hebben gehad zich beter te informeren door naar de Arabische zenders te kijken, trappen in deze val: volgens hen is alles daar ‘gekkigheid’. Dat is jammer. Het is een nederlaag voor het denken, de vervloeking komt in de plaats van de analyse, en men schiet er geen zier mee op.

Toch is die analyse hard nodig. Want sinds een jaar of twintig heeft zich een fundamentele verandering voorgedaan. Deze zaak van ontevreden soennieten, en van Arabieren die zich de hele twintigste eeuw verraden, verpletterd en uit het riool gevist hebben gevoeld – dat is niet langer een ‘Arabisch verhaal’ dat men elkaar influistert in een woestijntent ver weg, onhoorbaar, verwaarloosbaar en niet-actueel; het is vandaag de dag juist een duidelijk, samenhangend, goed gestructureerd verhaal, dat in Europa zelf het Europese verhaal concurrentie aandoet. Als men dit niet begrijpt, begrijpt men ook niets van die Belgen of Fransen van Marokkaanse afkomst die onschuldigen gaan vermoorden in hartje Parijs. De religie? Bekijk het even! Alle getuigenissen stemmen hierin overeen: ze dronken, rookten cannabis en zaten achter de vrouwen aan… Maar zij waren wél doordrenkt met het Arabische verhaal, via internet, de Arabische satellietzenders, de in Londen uitgegeven Arabische kranten, en door de koortsachtige discussies die door deze bronnen werden gevoed.

Verbaast u zich erover dat het onmogelijk is geworden over de vernietiging van de Europese joden te vertellen aan kinderen die van hun ouders een heel ander verhaal te horen hebben gekregen? Ik wandelde onlangs door Amsterdam met een van oorsprong Tunesische student. We kwamen langs een affiche voor het theaterstuk Anne, dat is gebaseerd op het dagboek van Anne Frank. ‘Het Israëlische leger heeft gisteren twee jonge Palestijnen doodgeschoten die net zo oud waren als Anne Frank’, zegt hij. ‘Mijn zoon mag naar Anne gaan kijken als er ook een theaterstuk komt waarin de moord op deze twee adolescenten wordt veroordeeld.’ Wanneer twee verhalen op elkaar botsen…

Onder deze omstandigheden klinken alle oproepen buitengewoon vals om op school en op de universiteit méér te doen om de radicalisering van jongeren van buitenlandse afkomst, met name die uit de Maghreb, tegen te gaan. Als het erom gaat hun opnieuw het Europese verhaal te vertellen, en om dit eindeloos te herhalen, zal dat geen enkel effect sorteren. Daartegenover staat een verhaal dat net zo samenhangend en gestructureerd is, en wordt geïllustreerd door een onophoudelijke stroom beelden, het ene nog spectaculairder dan het andere.

Op deze manier zal het niet lukken om de verloren generatie in ieder Europees land in het nationale weefsel te reïntegreren. Door de afgelopen twintig jaar voortdurend te praten met jongeren die afkomstig zijn uit de Maghreb, of ze nu Nederlands, Belgisch of Frans zijn, ben ik tot de overtuiging gekomen dat zich in Europa een ‘verloren generatie’ aan het vormen was, die zich in het geheel niet interesseert voor het Europese verhaal. Dit zijn de tientallen jongeren of jong-volwassenen die naar geen enkel Europees televisiekanaal meer kijken, niet meer naar de radio luisteren en geen kranten meer lezen. Hun overtuiging staat vast: dat is het verhaal van Al Jazira, waarin verslag wordt gedaan van de vernedering van hun ouders en waarin hun de weg wordt gewezen die ze moeten volgen. Degenen onder hen die geen enkele hoop koesteren, die al defaitistisch gedrag vertonen, wier intelligentie beperkt is tot wat ze zien en wat ze horen, zullen – als ze worden onderworpen aan intensieve religieuze propaganda – op een dag tot actie overgaan. Het is genoeg om ze te bewapenen, en ze zullen binnenvallen in dezelfde cafés waar ze gisteren nog een biertje dronken, om in het wilde weg om zich heen te schieten.

Het is tijd om de waarheid onder ogen te zien. We moeten de geschiedenis van de twintigste eeuw herschrijven en de moed (of de dwaze ambitie) hebben om daarin álle verhalen op te nemen, ook die van de verliezers, van hen die men gekoloniseerd heeft, van de ‘verpletterden’, de vernederden, en van hen aan wie men beloften heeft gedaan die snel zijn vergeten. We moeten al deze verhalen integreren in een humanistisch meta-verhaal, dat het verhaal moet zijn van iedereen, en waarin een ieder (zelfs de overwinnaar, vooral de overwinnaar) zijn fouten zal moeten erkennen, waarin niemand zal worden vergeten en waarin een ieder zich kan herkennen. Dat is zeker een enorme opgave. Maar wat is het alternatief?


Fouad Laroui (Marokko, 1958) studeerde in Parijs en vestigde zich in de jaren negentig in Nederland. Hij is romanschrijver, publicist en doceert Franse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. In 2002 ontving hij de E. du Perronprijs voor zijn gehele oeuvre. In 2014 publiceerde hij Over het islamisme: Een gevaarlijke weerlegging.

Vertaling: Menno Grootveld

Beeld: Osama Hajjaj / Cagle