Kunst

Een ander landschap

Het immateriële in kunstwerken dwingt tot nadenken over wat je ziet als je ergens naar kijkt

In zijn nieuwste roman Oracle Night schetst Paul Auster een situatie waarin hij zich op twee manieren in een ruimte bevindt. De schrijver bezoekt een vriend van wie hij het appartement heeft gebruikt als setting in een verhaal. «I had a strange, not altogether unpleasant feeling that I was entering an imaginary space, walking into a room that wasn’t there.» Hij legt uit dat hij de plek kent vanuit herinneringen aan de vele bezoeken aan het appartement, maar inmiddels ook uit de fictieve gebeurtenissen uit zijn verhaal. Het resultaat van deze elkaar overlappende realiteiten is dat de schrijver zich in zowel een fysieke als fictieve ruimte bevindt.

Wie naar het Stedelijk Museum gaat om de tentoonstelling 20/20 Vision te bezoeken, kan meemaken dat er iemand naast hem komt staan die zegt: «I am thinking of something. In fact I am thinking of something else. You only can think of something when you think of something else. For instance: I see a landscape that is new to me. But it’s new to me because I mentally compare it to another landscape. An older one. One that I knew.» Het is een van de twee werken die Germaine Kruip maakte voor de tentoonstelling 20/20 Vision. De confrontatie met deze mijmeringen, een vrije vertaling uit een dialoog uit de film Elogue d’amour van Godard, is vervreemdend. Degene naast je spreekt je persoonlijk aan, maar dwingt je op een afstand omdat je weet dat je het voorgestelde landschap nooit zal kunnen delen. I see a landscape drijft een wig tussen de fysieke en fictieve ruimte waarin je je bevindt, en breekt je bewustzijn open.

Het werk was volgens Kruip moeilijk zichtbaar te maken. De gangbare manieren van een museum om een werk aan te kondigen, kon ze niet gebruiken. Ze wilde geen bord met uitleg ophangen. Een deel van dit werk bestaat er juist uit dat het je overkomt. Dat je onvoorbereid geconfronteerd wordt met de gedachtewereld van een ander en dat je je bewust wordt van de manier waarop je zelf waarneemt. «Je maakt de realiteit terwijl je ernaar kijkt. Daar wil ik mijn toeschouwer bewust van maken», zegt Kruip.

In Daytime maakte Kruip een raam in het van buitenlicht verstoken nieuwe gebouw van het Stedelijk. Het refereert aan haar eerste werk in het oude gebouw van het Stedelijk, Two Seconds. Daarin maakte ze een trap naar een raam dat uitzicht bood op de wereld buiten het museum. «Het ontstond uit het verlangen iets echts te laten zien in een museum. Zodra je een museum in stapt, zet je een bril op om te gaan interpreteren. Het raam deed een poging dat te doorbreken.»

Wanneer je je realiseert dat Daytime de enige plek is waar licht van buiten de museumzalen binnendringt, krijgt het extra betekenis. Want behalve dat het de toeschouwer naar het raam lokt om naar buiten te kijken, is het een subtiel verwijt aan het gesloten karakter van het museum. Zeven staande spiegels wentelen in het raam op de derde verdieping. De spiegels hebben een matzwarte en een reflecterende zijde en veroorzaken een aanzwellend en krimpend schaduw- en lichtspel dat het ritme heeft van een kalme ademhaling. Als je het raam nadert wordt het onrustiger. En wanneer je de stad via de wegdraaiende spiegeldelen probeert te volgen, is de kans groot dat het je gaat duizelen. Als een spiegel een geheugen heeft, dan wordt je beeltenis de stad in geworpen, over het IJ, de verte in, en kruipt de stad op haar beurt via dit kleine oog in het gezicht van het museum het gebouw in en nestelt zich in je geheugen.

Hoe licht kan een werk zijn? Om dit werk te doen ontstaan, is er eigenlijk vooral veel weggehaald. Andere kunstenaars die zoeken naar manieren om een mentale ruimte te creëren, laten net als Kruip hun werk vooral bestaan uit het weghalen en wegsnijden van materiaal. Dat ligt soms moeilijk bij gemeenten en instellingen. Vaak kan het niet bewaard worden omdat het, anders dan de gangbare kunst, bestaat bij de gratie van afwezigheid van materiaal. Misschien moet er nog breed begrip voor dit soort werk groeien. Misschien is de kracht van het werk juist dat het fysieke aspect even belangrijk is als het mentale. Ongrijpbaar in karakter en in vorm, en overdonderend in zijn effect op de toeschouwer.

Toch komt een gedachteruimte pas goed tot zijn recht aan de hand van een fysiek te betreden en te beleven ruimte. Een kunstenaar die mentale ruimte maakte door ingrepen te doen in de fysieke ruimte was de Amerikaan Gordon Matta-Clark (1943-1978). Hij creëerde nieuwe ruimten door te zagen in gebouwen die gesloopt zouden worden. Hij sneed ruimten open, sneed delen uit vloeren en plafonds en gaf een doorkijk door meerdere verdiepingen van een gebouw. In het werk Splitting: Four Corners uit 1974 doorkliefde hij zelfs een heel gebouw. De als architect opgeleide kunstenaar was niet alleen geïnteresseerd in de beeldtaal die hij ontwikkelde en de denkramen die de door hem gemaakte openingen vormden. Matta-Clark was gegrepen door het idee van gemeenschapszin en hoe een gemeenschap nog voor te stellen is wanneer de grond waarop die tot stand kwam, werd vernietigd. Door te deconstrueren, construeerde hij behalve de nieuw ontstane ruimten, die vaak met gevaar voor eigen leven te bezoeken waren, een kader waarin bestudeerd kon worden hoe een huis is opgebouwd. En hoe erin was geleefd. Niet alleen lagen isolatie, maar ook lagen behang en vloerbedekking kwamen te voorschijn. De prachtige, toegetakelde, leegstaande gebouwen waren als een röntgenfoto van iemand die ten dode is opgeschreven. Want kort na, en soms zelfs tijdens de voltooiing van een werk werd het gebouw op last van de gemeente gesloopt. Het verscherpte de kritiek van de kunstenaar op de sloopdrift die in de jaren zestig op gang was gekomen in New York en omgeving. Want de betreffende gemeente had nu niet alleen de vernietiging van architectuur en geschiedenis, maar ook van een kunstwerk op het geweten.

Ook in Nederland is er niet altijd begrip voor kunst die een plek voor gedachten maakt. Zo stak de gemeente Sittard in 1996 een stokje voor een al goedgekeurd plan van kunstenaar Hans van Houwelingen. Hij was uitgenodigd een «solidariteitsmonument» te maken en ontwikkelde het plan voor Gastland, waarin hij een braakliggend terrein als podium en als werk zelf wilde presenteren. Zijn idee was daarbij dat het begrip «solidariteit» alleen betekenis heeft als zich een situatie voordoet waaruit solidariteit blijkt. Gastland zou dit abstracte begrip een plek geven. Het zou een stuk land worden waar maar één afspraak over is gemaakt, namelijk dat het zo wordt gebruikt dat er betekenis wordt gegeven aan het begrip «solidariteit». Van Houwelingen: «Het plan was goedgekeurd en zou worden uitgevoerd. De gemeente was al bezig het stuk land te kopen. Door omstandigheden mislukte het op het laatste moment toch nog. In de pers werd er schande van gesproken dat Sittard ‹voor een kwart miljoen grassprieten zou kopen als kunstwerk›. Helaas waren er in die periode gemeenteraadsverkiezingen. Het werk sneuvelde omdat het inzet werd van de verkiezingsstrijd.»

Ook Germaine Kruip zag een gepland werk niet doorgaan. Ze deed in 2003 in het kader van de tentoonstelling Locatie U, georganiseerd door Bak in Utrecht, het voorstel om in Hoog Catharijne drie minuten per dag alle geluid en licht afkomstig van reclames weg te laten vallen, en met het licht van het gebouw te werken om de omgeving zichtbaar te maken. Ze kreeg geen toestemming voor haar plan. In aanvulling daarop maakte Kruip A Play to Stop to Add a Moment. Het is een publicatie met foto’s van plaatsen van over de hele wereld waar door economische recessie lege plekken zijn ontstaan in de stad. Reusachtige billboards in Argentinië, Hongarije en Turkije waarop niets te zien is. Niets? Lege plekken, die als gestolde vertrekpunten ook plekken zijn voor nieuwe mogelijkheden. Indrukwekkende vlakken vol potentie.

Het werk van Germaine Kruip in 20/20 Vision is nog even te zien. Het solidariteitsmonument van Van Houwelingen is nooit tastbaar geworden, evenmin als Kruips plan voor het tijdelijk uitdoven of belichten van Hoog Catharijne. En de figuren die Gordon Matta-Clark zaagde in gebouwen zijn alleen nog te bekijken op film en foto. Het niet-bestaande van dit werk maakt het misschien wel zo krachtig. Het immateriële ervan dwingt je na te denken over wat je eigenlijk ziet wanneer je ergens naar kijkt. Wie het Stedelijk heeft bezocht zal op de meest vreemde plekken een landschap zien opdoemen. Achter de man die bij de garderobe je tas teruggeeft, in het fietsenrek, en tegen de gevel van het station. Het is een ander landschap.