Een andere euro

EEN VLUCHT NAAR VOREN of terugtrekken - dat zijn de voorgespiegelde opties nu de euro kampt met de zwaarste crisis in haar jonge bestaan. Het forse Griekse begrotingstekort, inclusief leugens en bedrog, legt de achilleshiel van het project bloot. De onderlinge verschillen tussen de eurolanden zijn erg groot voor een gemeenschappelijke munt. Is er meer gezamenlijk sociaal-economisch beleid nodig om die kloof te dichten? Of is dit het einde van de euro zoals we die kennen?

Met de Griekse tragedie is de door velen als achter de rug beschouwde wereldcrisis in een nieuwe fase aangekomen. Na de banken_-bailout_ staan de Europese landen nu voor de vraag of zij in het geval van een dreigend Grieks, Portugees of Spaans faillissement zich ook aan een staats-bailout willen wagen.
Volgens de officiële euroregels is dat niet aan de orde. Landen moeten zelf hun boontjes doppen. Op die manier, zo was de gedachte in de liberale jaren tachtig en negentig, dwingen de financiële markten overheden vanzelf tot spaarzaamheid. Wie zijn zaakjes niet op orde heeft, wordt daarvoor gestraft met duurdere leningen. Het marktmechanisme blijkt nu te kort te schieten. Net als de grote banken is een staat als Griekenland too big to fail. Valt ze om, dan zijn de problemen voor de andere eurolanden niet te overzien.
Waarmee de vraag aan de orde is: waarheen met de euro? Voorstanders van nauwere Europese samenwerking zien hun kans schoon. Om in de toekomst Griekse toestanden te voorkomen, is verdere economische en politieke integratie nodig. Dat kan bijvoorbeeld in de vorm van de door de Franse president Sarkozy gewenste Europese economische regering. Inmiddels lijkt ook Duitsland haar bezwaren tegen zulke plannen te hebben laten varen.
Daartegenover staan de in Nederland talrijke eurosceptici. SP-prominent Jan Marijnissen ziet op zijn weblog zijn vrees bewaarheid voor een federaal Europa ‘waarbinnen de lidstaten een soort provincie zijn’. Dat is precies waartegen Nederland zich per referendum heeft uitgesproken, aldus Marijnissen.
Ook sommige deskundigen zien zich bevestigd in hun gelijk. Zij behoorden tot de groep van zeventig economen die in 1997 in de Volkskrant waarschuwden tegen de euro. De rigide eisen in het europact rond begrotingstekort en schuld werken niet in tijden van recessie, zo luidde de strekking van hun betoog. Ze maken het landen bovendien onmogelijk een ander - sociaal, ecologisch of keynesiaans - economisch beleid te voeren. En dat terwijl een gemeenschappelijke munt volgens de economen ook voordelen had. Zonder neoliberale criteria zou de euro een belangrijk bestanddeel kunnen zijn van een moderne Europese welvaartsstaat, die opgewassen is tegen de globalisering.
Dat opiniestuk staat nog steeds als een huis. Het toont dat de euro altijd al politiek was. Of de sceptici het nu leuk vinden of niet, ook zonder verdere integratie oefent het stabiliteitspact grote invloed uit op het sociaal-economische beleid van de lidstaten. Griekenland heeft zich daar een tijdlang aan weten te onttrekken, maar wordt nu in feite onder curatele gesteld van Duitsland, de dominante macht in de eurozone. Met nationale zeggenschap heeft dat weinig te maken. Dan is het beter de politieke achtergronden van de euro expliciet te benoemen en alsnog onderwerp te maken van een democratisch debat. Het antwoord op de Griekse crisis ligt dan ook niet bij meer of minder Europa. Naast een weg naar voren en terug is er ook een alternatieve route mogelijk. Die leidt naar een andere euro.