Colson Whitehead, De Colossus van New York

Een andere wereld achter deze

Colson Whitehead

De Colossus van New York

Vertaald door Paul van den Hout

Contact, 118 blz., € 12,90

John Henry Days

Random House - Anchor Books,

389 blz., € 15,95 (Vertaling verschijnt in februari bij Contact)

In De intuïtionist is het de zwarte New Yorkse liftinspecteur Lila Mae Watson die slachtoffer dreigt te worden van sabotage in verkiezingstijd: een recentelijk door haar geïnspecteerde lift maakt «een vrije val» van achttien hoog. Een tragisch ongeluk of een samenzwering van elkaar beconcurrerende liftfabrieken?

In de «toevallig» teruggevonden dagboeken van de intuïtieve liftdenker James Fulton staan spannende passages over de zogenaamde «zwarte doos», een volmaakte lift die het New York aan het eind van de twintigste eeuw een heel ander aanzien zal geven. Maar De intuïtionist gaat niet zozeer over technologie die de mens steeds meer beheerst en in zijn greep houdt; Whiteheads roman laat zien dat iedereen een zwarte doos in zich meedraagt, een geheim dat zelfs bij de drager onbekend of verdrongen kan zijn. Het hoofd als donkere kamer, de technologie als het zwaard van Damocles, de stad als machine die de mens vermaalt of verslaafd en anoniem maakt. New York: «Dit is de beroemdste stad van de wereld. De Grote Wolkenkrabber. Ik hoef u niet te vertellen dat de hele wereld, iedere aannemer en derderangs onroerendgoedmagnaat, hier het eerst naartoe komt. Naar deze stad.» Net als de lift in De intuïtionist wil de hele wereld «de hoogte in» maar dreigt de vrije val.

Whiteheads De Colossus van New York: Een stad in dertien delen (2002) is een dubbelzinnige hommage aan zijn geboortestad: «Praten over New York is als praten over de wereld.» Tussen de aankomst van de greyhound en het vertrek vanaf JFK beschrijft de scherpe waarnemer Whitehead Coney Island, Times Square, Broad way, Port Authority, de subway, Central Park en Brooklyn Bridge. Vanaf die wandelbrug kijkt hij uit over de grootste schuilplaats ter wereld voor de weglopers en de verlatenen «die nog maar pas tussen de regels door zijn gaan lezen». Hij beschrijft hoe hij daar een paar jaar eerder stond en zijn vuist naar de onverschillige skyline had gebald en geroepen dat die hem niet klein zou krijgen. De ware vijand van de mens is niet hoon, constateert de ex-journalist en Village Voice-medewerker Whitehead, maar onverschilligheid. Om die desinteresse te bestrijden zijn er monumenten nodig, of die nu groot of klein zijn, uit graniet gehouwen of uit klei geboetseerd. Maar de Colossus van Manhattan is Ground Zero geworden, een spookbeeld. Net als de klassieke Colossus: het metalen, menselijke reuzenbeeld dat de haveningang van Rhodos sierde. Maar ook spoken bestaan in de zwarte doos die ons hoofd is. Wanneer Whitehead over de dampende ventilatieroosters in het wegdek of op de voetpaden van Manhattan schrijft, vraagt hij zich af waarom men niet over de stalen tralieluiken loopt. Om de onderwereld, dat wil zeggen de wereld achter onze wereld, te ontlopen? «Er gaan geruchten over mensen die in het onzichtbare zijn gevallen, in de wereld van kobolden, boze geesten, ontheemden.»

Het spook dat door de wereld waart van Colson Whiteheads tweede roman John Henry Days (2001) is een veelkoppig monster. Het is de onderwereld van geschiedenis en nationale identiteit, legende, heldendom, metamorfose, machine, media, reclame, public relations, popcultuur. De fantomen uit de fles van het verleden belagen de actuele tegenwoordigheid van geest, het nationale bewustzijn aan het eind van de twintigste eeuw in een provinciestadje in West Virginia dat toch al geteisterd wordt door de nieuwe machine die internet heet. «Het land stikt van de spoken van dode mannen die zich hebben opgeofferd om deze streek leven in te blazen. Ze trillen in elke boom, waaien mee met de wind en dwalen rond in de aarde.»

John Henry Days speelt zich af tijdens een weekend in juli 1996 wanneer een aantal freelance journalisten naar Talcott in het Zuiden vertrekt om een historische festiviteit te verslaan, georganiseerd door een geolied New Yorks pr-kantoor. «Een gebeurtenis als de John Henry-dagen is een plakje Americana.» Ter ere van de Amerikaanse «volksheld» John Henry — een ex-slaaf die het als tunnelgraver voor de spoorwegen in 1872 opneemt tegen een automatische stalen drilboor en aan het kortste eind trekt — geven de Amerikaanse posterijen een John Henry-postzegel uit.

De roman begint met een aantal zogenoemde ooggetuigenverslagen of «van horen zeggen»-verhalen van mensen die John Henry menen indirect te hebben gekend. Maar wie de historische John Henry werkelijk wil doorgronden, raakt al snel verdwaald in duizenden versies van een legende die zich vermomt als fantasie, leugen, sterk verhaal, bluessong of populair liedje. Niets is zeker over John Henry, en zelfs die opmerking is niet vrij van verbeelding. Wie de pure geschiedenis kan scheiden van de vervormde herinnering of de mythe, is een kei. Zelfs de antropologen die een halve eeuw na Henry’s dood in Talcott systematisch navraag doen, merken dat ze te laat zijn gekomen. De mythe overwoekert de historie.

Whiteheads John Henry Days probeert de «ware» John Henry — dat wil zeggen de historische tunnelwerker die een brug sloeg tussen de slaventijd vol hand- en veldwerk en het industriële, machinale tijdperk — dicht te benaderen via een voortdurend wisselend vertelperspectief en grote sprongen in de tijd. Dit noodzakelijke narratieve bochtenwerk levert een indrukwekkende lappendeken van vertellingen op die de hele twintigste eeuw beslaat.

Als er al hoofdfiguren vallen te onderscheiden, zijn dat er minstens vier: J. Sutter, fanatieke freelancer, gewiekste declareerder en vleesgeworden tekstverwerker die over alles en iedereen schrijft om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Zijn «hoernalistieke» werk krijgt in het Talcott-weekend opeens minder gewicht als hij Pamela Street ontmoet, de dochter van de man die in New York een privé-museum voor John Henry heeft ingericht waar geen hond komt (zijn pr-instinct is afwezig). Pamela reist naar Talcott om museumstukken aan de gemeente te verkopen én om de as van haar vader te begraven op de plek waar vele tunnelwerkers zijn omgekomen. Dan zijn er nog de treinpostzegelverzamelaar Alphonse Miggs — een man die zijn eigen gewelddadige innerlijk niet kent — en de ex-popjournalist Dave Brown, die zijn collega-freelancers in het plaatselijke motel een schitterend ooggetuigenverhaal («de dood van de sixties») vertelt over het beruchte optreden van de Rolling Stones eind 1969 even buiten San Francisco (de Hell’s Angels-«ordedienst» zaaide dood en verderf).

Op allerlei manieren verzamelt de schrijver materiaal dat licht werpt op wie de historische John Henry was. Hij probeert geloofwaardige verhalen te reconstrueren en gaat alle namen na. Maar hij weet dat hij te laat is, net als de antropologen een halve eeuw eerder: «Dit is de methode om folklore te verzamelen: verzamelen, ziften, de voetafdrukken van spoken traceren met een ineffectief vergrootglas.»

Het resultaat is een berg aan gegevens die elkaar hopeloos tegenspreken. Whitehead beseft terdege dat de «leugenachtige» legende tegelijkertijd een waarheid weerspiegelt: hóe mensen helden scheppen en schurken creëren. En zo wordt John Henry Days een mozaïek van mogelijke verhaalversies, zoals treinroutes ook mogelijkheden verbeelden.

De strijd tegen de machine die John Henry streed is in Whiteheads gedurfde roman tegelijkertijd het hedendaagse gevecht om authenticiteit en ademruimte in het tijdperk waarin iedereen de digitale snelweg wordt opgedreven. «Het is wel een charmant idee, een machine die de van machines vergeven maatschappij draaiende houdt.» Dat zegt J. Sutter. Totdat deze tekstverwerkingsmachine uit die maalstroom stapt om zijn eigen verhaal te gaan vertellen: zijn John Henry Days.