Een antwoord aan mijn critici

Mirjam Levie was 26 jaar toen ze in januari 1943 begon aan haar dagboek in de vorm van - vooralsnog onverstuurbare - brieven aan verloofde Leo Bolle, die in Palestina op haar wachtte. Ze was secretaresse bij de Joodse Raad in Amsterdam en beschreef hoe iedereen zich aan die reddingssloep probeerde vast te klampen uit angst voor deportatie. Wie dat niet lukte, schreef ze, was ‘ter dood veroordeeld’. Toen ze in mei moest meewerken aan het opstellen van de beruchte lijst van medewerkers die hun vrijstelling zouden verliezen, rebelleerde ze tegen dit ‘krankzinnige beulswerk’. Ze vertelt zelfs een macabere grap waarin Asscher en Cohen, de voorzitters van de Joodse Raad, van de Duitsers te horen krijgen dat de Joden zullen worden vergast. ‘Wordt het gas door u geleverd of moeten wij dit doen’, is hun antwoord.

Mirjam Levie, zo mag duidelijk zijn, zag het lot van de gedeporteerde Joden somber in. Tegelijkertijd had ze geen idee van de werkelijkheid van Auschwitz of Sobibor. Ze verwachtte, zo schreef ze, werk in fabrieken, maar wel die fabrieken waar veel werd gebombardeerd. Toen ze in februari 1943 vreesde op transport te moeten, dacht ze dat wel te zullen overleven, omdat de winter nu bijna achter de rug was en de oorlog niet lang meer kon duren. Ze sprak keer op keer de vrees uit dat de repatriëring van de Joden die in Polen opeengehoopt werden na de oorlog een enorm politiek probleem zou worden. En daar wilde ze geen deel van uitmaken. Want, schreef ze in september 1943, ‘of je nu geïnterneerd bent in Midden-Duitsland [een verwijzing naar Bergen-Belsen, waar ze inderdaad heen zou gaan][…] of dat je in het Auschwitzreservaat zult worden gestopt, het zal maanden duren, na de oorlog, voordat je er dan uitkomt.’ Op 29 januari 1944, toen ze inmiddels in Bergen-Belsen zat, schreef ze dat de dag tevoren op een van de bedden geschreven stond: ‘Die letzten Juden gingen nach Auschwitz zur Vergasung (Tod).’ Haar commentaar: ‘Een luguber geval, wat er precies mee bedoeld wordt, weet niemand.’

Deze onwetendheid had in haar geval een duidelijk effect. Mirjam kon onderduiken, twijfelde langdurig of ze dat moest doen en besloot uiteindelijk van niet. Onderduiken was namelijk ‘een buitengewoon riskante geschiedenis’: als je werd gedeporteerd, zo schreef ze, ‘weet je wel waar je begint, maar niet waar je eindigt. Als je gepakt wordt, is het meteen afgelopen en ga je misschien dood in een strafkamp.’ Zij ging er dus van uit dat straf erger was dan deportatie, en dacht dat gehoorzaamheid erger zou voorkomen.

Een zeldzaam lichtpunt in deze duistere tijd was het medeleven dat zij van niet-Joden ontving: die noemde zij ‘geweldig’ en ‘buitengewoon’. De Jodenvervolging wekte in haar perceptie een ‘storm van verontwaardiging’; ‘Het is werkelijk heel bijzonder hoe door de christenbevolking met ons wordt meegeleefd.’

Mirjam Levie’s dagboek (gepubliceerd onder de naam Mirjam Bolle) is een van de 164 dagboeken waarop mijn studie ‘Wij weten niets van hun lot’. Gewone Nederlanders en de Holocaust is gebaseerd. Dat boek draait om drie vragen:

  1. Wat was de mening van de omstanders over de Jodenvervolging? Keurden zij die vervolging goed, waren zij ertegen of kon het onderwerp hen niet boeien? Antwoord: zij keurden deze af, en dat is strijdig met de nu dominante collectieve herinnering die eerder spreekt van desinteresse en soms zelfs van instemming.

  2. Wat stelde men zich voor bij het lot van de gedeporteerden en hoe zeker was men van die voorstelling? Antwoord: men had geen kennis, maar slechts veronderstellingen. Die waren zeer somber, namelijk dat de Duitsers de Joden wegvoerden om hen uit te roeien. Bij die uitroeiing dacht men aan gedwongen emigratie naar een bar oord waar velen op den duur zouden sterven aan uitputtende arbeid, ziekte en verwaarlozing. De werkelijkheid van Auschwitz en Sobibor onttrok zich aan het voorstellingsvermogen van veruit de meeste Nederlanders. Men dacht dat de Joden in het oosten op den duur zouden sterven, niet dat zij in grote meerderheid bij aankomst zouden worden vermoord. Men snapte wel de genocidale intentie, maar niet de genocidale praktijk.

  3. Doet dat er toe? Antwoord: ja, want daardoor schatte men het concrete gevaar dat deportatie opleverde fundamenteel te laag in. Die vernietiging die de Duitsers in petto hadden was uiteraard angstaanjagend, maar zou tijd kosten, dacht men. En die tijd hadden de Duitsers niet want, zo dacht men verder, ze zouden binnen enkele maanden worden verslagen. En daardoor was het voorstelbaar dat de langzame dood die dreigde bij deportatie minder riskant was dan de snelle dood die zou volgen wanneer men onderdook en gepakt werd. Joden en niet-Joden hadden reden om te geloven dat gehoorzamen aan de oproep tot deportatie het kleinste kwaad was. En dat helpt hun gehoorzaamheid verklaren.

‘Wij weten niets van hun lot’ is de afgelopen weken in De Groenezeer kritisch besproken door collega-historici: Evelien Gans en Remco Ensel en daarna Guus Meershoek schreven lange en complexe stukken, Ariane Baggerman en Rudolf Dekker een korte maar niet minder strenge ingezonden brief. Ik zeg graag iets terug.

Baggerman en Dekker, beiden specialisten op het gebied van egodocumenten, verwijten mij een klassieke redeneerfout. Uit het feit dat geen enkele van de 164 door mij onderzochte dagboeken uit de Bezettingstijd helder het idee verwoordt dat gedeporteerde Joden bij aankomst werden gedood, zeggen zij, leid ik af dat men daar destijds niet van wist. Dat is ‘naïef’, ik heb geen begrip van de ‘stiltes’ in dagboeken en lijdt zelfs aan ‘tunnelvisie’. Ik verwar absence of evidence met evidence of absence.

Dat is evident onwaar. Ik zeg met zoveel woorden dat we van die dagboekschrijvers die geen concreet beeld van de deportatiebestemming geven niet kunnen weten wat zij zich daarbij voorstelden (p.370, 373-374). De meeste dagboekschrijvers zeggen echter wél iets concreets over het lot van de Joden. De grote meerderheid van hen rept van tewerkstelling of in ieder geval opsluiting in kampen - zoals Mirjam Levie. Dáárop baseer ik mijn conclusie dat zij niet wisten dat de Joden bij aankomst werden gedood, en niet op de ‘stiltes’, zoals Baggerman en Dekker beweren.

Het hoofdbezwaar van Gans en Ensel is dat mijn boek onderdeel zou uitmaken van een verwerpelijke trend van ‘nivelleren, van bestaande verschillen verkleinen in positie, gevoelens en motieven tussen daders, omstanders en slachtoffers’. Zoals ik al in de Groene heb betoogd is dat een wetenschappelijk onbruikbaar verwijt. Wat zijn ‘bestaande verschillen’? Liggen die vast? Kan daarover niet gediscussieerd worden? Zou het niet kunnen dat er tot nu toe onopgemerkte, maar relevante overeenkomsten tussen slachtoffers en omstanders zijn? Wat schieten we ermee op om die bij voorbaat taboe te verklaren?

Los daarvan is de nogal insinuerende suggestie dat ik slachtoffers en omstanders over één kam scheer onzin. Gans en Ensel geven twee voorbeelden. Ten eerste dat ik de gedachten en motieven van Joden en niet-Joden door elkaar zou behandelen. Dat is niet het geval: bij algemene uitspraken over de stemming maak ik consequent onderscheid tussen Joden en niet-Joden(bijv. p.179, 213), bij de analyse van kennis krijgen Joden en niet-Joden zelfs aparte hoofdstukken (H 9 en 10). Het tweede ‘bewijs’ van nivellering is dat ik de geheel verschillende situatie van Joden en niet-Joden zou negeren door hun gehoorzaamheid gelijkelijk te verklaren vanuit hun onwetendheid. Maar dat doe ik helemaal niet: ik zeg alleen dat onwetendheid in beide gevallen een rol speelt. In de handen van Gans en Ensel is ‘nivellering’ een gratuite - maar naar ik vrees wel effectieve - verdachtmaking: deze auteur is er op uit om het leed van de Joden bagatelliseren. Concreet bewijs is dan niet meer nodig.

Meershoeks bezwaar is, als ik hem goed begrijp, tweeledig. Ten eerste zegt hij dat ik het complex van motieven en krachten waarin de omstanders en slachtoffers leefden ‘reduceer’ en ‘abstraheer’ tot een kwestie van onwetendheid alleen. Hij leest in mijn boek blijkbaar de pretentie van een alomvattende verklaring voor het gedrag van gewone Nederlanders. Dat is vreemd, omdat ik nadrukkelijk zeg dat onwetendheid geen afdoende verklaring is voor hun gedrag (p.412-413, 415). Ik pretendeer wel dat ik een voor die verklaring onmisbaar element heb gevonden. Terwijl ik een paar - ik denk: cruciale - bouwstenen aanlever, zegt Meershoek verontwaardigd dat dit geen compleet huis is. Nee, en dat beweer ik ook niet. Hier bestrijdt Meershoek een zelfgefabriceerde karikatuur.

Zijn tweede (en gerelateerde) punt van kritiek is dat mijn boek niet gaat over medeplichtigheid. Hij vindt dat een boek over ‘gewone Nederlanders en de Holocaust’ niet moet gaan over hun medeleven en hun onwetendheid, maar over hun medeplichtigheid ondanks hun kennis. Waarom, zo vraagt hij, horen we niets over de chefs die Joden ontsloegen, de tramchauffeurs de Joden vervoerden, de politiemannen die Joden ophaalden, de PTT'ers die hun telefoon afsloten enzovoort enzovoort?

Het antwoord is dat er nauwelijks dagboeken van medeplichtigen zijn en dat we hun motieven dus niet kunnen achterhalen - althans niet langs deze weg. Dus gaat mijn boek in de praktijk over mensen die niet bij de vervolging betrokken waren en over de slachtoffers. Dat lijkt me interessant genoeg, al zou ik ook meer willen weten over de motieven van de medeplichtigen. Maar dat is een ander boek, met een andere vraagstelling en andere (ik vrees: zeer problematische) bronnen.

In zijn teleurstelling over het boek dat ik niet heb geschreven, raakt Meershoek het zicht op het boek dat ik wel heb geschreven nogal kwijt. Zo is het mij een raadsel hoe hij kan zeggen dat mijn boek eigenlijk niets verklaart, op geen enkel bestaand inzicht voortbouwt, zich voor geen enkele vervolgdiscussie leent en eigenlijk in een ‘geschiedkundig luchtledige’ hangt. Hier kan ik geen begin van een redelijke argumentatie in ontdekken.

Gelukkig brengen Gans, Ensel en Meershoek ook zinnige argumenten te berde. Zo hebben ze gelijk dat de term ‘gewone Nederlanders’ onduidelijk is. Dat komt omdat mijn twee vragen - wat vond men (stemming) en wat wist men (kennis) - eigenlijk op twee verschillende groepen slaan. Bij stemming gaat het uiteraard om de niet-Joodse Nederlanders, en dienen Joodse dagboekschrijvers vooral als observatoren van die stemming: zie Mirjam Levie. Inzake kennis zijn zowel Joden als niet-Joden interessant, omdat zij, grofweg, toegang hadden tot dezelfde informatie, die zij vervolgens vanuit een heel verschillende positie bezagen. Daar had ik beter een paar zinnen aan kunnen wijden - al vind ik Meershoeks opmerking dat bij gebrek daaraan mijn betoog ‘ongrijpbaar’ wordt, schromelijk overdreven.

Verder benadrukken beide stukken dat mensen ingewikkeld zijn, dat ze van mening kunnen veranderen en kennis kunnen verdringen en dat hun dagboeken geen directe weerslag vormen van hun gedachten. Dat is allemaal waar en dat bespreek ik ook vrij uitgebreid, iets wat met name Gans en Ensel consequent verzwijgen. Maar het is ook een beetje gratis kritiek als je haar niet concreet maakt. Als ik de bronnen niet goed lees, hoe moeten we ze dan lezen? Als deze bronnen niet voldoen, welke gebruiken we dan? Als mijn conclusies niet deugen, welke trekken we dan?

Het teleurstellende aan beide stukken is dat ze zo weinig om het lijf hebben zodra ze afdalen van de enigszins ijle theoretische bespiegelingen naar de concrete (en controleerbare) bewijsvoering. Gans en Ensel zeggen bijvoorbeeld dat het in ‘talloze’ dagboeken ‘wemelt’ van de tegenstrijdigheden, en dat ik die negeer. Ze geven helaas maar één voorbeeld: Etty Hillesum zou in Westerbork gehoord hebben dat Joden werden ‘ingemetseld’ en vermoord met gifgas. Dat zou strijdig zijn met haar in andere passages nogal evidente verwachting van een verblijf in, waarschijnlijk brute, werkkampen. Maar die tegenstrijdigheid is schijn: het gerucht dat Gans en Ensel citeren (en dat ik, in tegenstelling tot hun bewering, wel degelijk noem [p.322]) hoort Etty niet in Westerbork, maar in Amsterdam, nog voor het begin van de deportaties. Het is naar alle waarschijnlijkheid een variant op een al sinds 1941 rondzingend verhaal over Mauthausen, waar, denkt men, Joden worden onderworpen aan experimenten met strijdgassen of moeten werken in gifgasfabrieken. Dit gerucht gaat dus niet over de deportatie, maar over de straf die wacht als je je daaraan probeert te onttrekken. In de talloze pagina’s die Etty wijdt aan de deportaties schrijft ze nooit over moord bij aankomst, laat staan over vergassing.

Zowel Meershoek als Gans en Ensel beweren daarnaast dat men zich wel degelijk realiseerde wat er in Polen gebeurde en onderbouwen dat met een dagboekfragment. Gans en Ensel citeren de dichteres Vasalis, die spreekt van een ‘zekere dood’ en ‘deze reeks moorden’. In mijn boek staan tientallen van dergelijke passages, die gemeen hebben dat ze somber zijn, maar niet concreet. ‘De wijze waarop “de moord” plaatsvond bleef in dit citaat in nevelen gehuld’, geven Gans en Ensel toe. Dan ondersteunt het hun bewering dus niet. Meershoek beroept zich op het hierboven aangehaalde dagboek van Mirjam Levie dat volgens hem illustreert dat ‘vele Joden’ berichten over massamoord ‘zeer serieus’ namen en daarmee eigenlijk genoeg wisten. Ik heb geen idee hoe hij dat uit haar dagboek kan afleiden: Mirjam Levie is juist een schoolvoorbeeld van iemand die niet wist wat deportatie betekent en vanuit die onwetendheid handelde. Meershoek zegt overigens ten onrechte dat Levie niet aangehaald wordt: ze heeft nota bene een eigen paragraaf. Ook zijn verwijt dat ik de dagboeken van nationaalsocialisten uit de NIOD-collectie negeer is onjuist: ik gebruik er drie, die ook geregeld genoemd worden.

Enigszins pijnlijk wordt het als we bezien wat Evelien Gans over dit onderwerp te berde brengt in haar veelgeprezen biografie van Jaap Meijer uit 2008. Bladzijden 238-239 zijn gewijd aan de vraag of men wist dat de Joden in Auschwitz en Sobibor vergast werden. Gans’ antwoord is dat dat verhaal in ieder geval wijdverbreid was en dat men het dus had kunnen weten. Om dat te bewijzen haalt zij (behalve een naoorlogse verklaring van Abraham Asscher) vier dagboekschrijvers aan, die allen ook in mijn boek voorkomen.

De eerste is Anne Frank, die schrijft dat ze in het Achterhuis ‘aannemen’ dat de Joden'vermoord’ worden en dat de Engelse radio ‘spreekt van vergassing’. Gans dateert deze mededeling op 9 oktober 1942, terwijl ze in werkelijkheid in het voorjaar van 1944 is geschreven. Daarbij verzuimt ze te vermelden dat Anne in diezelfde tijd schreef over de uit Nederland gedeporteerde Duitse Joden ‘die nu in Polen zitten’, en die, naar ze vreesde, na de oorlog niet meer tot Nederland zouden worden toegelaten.

Vervolgens noemt Gans de hierboven al gememoreerde opmerking van Etty Hillesum, die zoals gezegd waarschijnlijk op Mauthausen slaat en al circuleerde in 1941, toen de gaskamers nog gebouwd moesten worden. Het derde bewijsstuk is hetzelfde gerucht, maar dan genoteerd in het dagboek van Joop Voet, de zwager van Jaap Meijer. Wat Gans niet vermeldt is dat Joop Voet uitgebreid speculeert over de deportatiebestemming, daarbij spreekt van tewerkstelling, honger en allerlei andere narigheid, maar geen moment van dood bij aankomst, laat staan vergassing. Hij verwijt de Joodse Raad dat ze doktoren en verpleegsters vrijstelling geeft, terwijl ‘hun diensten tijdens de reis en in Polen minstens net zo hard nodig zijn als hier te lande’. Hij laat zijn kinderen onderduiken uit angst dat het ‘barre klimaat’ van Polen hen fataal zou worden, ‘want tot een behoorlijke verzorging van onze kleuters zouden wij daar wel niet in staat zijn.’ Het vierde door Gans geleverde bewijsstuk is het ons al bekende dagboek van Mirjam Levie. Daaruit citeert ze alleen de mop over Asscher en Cohen. Net als Meershoek maar Gans van Mirjam Levie iemand die min of meer wist van de Holocaust.

Als dit Gans’ alternatieve methode van bewijsvoering en brongebruik is, lijkt me dat geen verbetering. Sterker nog: in dit stuk maakt ze alle fouten die ze mij verwijt: ze negeert de tegenstrijdigheden en de complexiteit van de bronnen om een evident eenzijdige conclusie te trekken.

Kortom, collega’s, ik ben graag tot discussie bereid, maar ik stel voor dat we ons daarbij richten op de concrete argumentatie, die in jullie stukken op wonderlijke wijze buiten schot blijft. Jullie zouden om te beginnen het dagboek van Mirjam Levie kunnen herlezen.