Een apologie van het paradijs

© Nationaal Archief / Spaarnestad Photo

Wandelen onder de palmen, dommelen in de leunstoel en dansen op de sociëteit. Het is een beeld van de koloniale tijd in Nederlands-Indië dat we goed kennen uit fotoboeken, films en romans en dat de afgelopen jaren steeds vaker kritisch tegen het licht is gehouden. Onderzoekers en activisten hebben erop gewezen dat dit positieve beeld van tempo doeloe (letterlijk ‘tijd van vroeger’) een keerzijde kent: het kolonialisme bestond bij de gratie van structurele uitbuiting van de lokale bevolking en oorlogen die talloze slachtoffers hebben gemaakt.

In Tempo doeloe, een omhelzing houdt Kester Freriks een wat rommelig maar gloedvol betoog ter verdediging van tempo doeloe. Freriks, die zelf zijn jeugd in de kolonie doorbracht en diverse boeken schreef over Nederlands-Indië en Indonesië, trekt in circa honderd pagina’s ten strijde tegen hedendaagse historici die volgens hem een veel te negatief beeld van het Nederlands kolonialisme neerzetten. Daarmee zouden ze een hele generatie Indische Nederlanders de warme herinneringen aan Indië ontnemen waarmee zij hun identiteit hebben gevormd. ‘Geen verheerlijking, wel rechtvaardiging’, is zijn inzet, want ‘tempo doeloe verdient een verweer’.

De lezer wordt meegenomen op reis door Freriks’ versie van de geschiedenis van Nederlands-Indië, die gelardeerd is met verschillende herinneringen en verwijzingen naar literatuur en geschiedenisboeken. Freriks maakt bijvoorbeeld dankbaar gebruik van Geert Maks De eeuw van mijn vader, waaruit hij ene tante Ans citeert die zich herinnert hoe ‘zalig’ Indië voor haar was, als ‘avonturierster’. Ook Hella Haasse en Rudy Kousbroek komen langs, die schreven over de gemengde gevoelens waarmee ze terugkeken op hun gelukkige jeugd in Indië en op de positie die zij toen innamen ten opzichte van de Indonesiërs.

Freriks schetst een vertekend beeld van het debat over het koloniale verleden

Freriks kijkt uit om niet enkel de loftrompet over het kolonialisme te steken: hij is de eerste om toe te geven dat niet alles in Nederlands-Indië er rechtvaardig aan toe ging. Maar nadat hij wat zogenaamde schaduwzijden heeft benoemd, verschuift hij telkens het perspectief om positieve elementen van het kolonialisme uit te lichten of negatieve af te zwakken. Zo benadrukt hij dat het kolonialisme de Indonesiërs heel wat heeft opgeleverd, zoals onderwijs en irrigatie, en dat koloniale Nederlanders het avontuur opzochten, velen met de beste bedoelingen. ‘Kolonialisme heeft onloochenbaar een schaduwzijde’, schrijft hij, ‘ondanks de inzet van velen die wél aandacht en belangstelling hadden voor het oorspronkelijke gebied en zijn bewoners.’

Tempo doeloe, een omhelzing is daarmee een problematisch betoog geworden, waarin Freriks een achterhaalde en af en toe ronduit koloniale visie op Nederlands-Indië te berde brengt. Zijn argumenten zijn namelijk dezelfde die destijds al werden gebruikt om kolonialisme te legitimeren. De belangstelling voor de oorspronkelijke bewoners (wat neerkwam op het bestuderen van Indonesiërs als de minder beschaafde ander) en het idee dat kolonialisme kennis en welvaart brengt zijn schoolvoorbeelden van machtsuitoefening – zij het niet met de vuist, maar op het niveau van kennis. Ze dragen bij aan een beeld van een superieur Westen dat het Oosten kon overheersen en bevoogden en laten buiten beeld dat gekoloniseerde mensen tegengestelde belangen hadden en zich altijd (overal ter wereld) hebben verzet tegen kolonialisme.

Om zijn verdediging van tempo doeloe kracht bij te zetten haalt Freriks regelmatig Indonesische stemmen aan. Op zichzelf is dat natuurlijk geen slecht idee, maar de manier waarop Freriks ze naar zijn eigen hand zet is bedenkelijk. Zo leest hij het werk van de bekende Indonesische schrijver Pramoedya Ananta Toer wel erg selectief: hij prijst Pramoedya om zijn ‘genuanceerde beeld van de voorvechters van een vrij Indië’ en meent dat de ‘knechting door de Nederlanders’ een veel minder belangrijk thema in zijn werk is. Maar internationaal staat Pramoedya nu juist bekend om de manier waarop hij het Nederlands kolonialisme kritisch onder de loep nam in zijn Buru-tetralogie. Een goede historische inkadering van het Indonesisch nationalisme blijft bij Freriks trouwens helemaal achterwege. Ondertussen blijft hij zelf de koloniale term ‘inlands’ hanteren om naar Indonesiërs te verwijzen.

Freriks manoeuvreert zich in een tegenpositie in een ‘mentaal verstikkende tijd’, waarin hij veel ‘eigenlijk niet mag zeggen’ en hem een zondebesef wordt aangepraat. Daarmee schetst hij een vertekend beeld van het debat over het koloniale verleden en tempo doeloe. Hoewel discussies over racisme en kolonialisme inderdaad steeds vaker worden gevoerd, is Freriks’ positie nauwelijks een tegenpositie te noemen. Je hoeft de krant maar open te slaan in sinterklaastijd om te zien hoe mainstream het is om tegen antiracisten te fulmineren over schuldgevoel. Het sentiment van tempo doeloe is bovendien verre van afwezig in de cultuur: we zien het terug op Indische markten en in het nog altijd populaire type Tante Lien van Wieteke van Dort, de Indisch Nederlandse actrice over wie onlangs een biografie verscheen.

En Freriks’ nuance dan? Die past bij een dominante manier van spreken over het koloniale verleden in termen van een zwarte bladzijde uit het boek van de vaderlandse geschiedenis. Oorlog, uitbuiting en racisme zijn daarin de nadelen van een systeem dat ook allerlei goede, ja grootse, dingen heeft opgeleverd. Dat idee zien we bijvoorbeeld in de populaire voorstelling Daar werd wat groots verricht van Diederik van Vleuten, of in tentoonstellingen waarin de bezoeker wordt uitgenodigd zich te identificeren met voc-vaarders, die worden gepresenteerd als ondernemende avonturiers. Wat door moet gaan voor nuance mondt al snel uit in vergoelijking. ‘De sleutel tot het Indische en Indonesische verleden’ die Freriks wil bieden heb ik in Tempo doeloe, een omhelzing dan ook niet kunnen vinden. Daarvoor kunnen we denk ik beter bij Freriks’ vijanden terecht. Die zijn er niet op uit om Nederland een schuldgevoel aan te praten of Indische Nederlanders hun herinneringen te ontnemen, maar wel om privilege te herkennen en om andere, ondergeschoven, perspectieven op de geschiedenis te openen.