Een atoombom niet groter dan een potlood

Op 6 augustus werd de eerste atoombom op Hiroshima gegooid. Anne-Ruth Wertheim zat op dat moment in een Japans kamp en lange tijd dacht ze dat de bommen noodzakelijk waren voor haar vrijheid. Later sloeg de twijfel toe.

Deze tekening werd in het Japanse kamp gemaakt door de kinderen Wertheim. © Uit: Anne-Ruth Wertheim ‘De gans eet het brood van de eenden op, mijn kindertijd in een Jappenkamp op Java’, Lienden 1994.

Ik was tien jaar en zat met mijn moeder, broertje en zus in een Japans interneringskamp op Java. Op de avond van 24 augustus 1945 werden we met alle kampbewoners naar de grote overdekte ruimte geroepen. De kampcommandant zou een belangrijke mededeling doen en dat beloofde nooit veel goeds. Benauwd stonden we dicht op elkaar te wachten, de vrouwen, moeders en kinderen, mager in voddige kleren en op blote voeten. Eindelijk kwam de kampcommandant aanlopen in zijn kaki-uniform en hij klom op een kist, zodat we hem allemaal goed konden zien. Hij sprak Indonesisch dat ik maar half verstond, maar mijn moeder bukte zich telkens zachtjes naar ons toe om te vertalen. De Japanse keizer was zo edelmoedig geweest de oorlog te beëindigen om verder bloedvergieten te voorkomen. En hijzelf had – als verantwoordelijke voor dit kamp – heel graag gehad dat wij onder betere omstandigheden hadden kunnen leven, maar dat was helaas onmogelijk geweest. Na nog wat herhalingen klom hij van de kist af en liep weg, gevolgd door de andere leden van het kampcommando. Hij had niet gezegd dat wij weg mochten gaan en we waren in al die jaren zo gedresseerd dat we weifelend bleven staan. Tot verderop in de menigte een paar vrouwen het Wilhelmus begonnen te zingen en alle anderen invielen. Ik kende wel de wijs, niet de woorden, maar wist heel goed wat dit betekende. Er kwam een raar gevoel in me op, een mengsel van huilen en lachen. Ik moest denken aan mijn vader, of hij het al gehoord had, daar ver weg in zijn eigen kamp. Niet dat we wisten waar dat was, en eigenlijk wisten we niet eens of hij nog wel leefde.

Stilletjes liepen we terug naar onze barakken. Sommigen vielen elkaar om de hals, anderen begonnen geagiteerd door elkaar te praten. De commandant had gezegd dat de keizer de oorlog had beëindigd op 15 augustus, dat was dus negen dagen geleden en iedereen begon koortsachtig terug te rekenen. Er hadden intussen allerlei geruchten de ronde gedaan, maar dat was nauwelijks anders dan anders. Wel nieuw was dat we ineens van alles dubbele porties hadden gekregen. Dat wonder had gezorgd voor een stortvloed aan voorspellingen over een naderend einde van onze gevangenschap. De laatste maanden waren wat de honger betreft verschrikkelijk geweest, je dacht de hele dag aan niets anders, of het eten op tijd zou komen, of er genoeg zou zijn voor iedereen en dat er in godsnaam niet iemand iets verbodens zou doen waardoor we gestraft werden met geen eten. Ik weet nog hoe ik soms door het kamp liep met maagpijn van de honger.

Twee dagen voor de toespraak van de commandant was het ochtendappèl afgeschaft en hoefden we niet meer te buigen voor de Japanners. Ook niet als ze onverwacht bij de barakken opdoken om te inspecteren of iemand iets verbodens deed.

Ons kamp lag midden in de stad Batavia, het tegenwoordige Jakarta, maar daar zag je niks van want het kamp was omsloten door een dubbele omheining van prikkeldraad met bamboematten. Op de hoekpunten stonden hoge torens van bamboe waarin bewakers zaten die je dag en nacht onder schot hielden. Midden in het kamp was een grote open plek waar we ’s ochtends en ’s avonds op appèl moesten staan om geteld te worden. Als de kampcommandant jouw rij had geteld moest je een diepe buiging voor hem maken.

Toen we eenmaal wisten dat het niet lang meer zou duren voor we het kamp uit mochten, liepen we er heel anders rond. We hadden geen honger meer en de ratten, muskieten, hoofdluizen en wandluizen die we hoorden, roken en voelden, trotseerden we net iets gemakkelijker.

Er sijpelden steeds meer berichten het kamp binnen. Eén ervan was dat er een heel bijzondere bom op een Japanse stad was gegooid met zo’n verwoestende kracht dat er honderdduizenden doden waren gevallen. Die bom – hij heette atoombom – was door de Amerikanen uit een vliegtuig gegooid en was, vertelde mijn moeder, niet groter dan een potlood. Wat hij teweeg had gebracht was onbeschrijflijk, het grootste deel van de stad was in een ruïne veranderd en niemand had het overleefd. Het was een wonder van vernuft dat zoiets kleins zoiets groots had kunnen veroorzaken. Mijn moeder maakte een weids gebaar met haar armen en zei met angstige ogen: ‘Dus denken jullie erom, als jullie ergens op de grond iets zien liggen dat op een potlood lijkt, absoluut niet oprapen, het kan zomaar ontploffen en dan zijn we er allemaal geweest!’ We knikten ernstig dat we het begrepen hadden.

Ook de andere volwassenen spraken met ontzag over de atoombom. Ik stelde me voor hoe in die Japanse stad al die mannen, vrouwen en kinderen op de grond waren gevallen en onder hevige pijnen doodgingen en vond het akelig dat zoiets blijkbaar nodig was geweest om ons te bevrijden. Hadden die mensen echt zo moeten lijden om mij dit heerlijke gevoel te geven? Het waren natuurlijk wel Japanners die ze op die manier dood hadden gemaakt en die hadden ons al die jaren gevangengehouden, maar toch… Ik hoorde de grote mensen zeggen dat het nodig was geweest om dit te doen en dat dat maar goed was ook; de Amerikanen hadden hun kracht moeten laten zien aan de Japanners, anders zouden zij zich nooit hebben overgegeven, daar waren ze veel te trots voor.

Maar als het erom ging hun kracht te laten zien, hadden de Amerikanen die bom dan niet kunnen gooien op een onbewoond eiland, vroeg ik mijn moeder. Waarom hadden ze hem op een stad laten neerkomen met al die levende mensen erin? Dat waren toch allemaal mensen die zelf niet in het leger zaten? Daarop wist mijn moeder geen antwoord. Maar er was wel haast bij geweest, vond ze, want onze situatie en ook die van waarschijnlijk heel wat mensen in de andere kampen was de laatste tijd onhoudbaar geworden met al die honger, ziekten en het ontbreken van medicijnen.

Lange tijd heb ik gedacht dat het gooien van de atoombommen – drie dagen later ook op Nagasaki - onontkoombaar was. Tot mij verhalen bereikten die me verwarden. Eén van de piloten zou krankzinnig zijn geworden van wroeging. Dat kon ik me voorstellen, dat je zoiets niet op je geweten wilde hebben, ook niet trouwens dat je die opdracht had gegeven. En ik hoorde dat men de eerste stad, Hiroshima, met wrede precisie als doelwit had uitgekozen: de omliggende bergen zouden het vernietigend effect vergroten… Ik kon het niet helpen, maar de gedachte bekroop me dat in deze besluitvorming misschien zelfs had meegespeeld dat het hier ging om de levens van niet-witte mensen.

Mijn twijfel of ik blij moest zijn met een vrijheid die te danken was aan zoveel ellende nam nog verder toe toen er steeds meer bekend werd over de effecten van de straling die de mensen tot op kilometers afstand van de bommen hadden ondergaan. Er waren mensen die daaraan al gauw na de ontploffing waren gestorven, maar duizenden leefden nog jaren en kregen kanker, leukemie en andere ziekten. En niet te vergeten de vele baby’s die geboren werden met afwijkingen. Daar kwam nog bij dat degenen van wie bekend was dat zij straling hadden opgelopen gediscrimineerd werden en geen partner konden krijgen. Zij probeerden het daarom geheim te houden, wat weer leidde tot immens psychisch lijden.

Mijn twijfel sloeg om in zekerheid toen ik te weten kwam dat de motieven van de Amerikanen niet zo zuiver waren geweest als zij hadden doen voorkomen. Nadat nazi-Duitsland zich had overgegeven, werd steeds duidelijker dat ook de Japanners beseften dat ook zij het onderspit zouden delven.

Over de voorwaarden voor hun overgave onderhandelden ze daarom alvast met twee van de drie geallieerden, de Amerikanen en de Engelsen, terwijl de Russen nog bezig waren op adem te komen van hun inspanningen om de Duitsers te verslaan. Zij zouden, zo was bij de overwinning op nazi-Duitsland op 8 mei 1945 afgesproken, drie maanden later gaan meedoen aan de strijd tegen de Japanners – dus op 8 augustus 1945. En uitgerekend dat schijnt nu te hebben meegespeeld bij de Amerikanen om overhaast op 6 en 9 augustus 1945 die bommen op Japanse mensen te gooien. Ze wilden de Russen voor zijn en niet laten gebeuren dat zij medezeggenschap kregen over wat er na de oorlog met Japan zou gebeuren.

Ons was wijsgemaakt dat het gooien van die atoombommen de enige manier was om onze levens te redden, en wel op dat moment en geen dag later. Toegegeven, er was haast bij, maar niemand kan volhouden dat dat een kwestie was van dagen. Die dagen hadden de drie geallieerden moeten gebruiken om gezamenlijk tot een menselijke vrede te komen. Mijn illusie dat we onze bevrijding te danken hadden aan het technisch vernuft van onbaatzuchtige bevrijders, ging in rook op. We hadden gefigureerd in een sinister machtsspel waarin het lijden van ontelbare Japanse mannen, vrouwen en kinderen op de koop toe genomen was.


Dit is essay is ook in het Engels verschenen en te lezen via Informed Comment.