Georges Perec, Ik ben geboren

Een avontuur uit de jaren zestig

De Franse schrijver Georges Perec wordt vooral geassocieerd met literaire puzzels en spelletjes. Maar hij had veel serieuzere bedoelingen dan het lijkt. Hij probeerde het onbegrijpelijke inzichtelijk te maken.

In 1982, het moet kort voor of kort na zijn dood zijn geweest, werd van Georges Perec een verhaal over parachutespringen gepubliceerd. Hij had het niet zelf geschreven, het was in 1959 op de band vastgelegd. Na afloop van een van de vele bijeenkomsten over op te richten tijdschriften — een stel Parijse intellectuelen had stevig zitten bomen — vroeg hij het woord, maar alleen, zei hij, als niemand meer iets te zeggen had. Wat hij wilde vertellen had op het eerste gezicht niets met de discussie te maken, maar misschien wel, wie weet…

In ruim een kwartier beschreef de 23-jarige jongeman in detail wat er zoal door hem heen was gegaan vóór en tijdens het springen; het was niet de eerste maar de veertiende keer. Hij hoefde niets uit te leggen, hij legde het ook niet uit, hij zei alleen dat een parachutesprong op een psychoanalyse leek. Alle aanwezigen moeten begrepen hebben dat het verhaal van de aangeschoten jonge dichter over intellec tuelen ging die iets wilden wagen.

Ik noem de anekdote hier vooral om aan te geven dat de Perec die nu vooral geassocieerd wordt met literaire puzzels en spelletjes meestal veel serieuzere bedoelingen heeft dan het lijkt, én dat een ogenschijnlijk van drama vervuld werk als W of de jeugdherinnering veel meer spel is dan de wat eerbiedige besprekingen doen vermoeden. Het boek wordt beschouwd als een getuigenis van het lot van Perecs familie, terwijl het vooral getuigt van de gaten in Perecs geheugen. Het is maar wat je onder spel verstaat. Sommige critici en lezers kunnen er kennelijk niet goed tegen wanneer een schrijver tegelijk doodserieus en allesrelativerend is, dus niet altijd komisch of altijd tragisch, of op z’n tijd ernstig en dan weer ludiek, maar het een én het ander, tegelijk.

Er zijn schrijvers wier werk op dezelfde dag ter aarde besteld lijkt te worden als de maker; van anderen bloeit het als een weduwe op, begint een nieuw leven of krijgt dan pas volop kans. Georges Perec (1936-1982) was de laatste jaren van zijn leven al een gevierd auteur, zeker na het monumentale meesterwerk Het leven een gebruiksaanwijzing in 1978. Na zijn dood is de ene titel na de andere verschenen, herdrukken van verspreide teksten in van die prettig in de hand liggende smalle boekjes. In Nederland is sinds 1990 een inhaalactie op gang gekomen, met een gestage reeks vertalingen en hervertalingen. De bekroning daarvan is een zojuist verschenen bundel waarvoor Rokus Hofstede een keuze van korter werk heeft gemaakt die de veelzijdigheid van het werk in kaart brengt en tevens een mooie introductie is. Geheel in de geest van Perec geeft de vertaler in zijn nawoord enkele scenario’s voor andere keuzes; aan de lezer om die maar zelf uit te voeren.

De titel Ik ben geboren is de zin waarmee Perec in 1970 een paar pagina’s aantekeningen begint — «Ik ben geboren op 7.3.36. Hoeveel tientallen, hoeveel honderden keren heb ik die zin al geschreven?» — om voor zichzelf te demonstreren wat er allemaal komt kijken bij het beantwoorden van zo’n onschuldige vraag. Hij had nog vele bladzijden zo door kunnen gaan en het had onder de titel «De verbeelding van de zin» (wat zit er allemaal in één openingszin) gepubliceerd kunnen worden.

De notitie hoort thuis in de omgeving van het half autobiografische boek W of de jeugdherinnering (1975), waarin Perec zijn beelden van de KZ-wereld vorm gaf. Met dat boek gaf hij ook te kennen dat een leven meer dan één keer kan beginnen of herbeginnen. Hij begon met te zeggen dat hij helemaal geen herinneringen aan zijn kinderjaren had, dus ook niet aan de dood van zijn vader in 1940 aan het front en het afscheid in 1942van zijn moeder, die waarschijnlijk in een concentratiekamp is omgekomen. Herinneringen zijn, net als dromen trouwens, een terug kerend thema.

Een van zijn bekendste ondernemingen is Je me souviens, waarin Perec lukraak alles opschreef wat hij zich van zijn tiende tot zijn 25ste her innerde, liefst gewone dingen die iedereen had kunnen zien. Was dat een staalboek herinneringskunst? Integendeel, de 480 nummertjes hadden er evengoed vele duizenden kunnen zijn, andere en van anderen, het deed er niet eens toe of de herinneringen feitelijk klopten. Perec demonstreerde dat ons collectieve geheugen, misschien nog meer dan het persoonlijke, een stortkoker is.

En als het laten zien van dat allegaartje al zo’n heidens werk is, wat dan te denken van het echt serieuze herinneringswerk zoals de reconstructie in de roman W van een onherroepelijke gebeurtenis. «Het onherroepelijke» is voor Perec naar eigen zeggen een kernwoord. Het is niet het enige: het «onder-gewone» is een kernbegrip uit het begin van de jaren zeventig, toen hij met de architect Paul Virilio en zijn oude leraar en leermeester voor het leven Jean Duvignaud weer eens met een tijdschrift, in dit geval Cause commune, bezig was. Het woord infra-ordinaire behelsde een compleet programma: dingen zichtbaar maken die al (te) zichtbaar zijn en daarom meestal aan de aandacht ontsnappen.

Perec schreef een schets voor een dergelijke «beginselverklaring» en gaf meteen enkele gebruiksaanwijzingen: «Beschrijf je straat. Beschrijf een andere straat. Vergelijk. Inventariseer wat in je zakken of in je tas zit. Stel jezelf vragen over de herkomst, het gebruik en de geschiedenis van elk voorwerp dat je eruit tevoorschijn haalt.»

Enzovoort, ook een woord dat bij Perec past. Een (gezelschaps)spelletje? Ja, maar in alle ernst: de zakken van Perec waren bodemloos en in die ene straat liep hij zelf dood. Als Freud het niet gezegd had, zou Perec de zin bedacht kunnen hebben: spel is niet het tegendeel van ernst maar van werkelijkheid.

Er is één woord dat Perec vanaf het allereerste begin achtervolgd heeft: realisme. Zijn eerste publicatie heette: De dingen. En het linkse modewoord van die tijd was: réification, letterlijk verding lijking, sociologisch-psycho logisch vervreemding.

Het is verleidelijk de Perec-bloemlezing te bespreken door alle titels van de gekozen stukken over te schrijven. Op een rijtje is het de inhoudsopgave van een drukbezet en alleen in lijstjes en opsommingen te ordenen leven. Bijvoorbeeld: «Poging tot inventarisatie van het vloeibare en vaste voedsel dat ik in de loop van het jaar negentienhonderdvierenzeventig door het keelgat heb gejaagd». De titel zegt al voldoende, maar Perec voert het ook nog uit. Waarom hij soms al die moeite doet, en wat het oplevert, is niet altijd duidelijk.

Het is ook een ander verhaal dan concep tual art. Het gevolg is in elk geval dat schrijven over hem vaak uitdraait op het navertellen van wat hij zoal gedaan heeft: het hele scala aan spel letjes, puzzels, lijstjes, rubriceringen, enzovoort. Of uitleggen wat het woord contraintes betekent: zelfopgelegde beperkingen, spelregels, verplichte figuren. Vervolgens kost het een zee van ruimte om uit te leggen wat Oulipo was, de vereniging van puzzelaars, en een zee van tijd om de lol ervan uit te leggen. Maar het is en blijft navertellen, meer in zijn dan in eigen woorden. Van de parafrase leven hele volksstammen; de letterenstudie als echoput. Sommige schrijvers zeggen álles voor. Zo heeft Hermans het klaargespeeld dat in studies over hem altijd wel eens de zins wending «Ik heb altijd gelijk» of «Moedwil en misverstand» of «Het sadistisch universum» voorkomt.

Er is als het om auteurs als Perec, Calvino, Butor, Queneau, Roubaud gaat, een door de auteurs zelf geheel onvoorziene vorm van parafrase. Met een beetje moeite kun je ze typeren als schrijvers van vóór de hypertekst die van de wereldwijde potentie van het Web niet eens dúrfden dromen, hoewel hun werk er, achteraf gezien, een voorspel van was. Op het internet wemelt het van lijstjes- en spelletjesmaniakken die grif van Perec en de zijnen gebruikmaken, ze voeren in zekere zin hun werk uit, met niet toevallig de uitdrukkelijke vermelding dat het de knutselaars alleen om het spel gaat, en dat dan heel serieus.

O wee als iemand het over werkelijkheid heeft. En daarover had Perec het, al in het begin van de jaren zestig, en laat ik er meteen bij zeggen dat het niet om jeugd zonden gaat, om een periode die hij overwonnen, laat staan afgezworen heeft. Op een bepaalde manier gezien is Perec zijn politieke interesses altijd trouw gebleven. Je kunt het hele werk zien als de demonstratie van een sociologische blik, maar dat is een andere dan waar Blokker de pik op heeft. Perecs leerjaren liggen in de jaren zestig, en dan bedoel ik meer de harde jaren zestig dan het jolige straatventen van daarna. Die periode dat een hele generatie politiek voor schut ging wordt nogal eens overgeslagen: behalve dat toen wereldwijd de ideologische machtsstrijd met het misleidende adjectief werd uitgevochten, moest er ook anderszins eerst met de jaren vijftig (of zeg maar de oorlog en vooroorlog) worden afgerekend voordat er weer zelfstandig gedacht kon worden.

Die korte maar hevige periode moet iemand maar eens apart beschrijven; het zou kunnen aan de hand van Georges Perec, als Januskop in een groepsportret. De synopsis ervoor is geschreven door Claude Burgelin in een postume uitgave van essays die Perec tussen 1959 en 1964 schreef en die in het linkse blad Partisans werden gepubliceerd. Maar ze waren bedoeld voor een eigen blad, La ligne générale geheten, naar een film van Sergei Eisenstein. La ligne générale zou de voorbesprekingen niet overleven, het was al voor verschijnen uitgepraat, ook omdat de communistische partij, waar de groep tegen aanschurkte, de publicatie ervan niet aandurfde.

Claude Burgelin gaf het boekje L.G. (1992) de ondertitel Een avontuur van de jaren zestig mee. Wat opvalt is dat Perec bijna alles wat hij gedaan heeft, niet alleen in zijn jeugd, samen met anderen deed. Frankrijk is toch al een land van groepjes, literaire en politieke groupuscules; het oprichten en opblazen van gonzende tijdschriften is er een sport apart. En als ooit het woord «werkgroep» enige betekenis had, dan in die tijd.

Het blad in oprichting De generale lijn beoogde niet minder dan een marxistische esthetica. De verschillende essays die Perec schreef, passen in dat program, en je hoeft maar te kijken waar ze tegen ingingen om te zien waar hij theoretisch en politiek heen wilde. Ondertussen ontwikkelde hij zijn eigen plannen, als beginnend schrijver, want dat is zijn redding geweest: hij schreef al en wist wat hij wilde, en vooral ook wat hij niet wilde. Hij zette zich niet alleen af tegen bepaalde auteurs, hij mat zich ook met hen. Dat hij zich tegen het platte socialistisch realisme afzette ligt voor de hand, ook het engagement van Sartre was Perec te veel op de boodschap en bedoelingen gebaseerd (hoewel Sartre inzake vorm-inhoud een stuk genuanceerder te werk ging dan men dacht).

De nouveau roman die toen furore maakte, wees hij integraal af om het conservatieve wereldbeeld van het beschrijven van de werkelijkheid zoals ze is, zó (tel quel) en niet anders. Hij doelde met name op Robbe-Grillet, maar had het vooral over programmatische uitspraken. Butor, met wie hij te veel gemeen had, liet hij wijselijk buiten beschouwing; over Beckett verkocht hij onzin. Dat heb je met schaduwgevechten over abstracte, veel te algemene begrippen. Achteraf enigszins potsierlijk, hoe serieus ook de inzet. Barthes was voor hem een sparringpartner, in meer dan één opzicht. Perecs eerste boek, De dingen, was polemisch gericht tegen het louter object gerichte proza, ook halfpolemisch tegen Barthes als pleitbezorger van de nouveau roman.

Heel curieus is dat Perec in die tijd uitgerekend steun zocht bij de verstokte Georg Lukács. Ik weet bijna zeker dat hij de houten klaas niet gelezen heeft, maar de Hongaar gold toen nog als afwijkend in de leer en zijn begrip «kritisch realisme» moet Perec geprikkeld hebben. Want wat hij nooit heeft losgelaten is zijn idee dat het, ook in de literatuur, om de (nu eenmaal ook) sociale werkelijkheid ging, om de verhouding individu en maatschappij.

Dat bedoel ik met sociologische blik. Daar draaien ook alle spelletjes om, met als inzet minstens de poging om het onbegrijpelijke inzichtelijk te maken (bijvoorbeeld het concentratiekamp, waarover hij in een belangrijk opstel over Robert Antelme al in 1964 scherp formuleerde; dat essay staat wel in de bloemlezing). Perec moest niets hebben van het intuïtieve, irrationele. Het ging hem, ook of juist in het schrijven, om begrijpen, analyse, reflectie, inzicht.

Linkse intellectuelen moesten het in die jaren allemaal zelf bedenken of althans zoeken, dat bewijzen de vroege essays van Perec. Vreemd dat hij toen niet de Frank furters gelezen heeft, maar Fransen lazen geen Duits. De eerder genoemde Duvignaud, Perecs leraar op school en leermeester voor het leven, vertelt dat hij in de jaren vijftig Adorno en Horkheimer wilde vertalen, maar dat geen Franse uitgever eraan wilde. Misschien maar goed dat Perec de epistels van Lukács niet echt gelezen heeft; het had hem jaren gekost om zijn taal te kuisen.

Georges Perec

Ik ben geboren

Keuze en vertaling Rokus Hofstede

Arbeiderspers (Privé-domein), 243 blz., € 25,-

_______________________

Patrik Ouredník

Europeana: Een zeer korte geschiedenis van de twintigste eeuw

Voorwaar een nuttig boek als je al op de eerste pagina leert dat de lijken van de in Normandië gesneuvelde Amerikanen achter elkaar een lengte van 38 kilometer beslaan (en die van de in de Eerste Wereldoorlog gesneuvelde Fransen 2681 en van de Duitsers 3010 kilometer). En zo neemt de half-Tsjechische half-Franse Ouredník (1957) een hele eeuw door, alles ademloos aaneengeschakeld met het woordje «en», of het nu om genocide en revolutie gaat, de vruchten van de samenwerking tussen economie en techniek, de uitvinding van geperforeerd closetpapier of de culturele betekenis van kauwgom. Alsof een buiten aards wezen, met de naam Alice, in het oude Europa verdwaald is, maar wel een die toevallig weet heeft van de legotaal van het communisme. Ook of juist gemeenplaatsen zijn bronnen van herinneringen.

Uit het Tsjechisch (2001) vertaald door Edgar de Bruin

Fagel, 156 blz., € 16,50

Michael Dibdin

Medusa

Het klinkt vreemd, maar voor onvervalste, ouderwetse politieke literatuur moet je tegenwoordig bij de thrillers of misdaad romans zijn. Misdaad en politiek horen van nature bij elkaar. Zeker als het om Italië gaat, waar de thrillers van de Engelse Michael Dibdin (1947) spelen met de min of meer intellectuele, eigenaardige en ook wel aardige commissaris Aurelio Zen. Als in de Dolomieten het lijk van een militair gevonden wordt, eertijds officieel bij een vliegtuigongeluk omgekomen, blijkt dat het overblijfsel van een rechtse samenzwering (Medusa) uit de tijd dat links het land leek over te nemen om het naar de verdommenis te helpen. Sommigen van die putschisten zitten er nog, hoog en droog, zodat we behalve Italiaans verleden ook bedenkelijke actualiteiten uit het Berlusconi-heden krijgen opgedist. En wie in de levensloop van Aurelio Zen geïnteresseerd is, krijgt in dit negende deel ook over hem weer een nieuw hoofdstuk.

Uit het Engels (2003) vertaald door Huub Groenenberg

Atlas, 288 blz., € 18,50

Fred Vargas

Maak dat je wegkomt

Tweemaal per dag roept een voormalige Bretonse zeeman op een plein bij metro station Montparnasse de in zijn brievenbus gedeponeerde berichten om: nieuwtjes, particuliere mededelingen, koopjes. Maar opeens ook in Oudfrans en Latijn gestelde stukken tekst, waarvan een deskundige weet te vertellen dat het passages uit oude verhalen over de (naderende) pest zijn. Als er in Parijs ettelijke lijken gevonden worden met bekende tekenen van de pest, zwarte plekken, breekt onmiddellijk paniek uit. Overtuigend laat de roman zien hoe vitaal juist die atavistische angst is. De laatste epidemie dateert van 1920 en dat zet een slimme politieman op het spoor van een verre van eenvoudige geschiedenis. Fred Vargas (45), een Franse archeologe, vertelt dat kundig, waarbij zij niet zuinig is met vele interessante bijzaken, al vreet dat pagina’s. De pest veroorzaakt geen zwarte plekken, foutje. In elk geval is het een mooi geval van collectieve hysterie, dus leerzaam.

Uit het Frans (2001) vertaald door Rosa Pollé

De Geus, 349 blz., € 22,50

André Schwarz-Bart

De laatste der rechtvaardigen

Het is natuurlijk onzin zo’n symfonie van een boek in een paar woorden te willen signaleren. Het is een van de eerste pogingen om de genocide in een roman te verwerken. Schwarz-Bart, die hiermee in 1959 debuteerde, begint ook nog eens met een lange voorgeschiedenis van het antisemitisme, te beginnen met een pogrom in 1185 in York. De titel slaat op de vondst om een oude, in de achttiende eeuw gepopulariseerde legende als leidmotief te nemen. De eerste uitverkorene wordt slachtoffer van de Inquisitie, Ernie Levy is de laatste van de 36 rechtvaardigen: hij neemt zijn lot op zich door vrijwillig zijn geliefde naar Auschwitz te volgen. Daar begint het grote zweven. Kroniek, levensverhaal van Ernie, mystieke verhandeling, het is nogal wat, het zijn ook meer boeken ineen. Godzijdank, niet die der wrake, wordt de mystieke trend getemperd door ironie, bijvoorbeeld als Ernie oefent in het lijden. Een vergelijking met Kertész zou verrassend kunnen zijn.

Uit het Frans (1959) vertaald door Eveline van Hemert

Meulenhoff, 352 blz., € 28,50

Imre Kertész

Liquidatie

Kertész zelf ziet deze roman na Onbepaald door het lot (1975) en Kaddisj voor een niet geboren kind (1990) als afsluiting van een drieluik. Er duiken ook allerlei ideeën op uit de boeken met aantekeningen. Het verhaal wordt verteld door een uitgeversredacteur over een schrijver (B.) die een eind aan zijn leven heeft gemaakt en zo hij een roman heeft nagelaten die vermoedelijk door zijn ex-vrouw heeft laten verbranden (denk aan Kafka). Het bijzondere aan B. is dat hij in Auschwitz geboren is. Dat is meteen de kwintessens van zijn leven, en waarom dat «onvertelbaar» heet, begrijp ik niet. Rond het allesverzengende woord «Auschwitz» trekt Kertész een waar rookgordijn op, niet alleen door gegoochel met roman, toneelstuk, al of niet bestaand manuscript. Met een aan Thomas Bernhard ontleende overdrijvings- en herhalingstechniek worden grote woorden en zware uitspraken (als «wie in leven blijft is altijd schuldig», «iedereen is joods» en «dit snode, aardse concentratiekamp dat leven heet») tot willekeurige, omkeerbare formules. Misschien is Kertész de schrijver van één boek en niet meer.

Uit het Hongaars (2003) vertaald door Mari Alföld

De Bezige Bij, 152 blz., € 17,50

Eric-Emmanuel Schmitt

Meneer Ibrahim en de bloemen van de koran

Naverteld lijkt het een zoetsappig verhaal, toch is het eerder een wat navrante Oost-West-fabel. Mozes woont alleen met zijn vader, een kniesorende joodse advocaat. Meer thuis voelt de jongen zich bij de oude kruidenier Ibrahim in de rue Bleue, alleen Arabier omdat hij altijd open is. Van oorsprong is hij een Turkse soefi. Hij adopteert de jongen na de zelfmoord van diens vader en Mozes die eerst nog Momo heet wordt dan Mohammed. In het ironisch vertelde verhaal, oorspronkelijk een toneelmonoloog, is er meer dat anders blijkt te zijn dan op het eerste gezicht lijkt.

Uit het Frans (1999) vertaald door Eef Gratama

Atlas, 94 blz., € 12,50

Vladimir Sorokin

IJs

Sorokin (1955) liet in de roman De rij letterlijk zien hoe men in Rusland voor alles in de rij stond. Ook IJs heeft een simpel uitgangspunt: een sekte kidnapt lange, blonde mensen met blauw haar, slaat ze keihard op hun borstbeen met een hamer van ijs (uit een in 1908 in Siberië ingeslagen meteoriet) en als ze een levend hart hebben dat sjoege geeft worden ze lid; zoniet, weg ermee! Na een serie van zulke bekeringen gaat het tweede deel over één geval: een meisje dat door Duitse soldaten uit de Sovjet-Unie wordt meegenomen en daar als sektelid weer terugkeert, hoog klimmend in de organi satie. De beschrijving daarvan is tevens een schaduwgeschiedenis van het totalitaire systeem, ook na Stalin. Een satire op de Sovjet-Unie én op sciencefiction? Misschien is het niet meer dan een parodie op een parodie.

Uit het Russisch (2002) vertaald door Gelen Saelman

Ambo, 284 blz., € 21,90