Een b-film

‘Als dit een film was…’, luiden de eerste vijf woorden van De hemel van Hollywood, de nieuwe roman van Leon de Winter. Daarop volgt de beschrijving van een volkomen clichématig ‘openingsshot’: een overjarige Amerikaanse slee tuft een Californische berg op. Het zonlicht scheert laag over de daken; er zijn palmen te zien en vervallen appartementsgebouwen. Na een ‘cut’ worden even stereotiep drie personages geïntroduceerd: drie mannen die, zoals het echte Hollywood-acteurs betaamt, een ‘raspende buikstem’ hebben of anders ‘een keelstem die door duizenden sigaretten en talloze nachten on the rocks oncontroleerbare vibraties heeft gekregen’.

Het vervolg van het boek leest ook als een filmscript, of beter: als iets ‘tussen treatment en roman in’, zoals veel later in het boek geschreven staat. De drie mannen zijn aan lager wal geraakte filmsterren die, omdat ze te oud, te verlopen of te onbetrouwbaar zijn om nog een rol te krijgen, in werkelijkheid in een goedkoop gangsterverhaal zijn terechtgekomen. Omdat ze niet meer kunnen schitteren op het witte doek, grijpen ze hun laatste kans: in werkelijkheid spelen ze nog een keer een rol die ze miljoenen dollars kan opleveren.
Het gaat allemaal zoals het in een typische Amerikaanse B-film gaat. In opgewekte beschonkenheid rijden ze met die oude slee naar het Hollywood Sign. Onder de stralende letters van De Naam vinden ze een heus lijk dat ze herkennen, meenemen en in een vrieskist verbergen. Het plot dat zich daarna ontrolt, is even onwaarschijnlijk en gecompliceerd als dat van een gemiddelde B-film. Alle filmische clichés worden ingezet: de gangsters zien er niet alleen uit als gangsters, ze praten ook zo. Om de 'echte’ boeven te intimideren spelen de acteurs heel stereotiepe politieagenten. Er worden taxi’s door andere taxi’s gevolgd, en dat de special effects werkelijkheid zijn, maakt ze niet minder special.
Natuurlijk heeft Leon de Winter niet zomaar een B-film in boekvorm gegoten, veeleer heeft hij geprobeerd een soort Pulp Fiction op papier te krijgen. Hij is zich overbewust van alle clichés, van de al te sentimentele en larmoyante toon die hij aanslaat, en wijst daar expliciet op. Hij heeft zijn roman ook een overbewuste structuur gegeven: in De hemel van Hollywood duiken voortdurend filmscripts op van een van de drie mannen en van diens ex-vriendin, scripts die dezelfde titel dragen en de handeling min of meer voorspellen. 'Het ruikt enigszins naar cult’, laat hij een van de drie mannen over zo'n filmscript zeggen, omdat de handeling van de beoogde film vergezeld moet gaan van lange discussies over la condition humaine.
De Winters roman bedoelt ongetwijfeld op dezelfde manier cult te zijn: het krankzinnige gangsterverhaal wordt telkens onderbroken door opmerkingen over werkelijkheid en fictie. Over de rauwe werkelijkheid die door Hollywood door een aangenamer produkt, door een illusie met een happy end vervangen wordt. De (roman)werkelijkheid is net zo artificieel als de filmwerkelijkheid, benadrukt De Winter voortdurend, ook in het 'echte’ leven doe je niets anders dan een character spelen.
Postmoderne cult of niet, je vraagt je toch af wat je met De hemel van Hollywood moet. Zeker, De Winter is een vaardig scenarist, hij heeft een spannend intrige geconstrueerd. Maar zwaar aangezette, overbewust gebruikte clichés blijven clichés. Het lezen van de roman lijkt dan ook op het kijken naar een B-film: je kunt je laten vermaken, maar je kan evengoed de afstandsbediening grijpen en de tv uitdoen.