Extra Handen voor de Zorg?

Een bakkie doen

Het afgelopen jaar hoorden we steeds dat het zorgpersoneel overbelast is. De overheid heeft daarom bedacht dat ook mensen zonder ervaring of opleiding kunnen gaan werken in de zorg. Ze staan klaar om te helpen. Maar wie heeft er behoefte aan hun inzet?

De foto’s op deze pagina’s zijn geen van alle gemaakt op in het artikel genoemde locaties © Rafal Milach / Magnum / ANP

Zingen in gezelschap, ik haat het. Ik kan het niet, en voel ook niet de minste behoefte anderen met mijn valse geblèr lastig te vallen. Ik kan dus niet zeggen dat ik uitkijk naar deze middag in een Haarlems verpleeghuis voor ouderen met dementie. Hier werk ik sinds een week. Als welzijnsassistent. Wat doet een welzijnsassistent? Wandelen met bewoners, pim-pam-petten, een kaartje leggen; het soort dingen waar verzorgenden vaak niet aan toe komen. En zingen natuurlijk.

We zitten met zeven bewoners en een paar collega-welzijnsassistenten in spe in een kring. De afgelopen week heb ik ontdekt dat mijn gebruikelijke aanpak – een praatje maken, geïnteresseerd zijn, vragen stellen – bij deze ‘doelgroep’ niet werkt. De mensen die hier wonen kunnen soms nauwelijks praten, of herkennen je niet meer als je even naar de wc bent geweest. Sommigen zitten de hele dag voor zich uit te staren, een lege blik in de ogen. Ik dacht de afgelopen week vaak: wat doe ik hier? Waarom ben ik hier? Zitten deze mensen op mij te wachten?

Luister naar De Groene

In De Groene Amsterdammer Podcast interviewt Kees van den Bosch Jeroen van Bergeijk over zijn bevindingen als nieuwbakken zorgmedewerker. Onze podcast is elke vrijdagochtend gratis beschikbaar via groene.nl/podcasts en via de andere bekende podcastkanalen

Maar nu, terwijl we Op een mooie Pinksterdag inzetten, zie ik voor de eerste keer hoeveel lol een welzijnsassistent kan brengen. Maria, die niet meer weet of ze kinderen heeft, zingt uit volle borst, woord voor woord, de tekst mee. Machteld denkt dat ze weer het koor uit haar jeugd leidt en vindt dat we nog flink moeten oefenen. En Truus zit tussen de liedjes onbeschaamd met me te flirten: ‘O, wat een mooie rode sjaal heb jij… Wat ruik je lekker… Heb je een vriendin? Nee? Mag ik dan met je mee vanavond?’ Het maakt niet uit dat de deelnemers het straks allemaal weer vergeten zijn. Nu, hier, op dit moment lijken ze gelukkig. En dat is geweldig.

De eerste stap op weg naar mijn loopbaan als welzijnsassistent zette ik begin dit jaar. De zorg dreigde – wederom – overbelast te worden. Alle hulp was welkom, hoorde je steeds weer. Ik vroeg me af hoe het zou zijn om tijdens de coronacrisis als zij-instromer in de zorg aan het werk te gaan. Kan dat? Hoe pak je dat aan? En zit men eigenlijk wel te wachten op mensen zoals ik: goedbedoelend, maar zonder noemenswaardige ervaring of opleiding? Om dat te onderzoeken meldde ik me aan bij Extra Handen voor de Zorg – een samenwerkingsverband van werkgeversorganisaties en brancheverenigingen, gefaciliteerd door het ministerie van vws, dat zorgpersoneel aan zorgorganisaties wil koppelen.

De website van Extra Handen voor de Zorg (extrahandenvoordezorg.nl) laat er in januari in ieder geval geen misverstand over bestaan. ‘Het water staat de zorg aan de lippen. Wil je graag helpen, maar heb je geen zorgdiploma? Dat is geen reden om het niet te doen… Wij zijn dus ontzettend blij dat jij jouw hart laat spreken en wilt helpen.’ En even verderop: ‘Heb je nog geen ervaring in de zorg en wil je toch helpen? (…) Dan kunnen we je opleiden via de Nationale Zorgklas. Je krijgt dan via een digitaal opleidingstraject van 1 tot 2 weken basiskennis aangeboden om binnen de zorg aan de slag te kunnen. Hoe jouw taken er precies gaan uitzien hangt af van de organisatie waar je straks aan de slag gaat. Je legt bijvoorbeeld materialen klaar, maakt een praatje met bewoners of patiënten, je helpt mee met het voorbereiden en begeleiden van maaltijden, schenkt koffie…’

Het klinkt mij allemaal prima in de oren en vol goede moed neem ik op een maandagochtend in februari achter mijn computer plaats voor de eerste les van de online opleiding tot ‘Ondersteunend Zorgmedewerker’ van de Nationale Zorgklas (nzk). We beginnen met een voorstelrondje. Jan-Anne Schreuders is theatertechnicus bij Theater Flint in Amersfoort. Door corona ligt zijn werk al bijna een jaar stil, maar nog langer duimen draaien wil hij niet meer. Katrien Hoekstra is scenarioschrijfster, heeft jaren in Londen gewoond, daar als vrijwilliger in een ziekenhuis gewerkt en zou dat nu, met de derde golf in aantocht, ook graag in Amsterdam willen doen. En Guus Rood is steigerbouwer te Dordrecht, heeft een moeder in een verpleeghuis en werkt als vrijwilliger met autistische kinderen.

En zo zijn er nog meer: een kapster met twee door de lockdown gesloten salons, een schoonmaker, een student, een reisleider, een huisvrouw. Allemaal willen ze, al dan niet tijdelijk, in de zorg aan de slag. Allemaal zijn ze zeer gemotiveerd om een bijdrage te leveren in de bestrijding van de coronacrisis.

Door Extra Handen voor de Zorg zijn we doorverwezen naar de Nationale Zorgklas, de organisatie die deze vierdaagse training coördineert. Ik ben blij dat ik überhaupt een plekje in dit klasje heb bemachtigd, want de belangstelling leek begin januari groot: het duurde enkele weken voordat ik zelfs maar een intakegesprek kreeg. Tijdens dat gesprek legde een medewerker uit dat ik waarschijnlijk in een verpleeghuis aan de slag zou gaan. Het werk? ‘Een bakkie doen, het gaat om het sociale.’ Naar mijn achtergrond of motivatie werd niet gevraagd. Hij schatte de kans dat ik werk aangeboden zou krijgen op ‘fifty-fifty’.

Dat zou dan een betere score zijn dan wat Extra Handen voor de Zorg vorig jaar voor elkaar kreeg. In december publiceerde de commissie-Werken in de Zorg onder leiding van Doekle Terpstra op verzoek van minister Van Ark een rapport waaruit bleek dat van de 22.800 mensen die zich vanaf het begin van de coronacrisis hadden aangemeld er slechts 2800 daadwerkelijk een plek in de zorg hadden gekregen. De redenen voor die ‘mismatch’ waren legio. Zo waren het aanbod en de vraag niet evenredig over het land verdeeld. Tijdens de eerste golf zat men bijvoorbeeld in Brabant om mensen te springen, maar woonden potentiële zorgverleners in andere regio’s.

Daarnaast gaven veel mensen aan slechts parttime beschikbaar te zijn, terwijl zorginstellingen voornamelijk fulltime krachten wilden. Maar het grootste probleem was dat zorginstellingen behoefte hadden aan professionals – mensen met de juiste diploma’s en ervaring – terwijl de meesten die zich aanmeldden ‘extra handen’ waren. Mensen zoals Jan-Anne, Katrien, Guus en ik dus.

Het oordeel van de commissie-Terpstra liet weinig aan de verbeelding over. Ze prees het initiatief maar sprak ook van gemiste kansen, een weinig effectief proces en was kritisch over het vrijwel totale gebrek aan begeleiding van de belangstellenden. Om mensen zonder zorgachtergrond toch geplaatst te kunnen krijgen, was in de zomer al ingegrepen en de Nationale Zorgklas opgericht, die mensen zonder de juiste opleiding of ervaring moest gaan trainen. De commissie-Terpstra beval expliciet aan dat mensen die deze training volgen ook echt aan het werk moeten kunnen. ‘Het averechtse en daarmee frustrerende effect is groot als dit niet het geval is. Verder dient een strikte capaciteitsplanning te worden gehanteerd. Dus niet meer mensen opleiden dan de voorziene vraag.’

Vervolgens gingen Extra Handen voor de Zorg en de Nationale Zorgklas enthousiast met de aanbevelingen aan de slag. Er werden extra docenten aangetrokken voor de Nationale Zorgklas, en werden recruiters bij Extra Handen aangesteld die de kandidaten zouden gaan begeleiden en matchen met zorginstellingen. En bovenal werden er door het kabinet speciale coronabanen in het leven geroepen, volledig gesubsidieerde, tijdelijke banen in de zorg gericht op functies waar geen diploma of ervaring voor nodig is. Denk aan: gastheer, zorgbuddy, welzijnsassistent of ondersteunend zorgmedewerker. In februari van dit jaar reserveerde de regering daar tachtig miljoen euro voor.

© Jan Dirk van der Burg / De Beeldunie

Met al die ontwikkelingen in het achterhoofd, en de nodige dosis enthousiasme, twijfelen wij, deelnemers aan de training tot Ondersteunend Zorgmedewerker, er dan ook niet aan dat we straks zonder veel problemen werk zullen vinden. De enige eis aan ons is dat we gedurende een maand (of meer) voor minimaal voor 24 uur per week beschikbaar zijn.

In de training, die alles bij elkaar vier dagen duurt, kijken we YouTube-video’s, krijgen we ‘kenniskaarten’ en ‘invulkaarten’ en bediscussiëren dat alles online. We hoeven nauwelijks iets te lezen, laat staan uit ons hoofd te leren. Wat we wél doen is ons proberen voor te stellen hoe we in bepaalde situaties zouden reageren, waarbij het devies is: je gezond verstand gebruiken. Het doel van dit alles? ‘De Nationale Zorgklas wil jou persoonlijk en aangenaam verbinden met je toekomstige werkplek.’

De eerste dag leren we vooral hoe we – online – moeten leren: wat zijn ‘breakout rooms’, hoe werkt de ‘Peer Feedback Community’, en hoe deel je nou eigenlijk je scherm op Zoom? De docent besluit dag één met een waarschuwing: ‘Uit mijn vorige groepje studenten hebben na enkele weken pas twee mensen een baan gevonden.’

‘Je wilt het goede doen, met het oog op alle problemen. Je volgt zo’n klasje, wat ik leuk vond om te doen, en dan hoor je gewoon helemaal niks meer. Schandalig toch wel’

Dag twee staat in het teken van adl – Algemeen Dagelijkse Levensverrichtingen. Denk aan wassen, aankleden, naar het toilet gaan, en de ‘inname van eten en drinken’. Met een klein groepje moeten we bedenken wat voor soort problemen we daarbij denken tegen te komen, en hoe we die vervolgens willen oplossen. Ik bestudeer het ‘Protocol Zorgvrager Wassen’ op de website die bij deze cursus hoort. Daarin valt te lezen: ‘Draag beschermende kleding (handschoenen en schort) wanneer handen of kleding in contact komen of kunnen komen met bloed, lichaamsvocht, excreta (urine, feces, braaksel etc.).’ We bekijken een filmpje over het wassen van ouderen. ‘Bij mannen: vergeet ook niet onder voorhuid te wassen.’

Dit is toch wel even iets anders dan ‘een bakkie doen’ of ‘een praatje maken met patiënten of bewoners’ en ik begin ’m eerlijk gezegd een beetje te knijpen. Moet ik straks echt mensen gaan wassen en helpen met naar de wc gaan? De discussie tussen mijn klasgenoten gaat ondertussen over hoe om te gaan met agressie en seksueel grensoverschrijdend gedrag, dat onder mensen met dementie regelmatig schijnt voor te komen. Aan het eind van de middag informeer ik maar eens voorzichtig of we ook daadwerkelijk ingezet worden bij de zaken die we vandaag hebben besproken. De docent stelt me gerust: ‘Jullie zijn ondersteunend, dus misschien dat je een keer gevraagd wordt een handje te helpen, maar in principe is dit de taak van de verzorger, en niet van jullie.’ Een van mijn medecursisten appt me: ‘Pfff hé, gelukkig zeg. Ik zag het even niet meer zitten.’

De derde dag hebben we een andere docent. Corrie praat veel en is bovenmatig langdradig. Godzijdank loopt zo nu en dan haar poes door het beeld, en moet ze even stoppen. Het is alsof het dier wil zeggen: ‘Zo, en nu is het genoeg geweest.’ Vandaag staat het zorgleefplan op het lesprogramma. Daarin worden afspraken tussen cliënt en zorgaanbieder vastgelegd. Het idee is dat als je zorg nodig hebt in zo’n plan jouw voorkeuren worden vastgelegd, zodat je zo veel mogelijk je oude leven kunt voortzetten.

Om een en ander te verduidelijken bespreken we verschillende scenario’s. Een man die ’s ochtends graag de krant leest, maar rugpijn krijgt omdat in het verpleeghuis de tafel te laag is. Een vrouw met een grote familie die desondanks geen bezoek ontvangt en zich eenzaam voelt. En een andere vrouw die niet onder de douche wil. Samen bedenken we mogelijke uitkomsten: de tafel verhogen / de familie van de vrouw inschakelen / het morgen nog eens proberen met die douche. Ook Corrie merkt op: ‘Uit het vorige groepje heeft nog niemand een match. Het kan stroperig gaan in de zorg.’

Op dag vier wil een medecursist eerst even iets kwijt: ‘Ik had het er gisterenavond met mijn man over dat er zoveel mensen nodig zijn in de zorg, toch? Dan denk ik: jeetje, wat gebeurt hier nou eigenlijk. Hoe kan het dat we nu al een paar dagen horen dat het moeilijk wordt om aan de slag te gaan? Waarom doe ik dit dan?’ We gaan verder met het thema van vandaag: zelfredzaamheid. Corrie: ‘Ze noemen het ook wel eigen regie.’ We bekijken een chaotisch filmpje dat is gemonteerd als een videoclip uit de jaren negentig. Na afloop vraagt Corrie wat we hebben onthouden. ‘Ik zag een meneer die gevoerd werd, terwijl hij het prima zelf lijkt te kunnen’, zegt iemand. ‘Dus dat lijkt me niet zo zelfredzaam.’ Corrie is tevreden met het antwoord, behalve ‘dat je geen voeren mag zeggen, het is: voedsel toedienen’. Aan het eind van dag vier is iedereen geslaagd en kunnen we het certificaat ‘Online Trainingsprogramma Ondersteunend Zorgverlener’ downloaden.

Twee dagen later word ik al gebeld door een recruiter van Extra Handen voor de Zorg. Of ik interesse heb in de baan van welzijnsassistent bij een verpleeghuis in Het Gooi. Ik moet er even over nadenken. Het tehuis is lastig te bereiken met het openbaar vervoer en als ik zo snel word ‘gematcht’ vraag ik me af of ik het eerste de beste aanbod al direct moet accepteren. Na een paar dagen besluit ik het toch te doen, maar helaas, de baan is reeds vergeven.

En dan begint het wachten.

Zo nu en dan mail ik met de recruiters van Extra Handen voor de Zorg – een telefoonnummer waarop je de organisatie kunt bereiken is er niet. Meestal krijg ik vlot bericht terug, al is het steeds van een andere medewerker. Maar na de eerste aanbieding wordt het stil. Weken gaan voorbij. Er lijkt simpelweg, in Amsterdam althans, geen vraag.

Het ministerie van vws meldt dat zich sinds 1 december 4590 mensen zonder zorgervaring/opleiding bij Extra Handen voor de Zorg hebben aangemeld. Slechts 886 daarvan hebben tot op heden via bemiddeling van Extra Handen een (corona)baan gevonden. Voor de goede orde: Extra Handen voor de Zorg is afhankelijk van de vraag van zorginstellingen. Als die vraag niet komt, omdat bijvoorbeeld de druk op de zorg door vaccinaties sterk is verminderd, dan valt er voor Extra Handen ook niks te bemiddelen.

Uit de Stand van Zakenbrief Covid-19 van 13 april van minister Hugo de Jonge blijkt dat er op dat moment 6406 mensen via Extra Handen voor de Zorg beschikbaar zijn voor werk, waarvan 3619 met een medische achtergrond of opleiding en 2787 zonder. Van die 6406 kandidaten zijn er 4572 niet aan het werk, en zijn er 1842 voorgesteld aan een zorginstelling die wachten op een reactie. Als je specifiek kijkt naar mensen zonder zorgervaring of -opleiding blijkt dat er slechts 746 zijn voorgesteld aan een zorginstelling (en wachten op een reactie), en dat er 2041 kandidaten momenteel geen werk hebben. Dat betekent dat in ieder geval 73 procent van mensen als Jan-Anne, Katrien, Guus en ik momenteel geen baan heeft. Het ministerie van vws heeft de matching van Extra Handen voor de Zorg het afgelopen half jaar gesteund met een bedrag van 5,7 miljoen euro.

Ik besluit dat ik natuurlijk ook op eigen kracht werk zou moeten kunnen vinden. Het kabinet heeft tenslotte tachtig miljoen beschikbaar gemaakt voor coronabanen en daarvan zou ik er – ook zonder bemiddeling van Extra Handen voor de Zorg – toch wel eentje moeten kunnen bemachtigen. Amsterdam heeft een handvol zorginstellingen met meerdere locaties in de stad. Zo zie ik dat bijvoorbeeld Amsta een vacature heeft voor een tijdelijke zorgbuddy, waarop ik solliciteer. Ik word afgewezen. Als ik per e-mail vraag waarom, krijg ik geen antwoord. Ik verstuur open sollicitaties naar andere Amsterdamse zorginstellingen, zoals Cordaan en Amstelring. En alhoewel het op de websites van die organisaties stikt van de vacatures voor verpleegkundigen en verzorgenden is aan tijdelijke ondersteunende zorgmedewerkers geen behoefte.

Ik snap er niks van. Het afgelopen jaar horen we niks anders dan dat het zorgpersoneel overbelast is. En daar sta ik dan. Klaar om te helpen, nota bene door de Nationale Zorgklas getraind tot Ondersteunend Zorgverlener en niemand heeft behoefte aan mijn inzet. Ligt het misschien aan mij? Na twee maanden wachten vraag ik Katrien, Guus, Jan-Anne en de andere cursisten hoe het hun is vergaan. Van de twaalf deelnemers heeft er eentje, een vrouw uit het noorden van het land, werk in de zorg. Maar dat is doordat ze zelf heeft gesolliciteerd op een coronabaan – niet door matching van Extra Handen. De training van de Nationale Zorgklas heeft haar ook niet geholpen.

Jan-Anne Schreuders heeft nooit iets vernomen van Extra Handen. ‘Ik krijg sterk de indruk dat dit weer zo’n goedbedoeld initiatief is, waarvan alleen de mensen die het hebben opgezet er beter van worden. Mijn vriendin werkt in de zorg. Dat is een echt vak, dat leer je niet door even vier dagen te zoomen. Dat hele klasje was een wassen neus.’

Katrien Hoekstra is één keer gebeld voor een coronabaan in een verpleeghuis voor zwaar demente mensen. ‘Maar ik had duidelijk aangegeven dat ik dacht daarvoor niet geschikt te zijn. Daarna heb ik nooit meer iets gehoord.’ Zij prijst het initiatief, maar is niet onder de indruk van de training. ‘Ik dacht: als we met deze minimale kennis mensen moeten gaan helpen… ik vond het eigenlijk wel een beetje griezelig.’ Zij constateert: ‘Ik vind het jammer. Zo’n hele campagne, je investeert een week van je tijd… en dan lijkt het toch echt alsof we zijn opgeleid tot iets waar eigenlijk geen behoefte aan is.’

En ook Guus Rood is stomverbaasd dat hij nooit enig bericht heeft gekregen. Zijn moeder heeft alzheimer en zelfs vanuit het verpleeghuis waar zij woont kreeg hij te horen dat alle hulp welkom is. Hij zegt dat hij heel graag een carrièreswitch naar de zorg had willen maken. ‘Ik ben echt van een koude kermis thuisgekomen. Je wilt het goede doen, met het oog op alle problemen die er nu spelen. Je volgt zo’n klasje, wat ik leuk vond om te doen, en dan hoor je gewoon helemaal niks meer. Schandalig toch wel.’

Ik begin me zowaar een beetje thuis te voelen en te begrijpen wat ik hier voor de bewoners zou kunnen betekenen. De truc is in het ‘nu’ te zijn

De Nationale Zorgklas ontvangt een subsidie van 9,8 miljoen van het ministerie van vws. Sinds het begin van de coronacrisis zijn er volgens vws 4326 mensen door de Nationale Zorgklas opgeleid waarvan de overgrote meerderheid (3154) een korte cursus of training heeft gehad zoals ik. Van die mensen zitten er volgens vws 2460 in het bestand van Extra Handen voor de Zorg. Slechts 325 van hen (dertien procent) zijn geaccepteerd bij een instelling. Dat is ‘te weinig’, erkent nzk-woordvoerder Cees de Wildt, werkzaam bij ActiZ, een branchevereniging van zo’n vierhonderd zorgorganisaties en de motor achter de Nationale Zorgklas. Voor die slechte score heeft hij een aantal verklaringen – die in weinig verschillen van wat de commissie-Terpstra vier maanden geleden ook al concludeerde.

Zo constateert ook De Wildt dat er in de ene regio vraag naar personeel kan zijn en geen aanbod, en andersom. Verder geven veel Nationale Zorgklas-alumni de voorkeur aan parttime werk terwijl zorgaanbieders juist een fulltime kracht willen. Ook denkt De Wildt dat de druk op veel zorginstanties zo hoog is dat ze geen tijd hebben om nieuwe mensen zonder ervaring in te werken. ‘Het absorptievermogen is gering’, heet dat. En tot slot blijft het nog steeds zo dat zorginstellingen de grootste behoefte hebben aan mbo-opgeleide verzorgenden en helpenden. Maar die mensen opleiden kost tijd – als er al belangstellenden zijn.

Ik leg De Wildt voor dat mijn klasgenoten nogal gefrustreerd zijn door het hele proces. ‘Dat snap ik. We moeten verwachtingen beter managen en ons afvragen hoe lang we nog doorgaan met deze training.’ Hoewel door vaccinaties de druk op de zorg aan het verminderen is, waren er tot in april nog wekelijks honderd aanmeldingen bij de Nationale Zorgklas – en dus worden er nog steeds mensen opgeleid die hoogstwaarschijnlijk geen baan gaan vinden.

En dat alles in weerwil van het dringende advies van de commissie-Terpstra: leid geen mensen op in de Nationale Zorgklas als je die geen werk kunt bieden. ‘Dat advies was helder’, meldt een woordvoerder van vws. ‘Tegelijkertijd stelt het ons voor een ingewikkeld dilemma. Het opleiden van mensen kost namelijk tijd. Als de tweede en derde golf flink hoger waren uitgevallen en de nzk pas was gaan opleiden zodra de vraag vanuit zorgorganisaties was gekomen, waren we te laat geweest. vws koos ervoor de nzk in staat te stellen preventief te beginnen met het opleiden van deze mensen, zodat ze klaar zouden staan mocht het nodig zijn. Maar dat brengt wel het door de commissie gesignaleerde risico van frustratie bij de deelnemers met zich mee.’

Maar hoe zit het dan met de coronabanen? Zorgaanbieders, denk aan verpleeghuizen, jeugdzorginstellingen, ziekenhuizen, de thuiszorg en de ggd’en konden tot 1 april aanspraak maken op de tachtig miljoen die de regering in februari beschikbaar maakte. Daarmee konden ze banen creëren waarmee 120 procent van de loonkosten werd gedekt. Het blijkt dat in totaal voor 38 miljoen euro is aangevraagd, waarmee 3740 tijdelijke banen zijn gecreëerd. Dat is mooi, maar toch rest de vraag waarom meer dan de helft van het beschikbare budget van tachtig miljoen niet is aangesproken.

In de jongste Stand van Zakenbrief Covid-19 geeft minister De Jonge een paar verklaringen. Organisaties vonden dat de tijd en moeite die het kost om de subsidie aan te vragen niet opwoog tegen het resultaat: tijdelijke banen. Verder zou onzekerheid over de uiteindelijke hoogte van de subsidie een rol spelen, in geval van overtekening zou de hoogte van het subsidiebedrag per baan worden gekort. En tot slot constateert ook de minister het beperkte ‘absorptievermogen’ van zorgorganisaties.

© Rafal Milach / Magnum / ANP

Ik ben bijna drie maanden verder en overweeg het bijltje erbij neer te gooien. Maar dan krijg ik een telefoontje van Extra Handen. Een zorginstelling met meerdere locaties in de omgeving van Haarlem zoekt een welzijnsmedewerker – een coronabaan. Sterker, op de dag dat ik mijn sollicitatie heb (tien minuten, via Zoom) worden er tientallen mensen aangenomen. Dezelfde avond nog hoor ik dat ik op 1 april aan de slag kan op een gesloten instelling voor ouderen met dementie.

Het tehuis bestaat uit dertien woningen met elk acht bewoners, die allemaal hun eigen kamer hebben. Aan de straatkant hebben de woningen een eigen ingang. Elke woning heeft tevens een huiskamer, waarvan de meeste uitkijken op een groot grasveld. Bewoners vinden het leuk om naar kinderen te kijken die daar spelen. Buurtgenoten zwaaien in het voorbijgaan enthousiast naar de bewoners. Aan de achterkant zijn de woningen met een stelsel van gangen met elkaar verbonden. Daar bevinden zich de kantoren van de medewerkers, maar ook gemeenschappelijke ruimtes. Zo is er een bioscoopje, een atelier waar het zang- en tekenclubje bij elkaar komt en een imitatiebushalte. Bewoners kunnen op een paar stadsbusstoelen plaatsnemen waarna ze op een groot videoscherm kunnen kijken hoe de bus door Haarlem rijdt.

De eerste dagen verdwaal ik voortdurend. De gangen lijken sprekend op elkaar en alleen met een plattegrond op zak weet ik mijn weg te vinden. Op die gangen kom je steeds dezelfde bewoners tegen. Zoals Theo, die altijd luid neuriet en stram voorbij marcheert. Of Kees, in een rolstoel, die vertelt dat hij met zijn vrachtwagen naar Engeland moet en vraagt hoe hij naar buiten komt. Eenmaal thuis betwijfel ik of ik dit werk lang ga volhouden. ’s Nachts lig ik wakker en denk aan Petra, een vrouw van mijn leeftijd die me als een zombie aankijkt. Of aan Kees, die keer op keer met een angstige blik in zijn ogen vraagt: ‘Mag ik naar huis?’ Of aan knikkebollende Greet, die de hele tijd ‘Hallo-o! Hallo-o!’ roept. Ik vraag me af hoe ik, zonder noemenswaardige opleiding of ervaring, iets voor hen kan betekenen.

Van corona merk ik weinig. Medewerkers dragen een mondkapje, maar anderhalve meter afstand bewaren is onmogelijk. Voor het eerst sinds een jaar schud ik weer handen. Verzorgers geven bewoners knuffels. Afgezien van een paar weigeraars zijn de meeste bewoners en personeelsleden gevaccineerd. Een aantal bewoners is vorig jaar aan corona overleden, maar een grootscheepse uitbraak heeft zich hier niet voorgedaan. De verzorgers praten niet graag over wat ze toen hebben meegemaakt. Eigenlijk hadden ze nog het meest te stellen met de families, die maanden niet op bezoek mochten komen. Dan stonden familieleden huilend, of met paniek in de ogen, buiten voor het raam van de huiskamer. En dat zorgde voor veel onrust bij bewoners. Anderen eisten op hoge toon toch binnengelaten te worden. Dan zeiden ze: ‘Niemand ziet het toch? Dan kan ik mijn moeder toch wel even een knuffel geven.’

Op een ochtend speel ik in een van de huiskamers een spelletje Pim-pam-pet. Twee bewoners doen mee, de anderen willen niet. De een probeert tergend langzaam een boterham weg te werken, een ander houdt een babypop vast, waar ze heel rustig van wordt. Steeds moet ik de regels opnieuw uitleggen. De meeste vragen zijn te hoog gegrepen. Waar kun je in wonen met een H? De bewoners kijken me aan alsof ik gek ben. Op de vraag ‘Een vis met een N’ roept Agnes enthousiast: ‘Neushoorn!’ Agnes vraagt om de vijf minuten hoe ik heet. ‘Ken ik jou?’ En als het over een van de vaste verzorgers gaat: ‘Wie is dat?’ We spelen een minuut of twintig als de vraag ‘Wat doe je op je brood’ met een K voorbij komt. ‘Kaas’, roept een vrouw die de hele ochtend al in haar eigen wereld leek verzonken opeens vanaf de andere kant van de huiskamer.

Na een week blijkt dat er gelukkig ook bewoners zijn waar ik wel mee uit de voeten kan. Marijke, die altijd als ze me ziet begint te schaterlachen (oké, dat doet ze bij iedereen). Jan, die alles wat los en vast zit ontvreemdt en in zijn pyjamabroek stopt. En natuurlijk de flirtende Truus van de zangles. Ik begin me zowaar een beetje thuis te voelen en te begrijpen wat ik hier voor de bewoners zou kunnen betekenen. Het is precies wat de recruiter van Extra Handen me bij het eerste intakegesprek vertelde: ‘Het gaat om het sociale, een bakkie doen.’ De truc – en de uitdaging – is in het ‘nu’ te zijn, niet over het verleden beginnen, of aan de toekomst denken. Een soort mindfulness met bejaarden in feite.

Aan het eind van de tweede week leg ik bij de koffie een kaartje met een bewoner. Opeens staat de teamleider, die ik alleen op mijn eerste dag een keer heb gesproken, achter me. ‘Jeroen, kun jij even meekomen?’ Ik had haar juist vanochtend een mail gestuurd. Omdat ik nu in de zorg werk, kon ik me bij de ggd laten vaccineren, Maar op de dag van mijn afspraak werd het AstraZeneca-vaccin door het kabinet in de ban gedaan en nu werk ik hier al twee weken zonder te zijn ingeënt. En dus had ik haar gevraagd of zij misschien een oplossing wist.

Maar het blijkt om iets anders te gaan. Ze neemt me mee naar een vergaderzaaltje waar de hr-adviseur klaar zit. ‘Ons is ter ore gekomen dat jij undercoverjournalist bent.’ Nu heb ik de afgelopen jaren, voor onder andere de Volkskrant, inderdaad verschillende undercoverreportages gemaakt. Dat neemt niet weg dat ik hier gewoon onder mijn eigen naam heb gesolliciteerd en op mijn cv staat dat ik journalist ben. Ik vertel dat ik de intentie heb om hier naar mijn beste kunnen als welzijnsmedewerker te functioneren en daarover een artikel te schrijven. En nee, dat laatste heb ik niet van tevoren gemeld.

Dat is reden om me per direct op non-actief te zetten – ‘en omdat er met kwetsbare mensen wordt gewerkt’. Ik moet mijn sleutels inleveren, krijg nog net even de kans om afscheid te nemen van mijn collega’s en word dan door de teamleider naar de voordeur begeleid.

Ik neem dezelfde dag nog ontslag, en zo komt na drie maanden wachten op een baan als zij-instromer in de zorg mijn carrière na krap twee weken al weer tot een einde. Gelukkig staan er genoeg ‘extra handen’ klaar om mijn plek in te nemen.


Extra Handen voor de Zorg laat weten dat mensen zonder zorgervaring zich inmiddels niet meer kunnen aanmelden. Sommige namen zijn om privacyredenenveranderd