Hoe verder met de anti-globalistische beweging?

Een barst in de geschiedenis

De anti-globaliseringsbeweging zou op sterven na dood zijn. Naomi Klein vindt van niet. Wel is ze ervan overtuigd dat er na 11 september iets fundamenteel is veranderd. Misschien zijn de beeldenoorlogen tussen grote merken en de Beweging bijna afgelopen.

Hoe schokkend het ook moet zijn voor New Yorkers, in Toronto, de stad waar ik woon, zijn lantaarnpalen en brievenbussen volgeplakt met posters die reclame maken voor een plan van anti-armoede-activisten om op 16 oktober het zakendistrict te «sluiten». Op sommige posters, die vóór 11 september zijn opgehangen, staat zelfs een foto van wolkenkrabbers met een rode omlijning: de buitenranden van de aangewezen zone voor directe actie. Veel mensen hebben ervoor gepleit O16 af te gelasten, net als andere protestacties en demonstraties, uit eerbied voor de sfeer van rouw — en uit angst voor verhoogd politie geweld.

Maar de sluiting gaat door. Uiteindelijk veranderen de gebeurtenissen van 11 september niets aan het feit dat de nachten kouder worden en de recessie nadert. Ze veranderen niets aan het feit dat in een stad die werd omschreven als «veilig» en, oké, «misschien een beetje saai», veel mensen deze winter zullen sterven op straat, net als vorige winter, en de winter daarvoor, tenzij er onmiddellijk meer bedden worden gevonden.

Toch staat vast dat die gebeurtenis, de militante toon ervan en de keuze van het doelwit verschrikkelijke herinneringen en associaties zullen losmaken. Veel politieke campagnes wacht eenzelfde, en plotselinge, verschuiving.

Na 11 september bevinden strategieën die zijn gebaseerd op het aanvallen — zelfs vreedzaam — van machtige symbolen van het kapitalisme, zich in een sterk veranderd semiotisch landschap. Per slot van rekening waren de aanslagen daden van een zeer reële en gruwelijke wreedheid, maar het waren ook daden van symbolische oorlogvoering, en zo werden ze ook direct begrepen. Zoals Tom Brokaw en vele anderen stelden: de torens waren niet zomaar gebouwen, het waren «symbolen van het Amerikaanse kapitalisme».

Als iemand wier leven grondig is vervlochten met wat sommigen «de anti-globaliserings beweging» noemen, en anderen «anti-kapitalisme» noemen (en wat ik enigszins lui gewoon «de beweging» zou willen noemen), vind ik het moeilijk om in deze tijd discussies over symboliek te vermijden. Over alle anti-corporatieve tekens en betekenaars — de logo’s van een vastgelopen cultuur, de guerrillaoorlog-vormgeving, de keuzes van politieke doelen en te bestoken merken — die de dominante metaforen van de beweging uitmaken.

Veel politieke tegenstanders van anti-corporatief activisme gebruiken de symboliek van de aanslagen op het World Trade Center en het Pentagon om hun stelling te onderstrepen dat jonge activisten, die guerrillaoorlogje spelen, nu te grazen zijn genomen door een echte oorlog. De overlijdensberichten verschijnen al in kranten over de hele wereld: «Anti-globalisering is achterhaald», roept een typische kop. Het is, volgens de Boston Globe, «aan flarden». Is dat waar? Ons activisme is al eerder dood verklaard. Sterker nog, het wordt met ritualistische regelmaat vóór en na elke mas sa demonstratie dood verklaard: onze strategieën zijn blijkbaar in opspraak geraakt, onze coalities verdeeld, onze argumenten ondoordacht. Toch lijken die demonstraties alleen maar groter te zijn geworden, van vijftigduizend mensen in Seattle tot driehonderdduizend in Genua.

Tegelijkertijd zou het dom zijn om net te doen alsof er niets is veranderd sinds 11 september. Dit drong onlangs tot me door, terwijl ik keek naar een diaserie die ik had samen gesteld vóór de aanslagen. Hij gaat over hoe anti-corporatieve beeldtaal steeds meer wordt overgenomen in de marketing van bedrijven zelf. Op één dia staat een groep activisten die de etalageruit van een Gap-winkel met verf bespuiten tijdens de anti-WTO-demonstraties in Seattle. Op de volgende staan de nieuwste displays in de etalage van Gap, met eigen prefab graffiti-woorden als «Independence» in zwart erop gespoten. De volgende dia toont een beeldje uit het Sony Playstation-spel State of Emergency, waarin anarchisten met erg cool haar stenen gooien naar kwaadaardige ME’ers die de fictieve American Trade Organization beschermen. Toen ik voor het eerst deze beelden achter elkaar zag, verbaasde ik me over de snelheid waarmee bedrijven zich aanpassen. Het enige wat ik nu kan zien is hoe die kiekjes uit de corporatieve versus anti-corporatieve beeldenoorlog onmiddellijk werden overschaduwd, weggeblazen door 11 september als speelgoedautootjes en figuurtjes op de set van een rampenfilm.

Ondanks — of juist dankzij — het veranderde landschap houdt het in herinnering waarom die beweging sowieso koos voor het voeren van symbolische strijd. De beslissing van de Ontario Coalition Against Poverty om het zakendistrict te «sluiten» kwam voort uit enkele zeer specifieke en nog steeds relevante omstandigheden. Als zoveel anderen die proberen problemen met betrekking tot economische ongelijkheid op de politieke agenda te krijgen, had de groep het gevoel dat ze was genegeerd, buiten het paradigma gehouden, verdwenen en gereconstrueerd als een bedelaarsprobleem dat harde nieuwe wetgeving vereiste. Ze beseften dat waar ze tegen moesten optreden niet een lokale politieke vijand was of een bepaalde handelswet, maar een economisch systeem — de gebroken belofte van gedereguleerd, trickle-down-kapitalisme. En zo was de volgende uitdaging een strategische: hoe organiseer je je tegen een ideologie die zo uitgestrekt is dat ze geen randen heeft; zodat overal nergens lijkt? Waar is de bouwplaats van verzet voor hen die geen werkplaatsen hebben om te sluiten, die leven in gemeenschappen die voortdurend worden ontworteld? Waar vinden we nog houvast wanneer zoveel dat machtig is, virtueel is — valutahandel, aandelenkoersen, intellectueel eigendom en geheime handelsovereenkomsten?

Het korte antwoord was, tenminste vóór 11 september, dat je gewoon alles pakt wat je pakken kunt: het merk-imago van een beroemde multinational, een effectenbeurs, een vergadering van wereldleiders, een enkele handelsovereenkomst of, in het geval van de Toronto-groep, de banken en bedrijfshoofdkantoren die de motoren zijn die die agenda laten draaien. Alles wat, hoe kortstondig ook, het ongrijpbare wezenlijk maakt, de uitgestrektheid op een of andere manier een menselijke schaal geeft. Kortom, je vindt symbolen en je hoopt dat ze metaforen voor verandering worden.

Bijvoorbeeld, toen de Verenigde Staten een handelsoorlog tegen Frankrijk begonnen omdat dat waagde met hormonen opgepept rundvlees te verbieden, trokken José Bové en de Franse Boerenfederatie niet de aandacht van de wereld door te schreeuwen over invoerbelasting op Roquefort-kaas, maar door «strategisch» een McDonald’s te «ontmantelen». Nike, Exxon Mobil, Monsanto, Shell, Chevron, Pfizer, Sodexho-Marriott, Kellogg’s, Starbucks, The Gap, Rio Tinto, British Petroleum, General Electric, Wal-Mart, Home Depot, CitiGroup en Taco Bell — ze hebben allemaal ontdekt dat hun blinkende merken altijd licht wierpen op allerlei dingen: van rundergroeihormoon in melk tot mensenrechten in de Nigerdelta; van arbeidsmisbruik van Mexicaanse tomatenplukkers in Florida tot oorlogsfinanciering van oliepijpleidingen in Tsjaad en Kameroen; van het broeikaseffect tot sweatshops. In de weken na 11 september zijn we er vele malen aan herinnerd dat Amerikanen niet echt goed geïnformeerd zijn over de wereld buiten hun grenzen. Dat mag waar zijn, veel activisten hebben het afgelopen decennium echter geleerd dat die blinde vlek voor internationale zaken overwonnen kan worden door campagnes te koppelen aan beroemde merken — een effectief, zij het vaak problematisch wapen tegen bekrompenheid. Deze corporatieve campagnes hebben, op hun beurt, achterdeuren open gezet naar de geheimzinnige wereld van internationale handel en financiering, naar de Wereld Handels Organisatie, de Wereldbank en, voor sommigen, naar vraagtekens bij het kapitalisme zelf.

Maar deze strategieën hebben ook bewezen dat ze op hun beurt een gemakkelijk doelwit kunnen zijn.

Na 11 september begonnen politici en deskundigen meteen de terroristische aanslagen te interpreteren als onderdeel van een continuüm van anti-Amerikaans en anti-corporatief geweld: eerst het raam op Starbucks, en dan, waarschijnlijk, het WTC.

Redacteur Peter Beinart van de New Republic bemachtigde een obscure posting aan een anti-corporatieve internet-chatroom die vroeg of de aanslagen waren uitgevoerd door «een van ons». Beinart concludeerde dat «de anti-globaliseringsbeweging (…) voor een deel een beweging is die wordt gedreven door haat jegens de Verenigde Staten» — immoreel nu de Verenigde Staten onder vuur liggen.

In een geestelijk gezonde wereld zouden de terreuraanslagen, in plaats van voeding te geven aan zo’n reactie, vragen oproepen over waarom VS-inlichtingendiensten zoveel tijd besteedden aan het bespioneren van milieu activisten en Onafhankelijke Media Centra en niet van de terroristennetwerken die massamoord beraamden. Jammer genoeg ziet het ernaar uit dat na de harde aanpak van activisme voor 11 september, infiltratie en politiegeweld alleen maar zullen toenemen, met uitgebreide surveillantie. Het is ook waarschijnlijk dat de anonimiteit die een kenmerk is geweest van anti-kapitalisme — maskers, bandana’s en pseudoniemen — meer verdacht zal worden in een cultuur die zoekt naar geheime speurders in haar midden.

Maar de aanvallen zullen ons meer kosten dan onze maatschappelijke vrijheden. Ze zouden ons ook, ben ik bang, onze weinige politieke overwinningen kunnen kosten. Fondsen ten bate van de aids-crisis in Afrika verdwijnen, en toezeggingen om kwijtschelding van schulden uit te breiden, zullen ongetwijfeld volgen.

Het verdedigen van de rechten van immigranten en vluchtelingen was een belangrijk doel aan het worden voor de directe-actie-menigte in Australië, Europa en, langzaamaan, de Verenigde Staten. Ook dit wordt bedreigd door het stijgende getij van racisme en xenofobie.

En de vrije handel, al lang in een public relations-crisis, wordt net als winkelen en baseball haastig aangemerkt als een patriottische plicht. Volgens de Amerikaanse handels afgevaardigde Robert Zoellick (die verbeten probeert meer onderhandelingsmacht te krijgen dan anderen in deze tijd van oorlogszuchtig groepsdenken) «steunt de handel de waarden in het hart van deze langdurige strijd». Michael Lewis maakt een gelijkaardige samenvoeging van vrijheidsstrijd en vrije handel als hij uitlegt, in een essay in New York Times Magazine, dat de handelaren die stierven doelwit waren als «niet zozeer symbolen maar ook beoefenaars van vrijheid. (…) Ze werken hard, ook al is het onbedoeld, om anderen te bevrijden van beperkingen. Daardoor zijn zij, bijna standaard, de spirituele antithese van de religieuze fundamentalist, wiens zaken berusten op een ontkenning van persoonlijke vrijheid uit naam van een of andere veronderstelde hogere macht.»

De strijdkreten die leiden naar de WTO-onderhandelingen van volgende maand in Qatar zijn: handel is gelijk aan vrijheid, anti-handel is gelijk aan fascisme. Het doet er niet toe dat Osama bin Laden zelf multimiljonair is met een behoorlijk indrukwekkend wereldwijd exportnetwerk dat zich uitstrekt van landbouw van marktgewassen tot oliepijpleidingen. En het doet er niet toe dat dit gevecht zal plaatsvinden in Qatar, dat bastion van vrijheid, dat is opgehouden buitenlandse visums te verstrekken, maar waar Bin Laden praktisch zijn eigen tv-programma heeft op de door de staat gesubsidieerde zender Al-Jazeera.

Onze maatschappelijke vrijheden, onze bescheiden overwinningen, onze normale strategieën — aan allemaal wordt nu getwijfeld. Maar deze crisis opent ook nieuwe mogelijkheden. Zoals velen hebben laten zien, is de uitdaging voor bewegingen voor sociale rechtvaardigheid het verbinden van economische ongelijkheid met de veiligheidsproblemen die ons nu allemaal in hun greep hebben — vasthoudend aan het idee dat rechtvaardigheid en gelijkheid de meest houdbare strategieën zijn tegen geweld en fundamentalisme.

Maar we kunnen niet naïef zijn, alsof de uiterst reële en aanhoudende dreiging van meer onschuldige slachtoffers zal verdwijnen door politieke hervormingen alleen. Er moet sociale rechtvaardigheid zijn, maar er moet ook rechtvaardigheid zijn voor de slachtoffers van deze aanslagen en onmiddellijke, praktische preventie van toekomstige. Terrorisme is zonder meer een internationale dreiging, en het is niet begonnen met de aanslagen in Amerika. Terwijl Bush de wereld uitnodigt om mee te doen in Amerika’s oorlog en de Verenigde Naties en de internationale gerechtshoven aan de kant schuift, moeten wij hartstochtelijke verdedigers van werkelijk multilateralisme worden, en eens en voor altijd het etiket «anti-globalisering» afwijzen. Bush’ «coalitie» representeert niet een echt globaal antwoord op terrorisme, maar betekent de internationalisering van de doelen van de buitenlandpolitiek van één land — het handelsmerk van Amerika’s internationale betrekkingen, van de WTO-onderhandelingstafel tot Kioto: je bent vrij om mee te doen volgens onze regels of geheel buitengesloten worden. We kunnen deze verbindingen niet maken als «anti- Amerikanen», maar als ware internationalisten.

We kunnen ook weigeren om mee te doen aan een optelsom van lijden. Sommigen ter linkerzijde hebben gesuggereerd dat de uitbraak van medelijden en rouw na 11 september buiten proporties is, zelfs vaaglijk racistisch, vergeleken bij reacties op grotere wreedheden. Zonder meer is de taak van degenen die claimen dat ze onrecht en lijden verafschuwen niet om gierig medelijden te verdelen alsof het een beperkt voorradig handelsartikel was. Zonder meer is de uitdaging om de wereldwijde reserves aan medelijden te vergroten, in plaats van ze spaarzaam te controleren.

Daarbij: is de golf van wederzijdse hulp en steun die deze tragedie oproept zo anders dan de humanitaire doelen waar deze beweging naar streeft? De straat-slogans — Mensen vóór Winst, de Wereld is Niet Te Koop — zijn overduidelijke en fysiek gevoelde waarheden geworden voor velen in de nasleep van de aanslagen. Er is woede over het vooruitzicht van woekerhandel.

Er worden vragen gesteld over de wijsheid om cruciale diensten als luchthavenveiligheid over te laten aan private bedrijven; over waarom er financiële reddingsoperaties zijn voor vliegmaatschappijen maar niet voor de arbeiders die hun banen kwijtraken. Er is een vloedgolf van waardering voor alle soorten arbeiders in de publieke sector. Het komt erop neer dat «het gemeenschappelijke» — de openbare ruimte, het publieke bezit, het non-corporatieve, wat we altijd hebben verdedigd, wat op de onderhandelingstafel in Qatar ligt — op het moment zoiets als een herontdekking ondergaat in de Verenigde Staten.

In plaats van aan te nemen dat Amerikanen alleen om elkaar kunnen geven als ze zich opmaken om een gemeenschappelijke vijand te doden, zouden degenen die zich bezighouden met het veranderen van gedachten (en niet simpel ruzies winnen) dit moment moeten aangrijpen om deze meest humane van reacties te verbinden met de vele andere arena’s waarin menselijke behoeften de voorkeur moeten krijgen boven bedrijfswinsten, van aidsbehandeling tot dakloosheid. Zoals Paul Loeb, de schrijver van Soul of a Citizen, het verwoordt, ondanks de oorlogshitserij en verstrengeling met de xenofobie: «Mensen lijken bezorgd, kwetsbaar en buitengewoon aardig voor elkaar. Deze gebeurtenissen zouden heel goed in staat kunnen zijn om ons te laten uitbreken uit onze afgeschermde gemeenschappen van het hart.»

Dit zou een dramatische verandering vereisen in de strategie van activisten, een die veel meer is gebaseerd op substantie dan op symbolen. Maar dan nog, al ruim een jaar is het grotendeels symbolische activisme bij topontmoetingen en tegen individuele corporaties aangepakt binnen de beweging. Er is veel dat onbevredigend is aan het voeren van een oorlog van symbolen: Het glas versplintert in de McDonald’s-etalage, de vergaderingen worden naar steeds verder afgelegen locaties verplaatst — maar wat dan nog? Het zijn nog steeds slechts symbolen, façades, representaties.

Vóór 11 september begon er al een nieuwe stemming van ongeduld voet aan de grond te krijgen, een eis om sociale en economische alternatieven te presenteren die zowel de wortels van onrecht als de symbolen ervan aanpakken, van landhervormingen tot slavernijherstel.

Het lijkt nu het goede moment om de krachten van zowel nihilisme als nostalgie binnen onze eigen gelederen het hoofd te bieden, en tegelijkertijd meer ruimte te maken voor de stemmen — die komen uit Chiapas, Pôrto Alegre en Keral — zodat we laten zien dat het inderdaad mogelijk is om imperialisme het hoofd te bieden en tegelijkertijd veelzijdigheid, vooruitgang en ver doorgevoerde democratie te omarmen.

Onze taak, die nooit zo dwingend was, is aan te tonen dat er meer dan twee werelden beschikbaar zijn, alle onzichtbare werelden te onthullen die liggen tussen het economisch fundamentalisme van «McWorld» en het religieuze fundamentalisme van «Jihad».

Misschien zijn de beeldenoorlogen bijna afgelopen. Een jaar geleden bezocht ik de universiteit van Oregon om een verhaal te houden over anti-sweatshop-activisme op de campus die de bijnaam Nike U draagt. Daar ontmoette ik studentenactiviste Sarah Jacobson. Nike, vertelde ze, was niet het doel van haar activisme, maar een instrument, een manier om toegang te krijgen tot een uitgestrekt en vaak amorf economisch systeem. «Het is een doorgangsmedicijn», zei ze blijmoedig.

Jarenlang hebben wij in deze beweging ons gevoed met de symbolen van onze tegenstanders — hun merken, hun kantoorgebouwen, hun topontmoetingen-met-mogelijkheden-voor-goede-foto’s. We hebben ze gebruikt als yells bij onze acties, als doelen, als middelen voor volksopvoeding. Maar die symbolen waren nooit de echte doelen; zij waren de hefbomen, de handvatten. Ze waren wat ons de mogelijkheid gaf, zoals de Britse schrijfster Katharine Ainger het omschreef, «een barst in de geschiedenis te openen».

De symbolen waren altijd slechts doorgangen. Nu is het tijd om er doorheen te gaan.

Naomi Klein is columnist van De Groene Amsterdammer en auteur van het boek No Logo: Taking Aim at the Brand Bullies, dat onlangs in het Nederlands werd vertaald (uitg. Lemniscaat).

Vertaling: Rob van Erkelens

© The Nation / De Groene Amsterdammer