Holland Festival China houdt van traditioneel theater

Eén been richting vernieuwing

Het Chinese poëtische, theatrale Kunqu staat op de Unesco-erfgoedlijst. Exotisch en onbekend, ook in China zelf. Toch kan iedereen het begrijpen: jongens worden verliefd op meisjes.

HET HOLLAND FESTIVAL brengt de meer dan vijfhonderd jaar oude Kunqu-klassieker De jade haarspeld naar Amsterdam. Een tot in de perfectie gestileerde komedie van de traditionele Chinese opera uit de Ming-dynastie. Drama, klucht, poëzievoordracht, muziek, zang en dans in de stijl die geldt als een van de oudste, meest verfijnde en zeker ook meest elitaire nog bestaande vormen van Chinees theater. Sinds 2001 staat Kunqu vermeld op de Lijst van Meesterwerken van Oraal en Immaterieel Erfgoed van de Mensheid van de Unesco.
Voor wie deze voorstelling uit vrees voor ondoorgrondelijke Chinese exotica liever aan zich laat voorbij zou laten gaan, heeft hoofdrolspeelster Wei Chunrong wel degelijk aanmoedigende woorden. ‘Alles aan Kunqu is zeker voor buitenlanders natuurlijk vreemd: de muziek, de zang, de bewegingen, maar totaal onbegrijpelijk is het zeker niet’, zegt ze tijdens een repetitie in Beijing. 'Zo is de basis van Kunqu-opera’s haast altijd een simpele en universele liefdesgeschiedenis die overal ter wereld en te allen tijde te waarderen valt. Ik denk dat het voor het buitenlandse publiek het best is om zich in eerste instantie vooral daarop te concentreren en te proberen de vorm waarin het verhaal op de planken wordt gebracht te waarderen. Overigens geef ik dat advies ook meestal in China, want veel kennis over Kunqu bestaat hier ook niet meer.’ Inderdaad zullen liefhebbers van romantic comedy zich waarschijnlijk best kunnen amuseren met dit verhaal van toneelschrijver Gao Lian (1527-1609), want het Jane Austen-gehalte is hoog. Pan Bizheng is een veelbelovende maar wat naïeve student die vanwege een ziekte zakt voor zijn examen. Bedrukt duikt hij onder in het taoïstisch klooster waar zijn tante de scepter zwaait. Aldaar loopt hij de beeldschone en opvallend vrijgevochten novice Chen Miaochang tegen het lijf. Uiteraard raken de twee na komische verwikkelingen onuitsprekelijk verliefd, maar het geluk lijkt van korte duur als tante op de hoogte raakt van de schandelijke escapades. Pan wordt onverbiddelijk de deur uitgezet om zijn examen opnieuw af te leggen en als hij daarvoor dan toch met glans slaagt, keert hij triomfantelijk terug naar het klooster om zijn geliefde te claimen. Eind goed, al goed. Dergelijke feelgood-thema’s vormen ook de basis voor vermaarde Kunqu-opera’s als De westelijke kamer en Het pioenroospaviljoen.
'Jongen wordt verliefd op meisje, dat kan iedereen begrijpen’, zegt sinoloog en Kunqu-kenner Annemarie Montulet. 'Heel veel moeilijker voor het overgrote deel van het Chinese publiek is het hoge poëtische gehalte van de teksten. Dat is een van de redenen waarom deze als elitair geziene operavorm het zeker voor het thuispubliek moet afleggen tegen de veel later ontwikkelde Peking-opera. Lekkere vechtscènes met veel acrobatisch spektakel komen er tenslotte niet in voor.’
Maar zoals soms stratenmakers nog wel eens indrukwekkende stukken Puccini kunnen fluiten, schijnt het ook dat tijdens de Ming-dynastie Kunqu-melodieën over de Chinese boerenvelden galmden. Vooral in het zuiden van het land was de kunstvorm tot in de achttiende eeuw wel degelijk onder het volk diep geliefd. Kunqu betekent letterlijk 'muziek uit het Kunshan-gebergte’ en oorspronkelijk was het precies dat. Het was de toneelschrijver en dichter Liang Chenyu (1519-1591) die het op de planken bracht met de opera Het wassen van de zijden sjaal. Toen dat een daverend succes bleek, kwam er een eeuwen durende stroom nieuwe Kunqu-stukken op gang, maar aan die populariteit kwam uiteindelijk toch een einde toen het keizerlijk hof en aanverwante kringen de kunstvorm gaandeweg claimden. De oorspronkelijk levendige teksten werden op een deftiger cultureel niveau getild en raakten als resultaat voor het gewone volk obscuur tot het punt van onbegrijpelijkheid. Het muziektempo werd vertraagd en drama’s werden veelal eindeloos uitgesponnen. De meest geroemde Kunqu-opera, Het pioenroospaviljoen, duurt in één versie meer dan twintig uur en bestaat uit 55 aktes. Volgens expert Wang Shiyu bestaat er zelfs een ultra-marathonuitvoering die 'tien dagen en tien nachten’ zou moeten duren. Of die ooit op de planken is gebracht is niet duidelijk.

VANAF ZO'N HONDERD jaar geleden was het dus de veel sensationelere Peking-opera die de massa’s amuseerde en met de daaropvolgende communistische machtsovername en de intens anti-elitaire Culturele Revolutie leek Kunqu net zoals eerder oudere Chinese operavormen definitief te worden begraven en vergeten. 'Toen ik als tienjarige op een operaopleiding verzeild raakte vond ik dat de Kunqu-afdeling bevolkt werd door stokoude mensen’, lacht operaster Wei Chunrong. 'Maar omdat ik als ondeugend werd gezien vonden mijn ouders dat ik wel discipline kon gebruiken en was het dus uitgerekend Kunqu waar ze me indeelden. Als doodgewoon kind wilde ik niet meer dan dansen en zingen en de eerste jaren waren dan ook ronduit frustrerend. Of ik er spijt van heb? Nee, absoluut niet. Ik heb onder de grootsten van mijn tijd getraind.’
Wie als buitenstaander een Kunqu- of willekeurig andere Chinese operaopvoering bekijkt vraagt zich gemakkelijk af in hoeverre de uitvoerenden uitwisselbare pionnen van de traditie zijn. Iedere toon en iedere gesticulatie zijn overduidelijk vol van eeuwenoude symboliek. Chinese operavormen lijken door de tijd dusdanig gepolijst, gestileerd en uiteindelijk verstard dat er van individuele inbreng nauwelijks sprake zou kunnen zijn. Een suggestie waar zowel Wei Chunrong als ook collega Wang Zhenyi zich echter heftig tegen verzet. Boven het podium van de ruimte waar ze een uitvoering van De westelijke kamer repeteren hangt een spandoek waarop te lezen is: een minuut op het podium kost tien jaar training. Volgens Wang Zhenyi klopt die tekst helemaal, maar daar moet naar zijn mening wel aan worden toegevoegd dat die minuut dan wel naar het inzicht van de uitvoerder mag worden ingevuld. 'Ik ben een mens van deze tijd en om eerlijk te zijn weet ik niet hoe Kunqu er in vroeger eeuwen uitzag. Wat ik wel weet is dat wij er net zoals eerdere generaties alleen onze eigen expressie aan kunnen geven zoals onze opvolgers dat ongetwijfeld ook zullen doen. Als onze kunst een toekomst heeft, dan zal dat alleen daaraan te danken zijn.’ Wei Chunrong gaat een stap verder en denkt bovendien dat er grote veranderingen op komst zijn binnen de Kunqu-traditie: 'Om het relevant te krijgen voor deze tijd zijn er, vind ik, vergaande ontwikkelingen nodig. Hoe het resultaat er precies uit moet gaan zien durf ik niet te zeggen.’
Vernieuwing dus, maar dat ligt in de bakermat zelf zeker nog niet zo gemakkelijk. China heeft momenteel zes professionele gezelschappen, maar zoals het bezoek vandaag aan het Beijingse Noordelijk Chinees Kunqu Theatergezelschap pijnlijk duidelijk maakt, wordt daar door de overheid geen cent te veel aan besteed. Het verstofte ommuurde hoofdkwartier doet nog het meest denken aan een maoïstisch staatsbedrijf waar sinds het einde van de ijzeren rijstkom twintig jaar geleden geen spijker of lik verf of schoonmaakmiddel voor het toilet aan is verspild. Een gelijkenis die zeker geen toeval is, aldus Montulet: 'De ijzeren rijstkom bestaat in het hele land niet meer, maar juist in de operawereld nog wel. Om dat toch zo glad mogelijk te laten verlopen zijn het juist de meest conservatieve partijleden die het binnen die kringen te zeggen hebben. Tegelijkertijd is de subsidie te weinig om van te leven en te veel om te sterven en dat leidt dus tot helemaal niets. Ondertussen klussen acteurs bij. De een is autoverkoper en de ander onroerendgoedmakelaar.’
En het is blijkbaar niet alleen nieuwlichterij waar de apparatsjiks voor huiveren. Dertien jaar terug brak een internationale rel uit nadat de censuur had besloten een eerste volledige twintig uur durende opvoering van Het pioenroospaviljoen in New York te verbieden met als reden dat de vierhonderd jaar oude klassieker feodaal, pornografisch en bijgelovig zou zijn. Decorstukken die al waren ingescheept werden weer aan wal gezet en het Shanghai Kunqu Theatergezelschap moest de vliegtickets inleveren. Volgens Montulet zat achter de weigering echter niets anders dan ordinair bureaucratisch gehakketak: 'Het was een gedeeltelijk buitenlandse productie en dat zat sommigen niet lekker. Vandaar.’ De voorstelling werd een jaar later alsnog vertoond in het Lincoln Center met acteurs die buiten medeweten van hun gezelschappen toch naar Amerika reisden.
Niet verwonderlijk dan ook dat bijna alle belangrijke pogingen om het theater nieuwe impulsen te geven van buiten het Chinese Kunqu-systeem komen. Zo bracht de Amerikaanse theatermaker Peter Sellars samen met Tan Dun een hedendaagse omstreden Chinees/Engelstalige versie van Het pioenroospaviljoen waarin de uitvoerenden videocamera’s met zich meedragen. En ook de in Amerika gevestigde Taiwanese schrijver Kenneth Pai (Bai Xianyong) bracht van dit werk een eigen versie, waarmee hij zelfs in het orthodoxe China wel degelijk enorm succes oogstte. 'Een been in de traditie en een been richting vernieuwing’, zegt sinoloog Montulet. 'Dat zou voor Kunqu de meest interessante ontwikkeling zijn. Zoals in Europa barokorkesten wortelen in traditie maar wel degelijk een eigen stem hebben.’

Kunqu, 11 en 12 juni, Stadsschouwburg Amsterdam