Een beetje

Mijn ouders zijn dood, dus ik kan het ze niet meer vragen. En mijn zuster weet het niet. Maar waarom ben ik mijn hele leven getest op van alles en nog wat?

Een paar zaken weet ik nog. Ik was in mijn beide ogen gestoken door een bij (of bijen) waardoor ik een jaar blind was. De tocht naar dokter Hora Adema, met handen en voeten de trappen beklimmen en dan in lichten kijken met open ogen, terwijl ik niks zag, herinner ik me. Maar vervolgens was mijn oog-hand-coördinatie niet goed. Ik kon niet schrijven. Mijn handschrift was als van een kind van drie. Mijn i was groter dan mijn h of l en mijn ene o was een hoofd, mijn andere o een brood.

‘Zie je dat deze twee letters verschillen? Dat deze ene o groter is dan deze?’ Ja, ik zag het, en ik snapte ook niet hoe dat kwam. Mijn tong had ik op beide letters stukgebeten. Mijn letters verdwenen ook van het papier – ik schreef op de tafel door. Dat moest niet, dat wist ik wel, maar het gebeurde domweg, en dan probeerde ik de tafel schoon te vegen waardoor er vieze vlekken ontstonden.

‘Misschien een neurologisch probleem.’

Zo kwam ik terecht in een rondgang van artsen en psychiaters, van elektro-encefalogrammen en verschillende tests die voor promotieonderzoek dienden. Wat was er mis met mij?

Na mijn puberteit was het voorbij. Ik leerde van mijn zwager die kunstenaar was het Italic-schrift. Ik maakte er mijn handschrift van. Al mijn boeken en columns, ook deze, schrijf ik nog steeds gedeeltelijk met de hand.

Als puber merkte ik ook dat mijn schaamte groter werd. Er kwam ‘oorlogsschaamte’ bij. Ofschoon er over de oorlog werd gezwegen had alles te maken met de oorlog en kwam het altijd ter sprake. Bij het opstaan: ‘Denk je dat je in het kamp in je bed kon blijven liggen?’ Bij het wassen: ‘Je was blij dat je je in het kamp eens kon wassen.’ Bij het ontbijt: ‘Veertig gram rijst en een cassave, dat was alles.’ Bij de lunch: ‘Veertig gram rijst en een cassave, dat was alles.’ Bij het avondeten: ‘We vingen muizen en die vilden we en aten we op.’ Ik kon het niet horen, zeker niet als er vriendjes op bezoek waren. (Die hebben nooit iets gemerkt. Die hadden thuis hun eigen ouders met een oorlogsverleden.)

Mijn aanstellerij bewees mij vele goede diensten

De oorlog was voor mijn ouders niet geëindigd, maar dat wilden ze ook niet. De reden waarom hun leven deels mislukt was, moest voortdurend worden herinnerd; als ze het zouden vergeten, waren ze wellicht zelf te veel verantwoordelijk voor wat zij aanzagen voor hun falen.

Ik moest er weg. Maar ik was een jongen met handicaps. De tests hadden niks uitgewezen. Ik was een kwakkelaar.

Mijn naam had ‘een beetje’ moeten zijn. Ik kon alles een beetje. Beetje gitaar spelen, beetje zingen, beetje gek, beetje gezind. Een beetje te weinig. Ik vluchtte het huis uit en liet twee mensen achter wier zelfverwijt als dikke puisten en zweren over hun lichaam jeukten.

Ik genas. Een beetje.

Mijn aanstellerij bewees mij vele goede diensten.

Ik kom tegenwoordig vaak op begrafenissen. Altijd denk ik dan aan mijn ouders. Ik wilde niets met de dood te maken hebben, maar mijn ouders leken het heerlijk te vinden om gearmd rond te wandelen op de dodenakkers. Soms bleven ze bij een graf staan. Dan deed de naam ze vermoedelijk aan iemand denken. Waar spraken ze over? Ik weet het niet. Waarom wilden ze daar wandelen? Het kan niet zijn dat ze over hun eigen leven tevreden waren. Integendeel. Ik denk dat ze door tussen de doden te wandelen zich verzoenden met hun bestaan.

Maar hoe?

Hoe deden jullie dat?