Een beetje eng

Jan-Willem Anker
Donkere arena
De Bezige Bij, 48 blz., € 15,-

Blue Monday

Wie hem nadert met een knipoog

ontwijkt hij, wendt

andermans schijnbeweging voor.

Hij koerst af

op koel gonzend koolzuurlicht

om de zaal gewikkelde sluier

krachtveld dat de ruimte naar zich toe trekt.

Bij een hapering van de muziek

huivert hij

ogen donker

als de achterzijde van de maan

blik naar de schedelwand gekeerd.

Jan-Willem Anker (1978) debuteerde vorig jaar met de bundel Inzinkingen, waarvoor hij de Jo Peters Poëzieprijs ontving, en komt nu al met de opvolger, Donkere arena. In bovenstaand gedicht voert de dichter iemand op die met eyeliner rond de ogen op een of andere new wave-dansavond verzeild is geraakt, in een zaal verlicht door blacklights en stroboscopen. De titel van het gedicht verwijst naar het gelijknamige geheel instrumentale _doom-_lied van de band New Order, de ‘hapering van de muziek’ is dan de break in dat nummer, de aanrazende vliegtuigen en het bombardement, vertolkt door een batterij synthesizers en een dreunende drumcomputer. Het ademhappen in zo’n disco wordt vakkundig beschreven in strofe 2, maar het einde is wat gekunsteld mystiek, het ‘donker/ als de achterzijde van de maan’ is een te simpele vergelijking, ‘blik naar de schedelwand gekeerd’ is al beter, het is de in zichzelf gekeerde die in wanhoop de discogangers gadeslaat die in het zwart gekleed een aantal schijnbewegingen uitvoeren, als dansten ze alleen.

Morgen is je hoofd een naaldbos, bedenk je dat er stallen zijn waarin onrustig

de vechtstieren slapen. De arena is donker, verlaten nog.

Vanuit de catacomben van een stadion wordt een nog onverlicht strijdtoneel in beeld gebracht. Anker schetst daarmee het beeld van een strijdtoneel op het moment dat de strijd nog beginnen moet. Een beetje zoals Nijhoff in de evergreen Het uur U (‘er speelde in de verte op de stoep/ een groep kinderen, maar die groep/ betekende niet veel,/ maakte, integendeel,/ dat de straat nog verlatener scheen’). De tijd wordt bevroren, de lezer geraakt in een vacuüm. Een stuk terug in het gedicht Baard, waar ik juist uit citeerde, staat ook zo’n regel:

Buiten je om wikkelt zich iets af in jezelf.

Biologeert je.

Stemmingscheppend steno, die laatste twee woorden. Het is een beetje eng. De ogenschijnlijke onmogelijkheid van de eerste regel wordt logisch en aannemelijk door het haktak erna. Anker is goed in staat om met weinig woorden spanning te scheppen, ook als hij, in een ander gedicht, een slapeloze in een hotel laat luisteren naar ‘de muizen/ die woelen in de muren’ om twee gedichten later geraamtes op te voeren die ‘klepperen’, ‘zacht in de muur’. Weer later ruikt de dichter ‘een muizenlijk’. Tijdstip: ‘diep in de uitgestorven nacht’. Locatie: ‘vanachter de koelkast’.

Je oefent in stelsels

van vergeetachtigheid en categorieën van

hoop dat ooit iets anders je wakker houdt.

Ik denk dat de reden dat de bundel naast dit moois een veel te hoog aantal clichébeelden bevat, ligt in het feit dat Anker veelvuldig langs de goede smaak schuurt. Dat kan goed gaan en dan levert het geslaagde vondsten op als ‘slaap duurt een langspeelplaat’ of ‘ze spant haar lach grimas grimas/ twijgbreuk in de kaak’. Maar het kan ook leiden tot draken van regels, als een zon die een ‘halve bloedsinaasappel’ is, of stoom uit een waterkoker die ‘geen geest die zijn fles verlaat’ is. Of een meisje dat haar haren losschudt en ‘verlekkerd’ haar keel schraapt. Of ‘de koelte van kerkuilen/ de blauwdruk van een schreeuw’. Het lijkt heel wat, maar in feite is het een obligate alliteratie en een te bedachte mystificatie. De allerergste is deze:

De nacht is splinternieuw

en met ons onervaren.

Da’s guusmeeuwispoëzie die het papier doet kermen. Het eind van dat gedicht, getiteld De nacht, is ook al jammer: ‘We zien onze schimmen/ gebaren in het raam// alsof we naar elkaar seinen/ ons vast willen klampen/ als mistige drenkelingen’. Het is tandeloze Titanic-romantiek die gedichten in de bundel die wél deugen overboord duwen. Zoals dit:

Onrust

Je voelt je een lichaam van onzuiver materiaal. Zonlicht dramt tussen de

wolken. Stel dat de wind gaat liggen. je bloed ergens stolt, je stem breekt

midden in de zin.

In de spiegel verander je zienderogen. Je bent bang voor wrijving, misstap,

valstrik. Je snelt van openingszin naar afscheidskus, haast zonder de aarde te

raken.

Soms lijkt het of je over een berg naar beneden wordt gedreven door iemand

met een prikstok. Als de afgrond steeds naar achteren schuift, ben je blij dat je

mag rennen.

Dit is taal die de wenkbrauwen omhoog doet gaan. De onbeholpenheid van een man die in paniek raakt tijdens het maken van een kletspraatje. Die verandert van een toffe buurman in een nagewezen gek. ‘Soms lijkt het of je over een berg naar beneden wordt gedreven door iemand met een prikstok.’ Dat is een regel die je pas écht aanneemt als je zelf op straat wordt aangesproken en verbijsterde blikken oogst als je je midden in een zin met een hoofd als een tomaat uit de voeten maakt.