Ik probeer een beetje te ontzamelen. Nee, dat klinkt gewichtiger dan ik het bedoel. En ik ben geen museum. Nee, het komt er eigenlijk gewoon op neer dat ik wat probeer op te ruimen. Want wat mijn vriendin ook moge beweren: ik probeer wel degelijk zo af en toe wat op te ruimen – ‘achter mijn reet’. Om maar gewoon helemaal concreet te worden: het gaat om de laatste verhuisdoos. Het ding is haar – en daar kan ik echt wel in komen – een doorn in het oog. Dat hij ‘enorm in de weg’ zou staan is natuurlijk onzin, maar hij staat inderdaad al zeker anderhalf jaar op de overloop en – en dat geef ik dus ook gewoon toe – het is ook weer niet zo dat je zegt: dat ding staat daar prima.

Er zitten een paar honderd schijfjes in die ik niet kon afspelen omdat het apparaatje dat ik speciaal daartoe had aangeschaft bij nader inzien zo goedkoop was dat ik vooraf had moeten weten dat het sowieso niet zou doen wat het beloofde wel te zullen doen.

Maar nu heb ik dan toch een nieuw ding gekocht en zit ik braaf een voor een de inhoud van al die schijfjes te bekijken, alvorens ik ze alsnog in de prullenbak gooi. Het merendeel bevat films in een resolutie die zo laag is dat ze zelfs aan mijn telefoon nog een hooghartig lachje zouden doen ontlokken. Verder kom ik vooralsnog alleen dingen tegen die ik al eindeloos vaker opnieuw heb opgeslagen op harde schijven die ik ook al jaren niet meer heb bekeken. Ik zou de hele doos in één keer kunnen weggooien, maar de vrees dat er dan iets onvermoeds verloren zou gaan is toch te groot.

De Amerikaanse schrijver Charles Baxter hield een paar jaar geleden een lezing waaraan ik sindsdien bijna wekelijks terugdenk. Niet omdat de inhoud nu zo schokkend of origineel was maar omdat de alledaagse werkelijkheid daartoe telkens weer lijkt uit te nodigen. Baxter vertelde over wat hij als de taak van de schrijver zag: vastleggen wat op het punt staat voorgoed te verdwijnen. Hij vertelde over de hoedenspeld die zijn moeder droeg en over de voile die haar gezicht bedekte. Hoe gewoon was dat toen, en hoelang had hij al niet meer zo’n vrouw als zijn moeder gezien? Schrijvers zouden zich de hoedenspelden moeten herinneren en de voiles, zei hij, maar nog belangrijker is het dat ze ‘zich herinneren hoe het voelde om te zijn waar je was, en vast te leggen wat je zag en ervoer, en een emotionele inventaris op te bouwen die ook de objecten van het verleden bevatte. En vervolgens is het belangrijk om je de bijna onbewuste culturele normen te herinneren, die misschien ook nu langzaam wegglippen.’

Dat zich ergens in je een emotionele inventaris vormt van de dingen die er niet meer zijn, de dingen die we niet meer doen, dat is toch ook gewoon waar volwassen worden op neerkomt. Als je niet te veel in het nu leeft vormt zich langzaam een gevoel voor de dingen die veranderen en de dingen die constant blijven.

Alles wat op de schijfjes was vastgelegd leek bij een andere wereld te horen

Hier was mijn bewaarzucht de constante, terwijl alles wat er op die schijfjes was vastgelegd bij een andere wereld leek te horen. Muziek die was geript en gebrand, woorden die nooit hun nieuwigheid verloren, totdat ze uit mijn actieve vocabulaire verdwenen omdat ik Napster had geïnstalleerd en een iPod had gekocht, met een soort wieltje op zijn buik dat een heerlijk klikkend geluid maakte als je er met je vinger overheen streek.

Maar het is meer dan alleen een inventaris van de dingen van vroeger, het is een besef van hoe de vanzelfsprekendste manieren waarop we door het leven bewegen o zo efemeer kunnen blijken te zijn. Een vaag besef van hoe anders de dagen eruitzagen, hoe anders wijzelf waren en hoe onverbiddelijk die werkelijkheid is verdwenen.

Een paar weken geleden bezorgde een man in een busje een grote doos met daarin een bijna even grote doos met daarin een boek dat bijna zo groot was als beide dozen. In The Color of A Flea’s Eye: The Picture Collection heeft de Amerikaanse fotografe Taryn Simon de idiosyncratische beeldenverzameling van de openbare bibliotheek van New York vastgelegd. The Picture Collection bestaat uit kaarten, posters, fotoafdrukken en uit boeken geknipte plaatjes die volgens een fantasierijk systeem zijn gerubriceerd. Het wonderlijkst zijn de beelden die ze maakte van de inhoud van schijnbaar willekeurige folders. Aan het begin onder meer ‘Animals – Humans, as’, ‘Dead, The’, ‘Costume – Veil’, ‘Explosions’. En tegen het einde bijvoorbeeld ‘Rat Catching’, ‘Rear Views’, ‘Sound’, ‘Smells’, ‘Taxation’, ‘Wealth’, ‘Wounded’.

Deze zomer, kort nadat Simons boek was verschenen, werd bekend dat de bibliotheek van plan was de verzameling – die ruim honderd jaar vrij toegankelijk was geweest en niet alleen kunstenaars als Joseph Cornell en Andy Warhol inspireerde maar ook een eindeloze stoet ontwerpers, onderzoekers en schrijvers – te archiveren. De conservatoren hadden het gewonnen van degenen die het als hun taak zagen de toegankelijkheid te bewaken.

Maar een snel aanzwellend protest deed de bibliotheek inbinden. De collectie zal vooralsnog vrij toegankelijk blijven voor mensen die niet op zoek zijn naar iets specifieks, voor mensen die een beetje willen verdwalen om dat te vinden waarvan ze nog niet wisten dat ze het zochten. Soms verdwijnen dingen nog even niet. De vraag die de toekomst telkens opnieuw stelt is niet alleen welke dingen, maar ook welke mogelijkheden we, onderweg naar haar, nog even willen meenemen.