De song als inspiratie

Een beetje popster

David Bowie, Oasis, The Velvet Underground of juist sferische spacemuziek. Albertina Soepboer, Menno Wigman en Thomas Möhlmann over de invloed van popmuziek op hun gedichten.

Medium interview dicters1

‘Toen ik vijftien was, begon ik met het luisteren naar popmuziek. Ik was groot fan van David Bowie en de broertjes Gallagher van Oasis. Die laatsten scoorden hit na hit. Tijdens het schrijven van mijn eerste bundel, rond diezelfde leeftijd, verbeeldde ik me dat ik net als Oasis iets zou maken waarin zoveel mensen zich zouden herkennen. Wat op die schaal zou verbinden. Volstrekte hoogmoed. Dat verlangen is na de eerste bundel verdwenen. Maar de popliedjes van die tijd zitten nog in mijn hoofd. De producer van David Bowie vertelde me: de beste muziek is de muziek uit je jeugd.’

Het sentiment van Menno Wigman (1966) zou zomaar van elke dichter geboren na de Tweede Wereldoorlog kunnen zijn. Ze zijn allemaal opgegroeid met popmuziek. Met singletjes, pop-idolen, rock-’n-roll, muziekfestivals, consumentisme, de massa. Toch moeten de dichters goed nadenken wat precies de invloed is van popmuziek op hun werk. Die invloed zit misschien zo vervlochten in hun werk dat die niet meteen naar de oppervlakte te brengen is.

Albertina Soepboer (1969): ‘Het gaat om het ontdekken van wat muziek precies doet, en hoe ik dat kan gebruiken in mijn gedichten.’ Ze schrijft altijd met muziek aan. ‘Ik voel dat er een verhaal achter een album zit, dat intrigeert me. Het is groter dan ik.’ Haar laatst verschenen Friese bundel Herbarium (2014) is geschreven met het laatste album van Moby op. Haar laatste Nederlandse bundel Bezonken is geïnspireerd op één schilderij. ‘Door iets steeds te bekijken of te beluisteren, komen er telkens andere verhalen omhoog.’

Hoe intens de muziek aankomt, lijkt bij haar met de jaren te verminderen. Haar brugklasleerlingen, aan wie ze Friese les geeft, zitten altijd met hun koptelefoon op. ‘Ik zie bij hen een intensiteit, een bepaalde ontvankelijkheid, die ik vroeger ook had. En ik kan nog steeds de hele dag aan één zin denken van een liedje dat ik ’s ochtends op de radio heb gehoord.’

Ook Thomas Möhlmann (1975) heeft altijd muziek op staan tijdens het schrijven. ‘Muziek komt dan extra goed binnen. Ik hoor meer dan normaal. Mijn hoofd doet er onbewust iets mee. Er gebeurt iets magisch maar wel iets menselijks magisch.’ De perfecte muziek leidt niet af − harde rock is voor thuis − maar is wel steengoed zodat het niet gauw verveelt. Het liefst luistert hij naar singer-songwriters die hem in een dromerige en wiebelige gemoedstoestand brengen. ‘Tijdens het schrijven van mijn vorige bundel had ik een afspeellijst op Spotify die ik telkens afspeelde. David Gray, Joanna Newsom, Conor Oberst, Patrick Watson. De teksten moeten goed zijn, want af en toe vang ik onbewust zinnen op die resoneren in een gedicht.’ Neem bijvoorbeeld het gedicht Vluchtig werk. Daar zitten twee nummers van de bewuste afspeellijst in, van Newsom en Oberst, verwikkeld met zijn eigen gedachten (zie 1). ‘Het zijn verwijzingen naar hun nummers, het gedicht is ermee in dialoog. Newsom zingt over vluchtig werk, het begin van de derde alinea is een verwijzing naar Oberst. Daarnaast is er in het gedicht ook een persoon die zingt, en iemand op een podium.’ Een tekstuele invloed, maar dus ook sferisch en thematisch. Möhlmann: ‘Ik zie nu trouwens dat ik vaak het woord “liedje” gebruik in mijn bundel.’

Soepboer merkt op dat de tekstuele invloed bij haar kleiner is geworden; de sferische des te groter. Vroeger stonden muziekverwijzingen meer op de voorgrond. Komt dat doordat de muziek die ze luistert verandert? ‘Ja. Vroeger luisterde ik meer naar liedjes met een duidelijk begin en eind, liedjes met tekst. Vaak was dat populaire muziek, zoals Portishead. Nu luister ik naar sferische spacemuziek, soms duurt een nummer bijna een uur en zelden zit er tekst onder.’ In haar eerste bundels Zone en De fjoerbidders gebruikte of verwees ze regelmatig naar songteksten. Het zijn bundels met afzonderlijke gedichten. Haar recentere bundels vormen een doorlopend geheel. De gedichten zijn soms zonder eigen titel. Soepboer: ‘Toch trekt dat massale van popmuziek me nog steeds. Er is geen barrière tussen de zender en ontvanger, iedereen begrijpt het. Het is een heel bindend medium. In de poëzie is dat toch anders. Vaak bouwt taal al een muurtje tussen zender en ontvanger.’

In tegenstelling tot de vele tekstuele verwijzingen naar liedjes van Soepboer en Möhlmann kan Wigman maar één gedicht van zichzelf bedenken waar hij letterlijk een songtekst in verwerkte. Wigman: ‘Het is een nummer uit de jaren tachtig van This Mortal Coil (zie 2). De titel Song to the Siren vond ik als puber al briljant. Het gegeven van dit nummer is altijd in mijn hoofd blijven hangen.’ In de mythe verleiden de sirenen voorbijvarende schepelingen met hun prachtige gezang. In werkelijkheid zijn de sirenen monsterlijke vrouwen met vogelklauwen als benen. De schepelingen slaan kapot tegen de rotsen. In het nummer Song to the Siren draait de artiest dit om: het lied verleidt de sirenen met gezang. ‘Toen ik werd gevraagd voor de tachtigste verjaardag van Remco Campert een gedicht te schrijven, heb ik die songtekst gebruikt. Het gaat over zelfverlies, over het geluksgevoel om één te worden met het gezang van de sirenen, maar ook het verlangen om kapot te slaan.’

Medium interview dichters3

Menno Wigman drumt bij de band The Uncool

Alle drie hebben ze vroeger een instrument bespeeld. Zelfs in meerdere bandjes gezeten. Wigman werd ooit getypeerd als de dichter met een drumstel in zijn hoofd. Zijn poëzie is zeer ritmisch, kent harde slagen en woorden. Wigman: ‘Ik werk altijd met een metrum, met de gulden snede van tien lettergrepen. Het bekt lekker en het is de verborgen maïzena van een gedicht. Wist je trouwens dat popmuziek altijd vierkwartsmaats is?’ Is het vaststaande ritme in zijn poëzie beïnvloed door de pop? ‘Ik denk het niet. Al heeft het jarenlange drummen natuurlijk wel zijn gevolgen.’ Waarom werkt hij dan met een vast ritme in zijn gedichten? ‘Zolang ik het netjes en strak neerzet, kan ik de vreemdste dingen schrijven. Dan kunnen ze me niks maken.’

Tien jaar geleden besloot Soepboer met de bundel De fjoerbidders helemaal de diepte in te gaan met muziek. De hoofdrolspeler is een pianospeler en de bundel bestaat uit series gedichten, waar telkens een nummer aan vooraf gaat. ‘Met die nummers had ik altijd al iets willen doen. Zoals het nummer Candy Says van The Velvet Underground (zie 3). In de flow van de muziek schreef ik de gedichten.’

Twee jaar geleden vroeg Hein Jaap Hilarides of hij muziek mocht maken van de gedichten. ‘Ik had het niet geschreven om op muziek te zetten, maar liet hem. Wonderbaarlijk genoeg klopte het precies. Blijkbaar stond de muziek in de gedichten geschreven, want hij kon van de woorden een compositie maken.’

Het ritme van gedichten is ook mooi meegenomen tijdens het voordragen, vindt Möhlmann: ‘In mijn gedichten gebruik ik wel eens herhaling, dat klinkt toch fijn tijdens een optreden. Maar het optreden heeft geen invloed op hoe ik iets schrijf. Die herhaling is literair gemotiveerd, het is er om betekenis te geven. Niet per se voor het ritme.’ In het voordragen komt de dichter trouwens wel het dichtst bij het popsterrendom. Möhlmann: ‘Poëzie verschuift qua verschijning steeds meer naar het populaire entertainment.’

Medium interview dichters2

Albertina Soepboer

Hoe zit het ten slotte met schrijven van gedichten of songteksten? Is dat heel verschillend? Soepboer schreef verscheidene teksten voor fadozangeres Nynke Laverman en merkte dat songteksten toegankelijker moeten zijn. ‘De ontvanger moet de tekst in één keer kunnen begrijpen. Zeker bij pop. Poëzie kun je teruglezen. Als schrijver ben je minder gebonden aan refreinen, coupletten en aan andere mensen. Ik bedoel: de voordrager moet de tekst wel uit haar strot krijgen.’ Wigman schreef ooit een lied voor Maarten van Roozendaal en Spinvis. ‘Dat is toch een ander vak. In poëzie ben je vrijer. Je hoeft niet elke keer bij dat refrein uit te komen.’ Hoewel hij de laatste tijd wat moe is van de niet verrassende popmuziek herinnert hij zich wel popteksten die volgens hem niet onderdoen voor poëzie. Noem eens iets? ‘“All she does is sit and stare, wearing green underwear.” Of deze, die is ook zo goed: “What if God was one of us, just a stranger sitting in the bus.”’ Andersom is dat nooit gelukt, denkt Wigman. Het is heus geprobeerd met bekende gedichten van bijvoorbeeld Neeltje Maria Min. Maar geen gedicht werd omgetoverd tot pophit. Geen dichter werd ooit een popster.

  1. ‘Vluchtig werk’, uit Waar we wonen, Thomas Möhlmann

Vluchtig werk is het werk dat ik doe een brug
bouwt zich recht de
ruimte in we fluisteren geruststellingen
nemen een pijnstiller een
slok een taxi

onderweg zingt iemand vluchtig werk is het
werk dat ik doe en de
enige die niet beweegt ben ik op een podium
in de stad verderop
zingt iemand tegen zijn lege zaal:

Jij bent de wortels die onder mijn voeten sla
pen jij houdt de aarde op
z’n plek en vluchtig werk is werk dat ik doe en
de enige die niet
beweegt ben ik en we hebben allemaal iemand
nodig een hand
hebben we nodig allemaal hebben we het
nodig aan de hand van
iemand die niet moe is en een blik en lange
schaduwen werpen kan
en de stad als z’n broekzak kent aan de hand
van iemand (tot hier?) (…)

2. Song to the Siren, This Mortal Coil

On the floating, shipless oceans
I did all my best to smile
til your singing eyes and fingers
drew me loving into your isle.
And you sang ‘Sail to me, sail to me;
Let me enfold you.’
Here I am, here I am waiting to hold you.
Did I dream you dreamed about me?
Were you here when I was full sail?
Now my foolish boat is leaning, broken love
lorn on your rocks.
For you sang, ‘Touch me not, touch me not,
come back tomorrow.’
Oh my heart, oh my heart shies from the sorrow.
I’m as puzzled as a newborn child.
I’m as riddled as the tide.
Should I stand amid the breakers?
Or should I lie with death my bride?
Hear me sing: ‘Swim to me, swim to me,
let me enfold you.’
‘Here I am. Here I am, waiting to hold you.’

‘Tot de Sirenen’, uit Mijn naam is Legioen
(2012), Menno Wigman

Athene: banken, taxi’s, bijbeldom.
Veel apotheken ook. En steeds sirenes.
Er was – niks was – er was een bar daar dronk
je uit de jukebox van zes meisjesogen
liedjes van niks, dat liefde straalt – en stinkt.

Daarna het land in en de dorpen door,
de zee van afgebladderd blauw, de zee!
Toen weer een kroeg. Je dronk, je wist niet hoe
en later zong je de Sirenen toe:

hier bij dit wier dit lange warme wier
hier sta ik dat mijn stem dat nu mijn stem
mijn hart mijn fallus alles wat ik ben

dat ik kapotsla op een klip één spits
en hoog en loomwit zingend ogenblik

  1. Candy Says, uit De fjoerbidders, Albertina Soepboer

Ze gleed over het parket en ze was zijn
prinses op de piano, piccola bitchy.
Ik hing in de gordijnen, kauwde op zijn
overgeschoten korsten en slappe sla.
Call me Candy. Wier benen hij likte.
Wier schone adem hij opvrijde. Wie weet.
Haar song haalde ik uit de afvoer, smeerde
spuug op de spiegels. Candy says: stjer.


Beeld: (1) Menno Wigman drumt bij de band The Uncool (Rogier Taminiau). (2) Thomas Möhlmann draagt gedichten voor in Groningen (Kees van de Veen / HH). (3) Albertina Soepboer (Merlijn Doomernik)

Kaarten voor de poëzieweek zijn nog verkrijgbaar via poezieweek.com