Een behaaglijke dictatuur

Gunter Grass, Ein weites Feld. Uitgeverij Steidl Verlag, 783 blz., f65,60
‘A WATCHED kettle never boils’ - Zou die spreuk, godbeware, soms ook een metafoor voor het lot van de hedendaagse Duitse literatuur zijn? Met veel klaroengeschal kondigt de boekhandel nu eens de nieuwe Lenz aan, dan weer de nieuwe Walser, de pas verschenen Handke, noem maar op. En nu dus Ein weites Feld, Gunter Grass’ ‘roman van de eeuw’. Maar met dezelfde fraaie regelmaat worden al die boeken door de kritiek vervolgens bijna unaniem gekraakt.

Dit keer is het schandaal echter de pan uit gerezen en heeft het het gebied van de literatuur verlaten. Verwijten vliegen over en weer - de uitgeverij wordt beticht van schreeuwerige poeha, goedkope reclamestunts, gegoochel met exclusieve voorpublikaties. De kritiek op haar beurt staat onder verdenking van rechtse gezindheid, het uitvechten van oude vetes en gebrek aan kwaliteit, kennis en inzicht wanneer ze Grass’ werk tot complete mislukking bestempelt en voor ‘onleesbaar’ uitmaakt.
Onleesbaar? Gunter Grass? Al in de jaren vijftig verwierf hij faam met de in 1979 verfilmde Blechtrommel - de bizarre, satirische, meedogenloze visie van een geniaal-amorele dwerg op opkomst en val van het Derde Rijk. Er volgde meer dan een dozijn dikke, spraakmakende werken over actuele en/of historische onderwerpen - waarbij de historische gebeurtenissen net als nu in Ein weites Feld veel parallellen vertoonden met de actualiteit.
Grass blinkt uit in het vertellen van verhalen, zijn kracht is de rijkdom van zijn taal. Met gulle hand strooit hij ontelbare episoden, sprankelende portretten, beelden, schetsen en anekdoten door zijn werk - niet allemaal even netjes, maar altijd oorspronkelijk, soms grotesk en choquerend, veelal borrelend van volkse kracht of barokke overdaad. Hij staat al jaren op de nominatie voor de Nobelprijs. De gevreesde literatuurpaus van Duitsland, Marcel Reich-Ranicki, noemde hem ooit de grootste levende Duitse schrijver en beweerde met het hem typerende aplomb dat alleen zo iemand het grootste thema en het heetste hangijzer van Duitsland - de laatste stuiptrekkingen van de DDR en de tijd daarna - zou moeten, want kunnen aanpakken.
MAAR NU stond diezelfde Reich-Ranicki als een vertoornde Mozes op de titelpagina van Der Spiegel, Grass’ boek verscheurend. In zijn recensie in de vorm van een open brief aan Grass bestempelde hij, onder herhaaldelijke betuigingen van zijn respect en medegevoel en speculerend over de vraag hoe het zo fout heeft kunnen gaan, Grass’ laatste roman wel erg nadrukkelijk als waardeloos. Een paar dagen later, tijdens het tv-programma Das literarische Quartett, liet hij bij het afkraken van Ein weites Feld alle etiquette varen en overstemde hij met zijn tetterende afkeer de dissidente mening van critica Sigrid Loffler.
Reich-Ranicki staat niet alleen. Bijna eenstemmig klinkt vanuit de belangrijkste Duitse kranten dezelfde afwijzing van Grass’ opus magnum. De Suddeutsche Zeitung zet daar echter kanttekeningen bij en enkele andere bladen stemmen in met Grass’ overtuiging dat hij om politieke redenen wordt neergemaaid. Grass veegt al zes jaar in essays, artikelen, interviews en redevoeringen de vloer aan met de Duitse eenheid en met wat er sinds de hereniging in (oost-) Duitsland gaande is. Nu doet hij datzelfde dus ook nog eens in een roman van netto 772 bladzijden.
DE CONSTRUCTIE van Ein weites Feld is bepaald niet eenvoudig. De Wiedervereinigung wordt gespiegeld in de eerste vereniging van Duitsland, die na de gewonnen Frans-Duitse oorlog in 1871 onder aegide van Pruisen door koning Friedrich Wilhelm en de ijzeren kanselier Bismarck werd doorgedrukt. Bepaalde aspecten van die Pruisische tijd zijn meesterlijk beschreven door een zeer aimabel literair confrater van Grass, de nakomeling van Franse Hugenoten Theodor Fontane (1819-1898). Hij is de auteur van onder meer Effi Briest, waarvan de laatste woorden de titel van Grass’ nieuwe roman werden.
Grass verbindt beide tijdperken door de hoofdfiguur Theo Wuttke, Fontane-specialist, ook maar meteen tot een dubbelganger van Fontane te boetseren. De overeenkomsten beginnen al bij beider geboorte in dezelfde stad, met precies een eeuw daartussen. Wuttke, bijgenaamd 'Fonty’, krijgt in de loop van de tijd het uiterlijk en de opvattingen van Fontane. Hem overkomen ook dezelfde voorvallen. Zelfs zijn gezin lijkt nogal op dat van Fontane. De hoofdpersoon is dus, moppert de kritiek, weinig origineel.
Grass scheept zijn held op met een evenmin originele tegenhanger: de spion Hoftaller. Deze is ontleend aan de hoofdpersoon van de spraakmakende roman van Hans-Joachim Schadlich, Tallhover. Die spion is echter een rare - hij is een pro forma telkens weer uitgescholden klaagmuur, een praatpaal, een deus ex machina, en ook de steun en toeverlaat van Wuttke. Een miniatuur-Mefisto, spotte een critica, die steeds het kwade wil en het goede doet. Is dat, vraagt de lezer zich af, de dichterlijke vrijheid die we voor de rest een beetje missen in deze roman? De reeel existerende Stasi was toch wel iets anders.
HET VERHAAL (voor zover dat er is) speelt zich vooral af in Berlijn en omgeving en wordt uit de doeken gedaan door een mevrouw die zich verbergt achter een 'wij van het archief’. Bedoeld is het Fontane-archief in Potsdam, waar ook Fonty werkt. Hij is er bode en zeult in een soort innere Emigration mappen van de ene verdieping naar de andere, nadat hij als veelgevraagd Fontane-specialist tijdens lezingen herhaaldelijk toespelingen maakte die de partijbonzen onwelgevallig waren.
Maar de Wende en de Wiedervereinigung maken Fonty ook niet gelukkig. Hij heeft al voor de hereniging gewaarschuwd voor een automatisch overnemen van Westduitse toestanden. De huidige situatie ervaart hij als rampzalig, als een soort Anschluss. In de voormalige DDR, nu de nieuwe deelstaten, is het kind met het badwater weggegooid. Verworvenheden als de sociale zekerheid, creches en goedkope huurwoningen zijn verloren gegaan, evenals menselijke contacten en solidariteit. Het volkseigendom is cadeau gedaan aan westerse kapitalisten van het laagste allooi; de industrie wordt vernietigd om van de concurrentie af te komen.
Dit zijn stuk voor stuk opvattingen die de auteur met zijn hoofdpersoon deelt. In de woelige maanden die volgden op november 1989 behoorde Grass samen met veel andere Duitse intellectuelen tot degenen die riepen om de beroemde 'derde weg’, een socialisme met een menselijk gezicht. De meeste roepers van toen, onder wie Christa Wolf, zwijgen nu, murw gebeukt - maar Grass is een taaie.
HET IDEE van die derde weg is niet nieuw. De verontwaardiging in 1939 over het pact tussen Stalin en Hitler deed een groot aantal antifascistische Duitse intellectuelen en publicisten het stalinisme afzweren. Maar na 1945 stootten het imperialisme en de arrogantie van de Amerikaanse (cultuur)politiek hen ook af. Toen al verzonnen ze de derde weg: geen totalitarisme, maar ook niet het kapitalisme van Amerikaanse snit. Ze verenigden zich in de beroemde Gruppe '47, die zich tot een kweekvijver voor de naoorloogse (West-)Duitse literatuur ontwikkelde. Gunter Grass maakte er prominent deel van uit.
Veel leden van deze Gruppe '47 gunden de DDR, op grond hun afkeer van de Bondsrepubliek van Adenauer, (te) lang het voordeel van de twijfel. Toen ze de tekortkomingen ervan moesten toegeven, herinnerden ze zich opnieuw de derde weg: een DDR zonder censuur, zonder tekorten en met open grenzen. Toen de Muur viel, achtten ze hun uur gekomen. Helaas hadden de oost-Duitsers geen zin in nieuwe experimenten. Boze tongen fluisteren dat sommige intellectuelen het volk niet kunnen vergeven dat het niet naar hen heeft geluisterd.
Nu, vijf jaar na de hereniging, lijkt er een proces van rehabilitatie van de voormalige DDR gaande te zijn, gestimuleerd door de ontgoocheling van zeer veel oost-Duitsers. Realistisch zijn dan ook de beelden die Grass van de DDR en van de toestanden na de hereniging schetst. 'Wat heet onrechtsstaat! Binnen deze wereld van tekortkomingen leefden we in een behaaglijke dictatuur!’ zegt Wuttke, alias Fonty, tegen zijn vrouw.
In een tv-interview heeft Grass ertegen geprotesteerd dat de kritiek hem zonder meer met zijn romanfiguur identificeert. Maar in zijn tekst heeft hij weinig tegenargumenten aangebracht en als iemand de roman zonder voorkennis leest als beeld van een tijdperk, zal hij nauwelijks begrijpen waarom totalitaire regimes zo verfoeilijk zijn. Onaardig en eigengereid, die functionarissen, maar ze deden voor de rest geen kwaad. Of neem die duistere Stasi-officier Hoftaller/Tallhover: die redt twee keer het huwelijk van Fonty, verpleegt hem en het gehele gezin als ze ziek zijn, weet zijn schattige, zartbittere buitenechtelijke Franse kleindochter - Fonty’s troost en toeverlaat op zijn oude dag - op te diepen, en helpt hem zelfs aan een Franse medaille als held van de resistance.
WAT LIEFLIJK allemaal! Zijn we de mijnenvelden en de Selbstschussanlagen al vergeten? Of de kilometers lange onderaardse tunnels met dossiers en de rijen hermetisch afgesloten glazen potten met intieme lichaamsgeuren van dissidenten, zodat zij gemakkelijk door de bloedhonden konden worden gepakt? De tragedies van de gezinnen waarin de echtgenoot zijn dissidente vrouw aanbracht en de ene broer de andere verklikte? Het onderdak geven aan en opleiden van terroristen, de horden Stasi-Romeo’s die alleenstaande secretaresses in Bonn staatsgeheimen ontfutselden? De gouden waterkranen en marmeren closetpotten van de trouwste zonen en dochters van het volk, die zich achter prikkeldraad afschermden van datzelfde volk? Het water loopt de lezer in de mond als hij bedenkt welke sappige episoden een begenadigd verteller als Gunter Grass uit de failliete boedel van de reeel- existerende DDR had kunnen peuren. Over het algemeen blijft het leven in gebreke bij (goede) literatuur, maar dit keer is het andersom.
DAT IS de ene kant. Maar er is ook een andere. In veel Duitse kranten is men verontwaardigd over het aplomb waarmee Graas spreekt over de uitverkoop van de DDR aan westerse graaiers, over de ongebreidelde expansie van een ongebreideld kapitalisme. Maar dat is vooral de verontwaardiging van critici voor wie de voormalige DDR en uberhaupt Oost-Europa een ver-van-mijn- bedshow zijn. Grass’ gruwelscenario’s over de Anschluss van de DDR aan het Westen mogen overspannen aandoen, er schuilt een grote waarheid in. Alleen, die schijnt vanuit het Westen onzichtbaar te zijn. 'Denn man sieht nur die im Lichte,/ die im Dunkeln sieht man nicht.’
Grass, de oude linkse rakker, heeft goed naar de Ossis geluisterd, wier lamento’s door zakelijker lieden in het Westen niet zelden als gezeur van werkschuwe of levensvreemde heikneuters worden afgedaan. Het is gemakkelijk Grass te verwijten dat hij geen verschil ziet tussen de vereniging 'te vuur en te zwaard’ van 1871 en de vereniging 'door het volk’ van 1989, maar feit is dat datzelfde volk nu ontgoocheld is. Veel van de ondernemende fortuinzoekers die aan de nieuwe deelstaten westerse know-how verkopen, blijken vooral hun eigen zakken te willen vullen. Feit is ook dat de geheime diensten en partijbonzen veelal de grootste kapitalisten zijn geworden (Hoftaller: 'Wir mischen mit, Fonty! Ohne uns geht nichts!’). Het oude communisme en het kapitalisme zoals dat welig tiert in de voormalige DDR (en in de rest van Oost-Europa) zijn tweelingbroers, beweert de auteur. Het is verbazingwekkend dat het gescheld op Grass’ eenzijdige kijk op de hereniging totaal voorbijgaat aan de Oosteuropese ontgoocheling, die niet alleen de PDS in de Bondsdag bracht, maar ook de voormalige communisten terug aan de macht in veel Oosteuropese landen. De stem van de Ossis hoort men niet. Terwijl het toch interessant zou kunnen zijn wat die zouden vinden.
DER SPIEGEL publiceerde in juli een enquete over het nieuwe zelfbewustzijn van de inwoners van de voormalige DDR, en over de actuele 'Ostalgie’: de heimwee naar de oude tijden, die volgens die enquete onder de meeste Ossis leeft. Meer dan de helft van hen vindt het slechter gaan dan ze hadden verwacht. Nu, vijf jaar na de hereniging, komt de DDR er op zeven van de negen punten van vergelijking beter van af dan de Bondsrepubliek: criminaliteit, gelijke rechten van de vrouw, sociale zekerheid, school- en beroepsopleiding, medische verzorging, woningen. Alleen in levensstandaard, wetenschap en techniek scoort de Bondsrepubliek hoger.
In twee van de meest leesbare hoofdstukken uit Ein weites Feld (over het huwelijk van Martha) laat Grass de priester zeggen: 'Wir sind uns ja alle fremd geworden, leider, bis in die Familien hinein. Wir kennen uns nicht. Wir erkennen einander nicht.’ Of, zoals 67 procent van de Ossis in de Spiegel-enquete het stellen: 'Die Mauer ist weg, aber die Mauer in den Kopfen wachst.’ De kritieken in de meest vooraanstaande (west-)Duitse kranten lijken dit helaas ook te bewijzen.
Is het boek nu echt zo slecht geschreven? Onleesbaar was Grass nog nooit, en dit keer ook niet. Het blijft een kwestie van smaak. In deze roman is de taalenergie die we uit zijn eerdere werken kennen, getemd tot een elegant keuvelende toon die goed bij Fonty/Fontane past. Maar door deze conversatietoon is het boek juist best leesbaar, al zouden enkele beschouwingen wat korter kunnen.
Die lichtvoetigheid waar hij vroeger eerder een Sturm und Drang-achtige woordenschat hanteerde, is zelfs een bewijs voor Grass’ veelzijdigheid. Net als vroeger beheerst hij de kunst om elke figuur een eigen taal te laten bezigen - van de persklare volzinnen van Fonty/Fontane (sommige zijn aan de historische Fontane ontleend), via het meer volkse idioom van buurvrouw Inge, tot de Franse elegantie van de Gallische kleindochter. Het boek ademt een haast biedermeier- achtige idylle. En dat had men nu net niet van Grass verwacht.