Andries van Dantzig, 23 december 1920

Een beheerste en lange woede

In het toneelstuk Moeder Courage en haar kinderen van Bertolt Brecht komt een scène voor die over woede gaat. «Moeder Courage» is een bijnaam. Ze heet eigenlijk Anna Fierling. Ze reist dwars door een oorlog, met een huifkar vol spullen die ze verkoopt. Ze is de Super De Boer van de oorlog. Van íedere oorlog. Oorlog is voor haar: handel. Ze raakt aan die gedachte, mentaliteit zo u wilt, al haar drie kinderen kwijt. De kortste samenvatting van het toneelstuk die Brecht gaf luidde: «Moeder Courage leert niks.»

Is niet helemaal waar, denk ik. In de vierde scène komt ze een jongen tegen die enorm kwaad is. Er is hem in die oorlog iets aangedaan. Wát doet er niet toe. Het is te onbenullig voor woorden. Maar hij is woedend. Moeder Courage stelt dat joch een boeiende vraag. Die gaat over zijn woede: «Hoe lang ben jij woedend, hoe lang verdraag jij geen onrecht? Een uur of twee? (De jongen mompelt iets.) Zie je – je woede is al bekoeld. Je woede duurt niet lang genoeg. Als je woede wel lang genoeg zou duren, zou ik je ophitsen. Maar kijk nou naar jezelf. (Een militaire superieur schreeuwt tegen de jongen dat hij moet gaan zitten. Hij gaat zitten.) Kijk nou. Zij roepen: zitten! En je zit al. En als we zitten, dan is er geen opstand. (De jongen gaat weer staan.) Ga nou niet weer staan! Voor mij hoef je je niet te generen. Ik ben geen haar beter. Ons hebben ze al onze lef afgekocht.» Moeder Courage zingt daarna voor de jongen een lied. Over De Grote Capitulatie. Over dat zij, Anna Fierling, Moeder Courage, zichzelf ál haar lef heeft laten afkopen. Als ze uitgezongen is loopt de jongen weg. Hij snapt het. Zijn woede is niet lang genoeg.

Iedere keer als ik teksten van de psychiater Andries van Dantzig lees, iedere keer als ik hem tijdens bijeenkomsten of op radio of televisie hoorde spreken, de spaarzame keren dat ik hem in levenden lijve ontmoette, moest ik denken aan die ene scène uit Moeder Courage en haar kinderen. De woede van Andries van Dantzig was enorm lang. Die woede was niet om-zich-heen-slaanderig. En verre van kortademig. Andries van Dantzig moet een rustgevende reus zijn geweest. Een mannelijke Moeder Courage. Die de defecten dacht te kennen van onze mensensoort. En die wist: woede duurt nooit lang. Die zich daarna (bijna klinisch) afvroeg: laten we eens kijken waar de korte woede eigenlijk vandaan komt? Zullen we die korte woede eens rustig analyseren? En: wat zijn de effecten? Wat zijn de defecten? Wat wordt er door die korte woede aangericht?

Professor dr. A. (Andries) van Dantzig was bijzonder hoogleraar psychotherapie, hoofd van de psychiatrische polikliniek van de Universiteit van Amsterdam en mede-oprichter en voorzitter van de Stichting Reflectie- en Actiegroep Aanpak Kindermishandeling. Bovenal was Van Dantzig een socraat. En volbloed dialecticus (in de hegeliaanse/brechtiaanse zin van dat begrip): niks is waar, er bestaat geen gelijk, er bestaan alleen maar innerlijke tegenstrijdigheden. Montaigne (de Franse denker en «uitvinder» van het essay (het geschreven «probeersel») moet een prominente plek op zijn werktafel hebben gehad. «Wat weet ik eigenlijk?», Montaigne’s motto, is een kernvraag in het werk van Van Dantzig. En dat is geen slechte startvraag voor een onderzoeker van de defecten bij de menselijke soort, voor een psychotherapeut/psychiater.

Er zijn in het werk van Van Dantzig waarschijnlijk duizenden gebieden van individuele interesse (het landschap van zijn talloze, geestelijk verwonde patiënten bijvoorbeeld), maar in ieder geval vier, het individu overstijgende terreinen geweest, waarop hij actief was, velden die hij doorploegde, landerijen waarop hij zijn wijsheid zaaide, over onbegrepen afwijkingen van dat wat voor normaal wordt gehouden: homoseksualiteit, abortus, euthanasie en kindermishandeling. Het waren allemaal terreinen die je uit morele overwegingen lange tijd niet mocht betreden, legde Van Dantzig geduldig uit. Mensen die daar kwamen, moesten rekenschap afleggen tegenover God en de mensen. Naar motieven werd niet gevraagd. De getroebleerde homo’s, abortusartsen en euthanasieplegers werd de maat genomen met de meetlat van het geloof, de moraal van de polderlandse middelmaat.

Neem homoseksualiteit. Andries van Dantzig heeft op afstand de geestigste samenvatting gegeven van die «afwijking»: «Homoseksualiteit is in de bijbel een uitspatting van blasé heteroseksuelen uit Sodom en Gomorra, die lust zoeken op nóg een manier, nadat ze alle andere hebben geprobeerd. Pas in de twintigste eeuw is de waarheid zichtbaar geworden, namelijk dat homoseksualiteit een eigen aandrift is, die zich aan betrokkenen even natuurlijk voordoet als heteroseksualiteit aan zodanig gevormden.»

Het lezen van deze zinnen viel samen met het eerste moment dat ik over mijn eigen «afwijking» homerisch moest schaterlachen. Van Dantzig was een van de eerste psychiaters die in een abortusteam plaatsnam, uitsluitend en alleen om gynaecologen, die bijna allemaal uit principe tegen abortus waren, te vragen eens rustig met de uit pure nood om hulp vragende vrouwen te gaan praten. Van Dantzig: «Die vrouwen bleken geen slechte of lichtzinnige mensen te zijn, maar mensen in nood, en voor vrijwel allemaal was abortus het enige antwoord op hun levensprobleem.» Zinnen om in te lijsten. Net als die in het gesprek tussen een politica, een arts en de psychiater in De Groene Amsterdammer van 16 december 2000. Onderwerp: levensbeëindiging, euthanasie. De latere staatssecretaris Ross-Van Dorp zei: «Ik heb het gevoel, ook bij sommige euthanasiegevallen, dat je dan iemand opgeeft terwijl dat niet nodig is. Dat je verder niets anders kunt betekenen dan hem te bevestigen in zijn doodswens. Dat vind ik vreselijk moeilijk. Voor mij blijft de cruciale vraag wanneer je lijden mag stoppen met de dood.» Van Dantzig: «Maar doodgaan is doodgewoon. Als je dat zo inziet is dit debat niet nodig. De meeste mensen kunnen dat niet. Beseffen jullie wel dat de geneeskunde vreselijker dingen doet dan euthanasie verlenen? Ze zet benen af, ze haalt ogen uit.»

Voor homo’s, vrouwen die om abortus vragen en zinloos lijdende patiënten die hun leven op een humane wijze wensen te beëindigen, zijn uiteindelijk emancipatiebewegingen ontstaan. Dat heeft lang geduurd, maar ze zijn er gekomen, actiegroepen voor belanghebbenden: COC, Dolle Mina, Vereniging voor Vrijwillige Euthanasie. Aangekomen op het vierde terrein dat Andries van Dantzig tot het zijne maakte, de kindermishandeling, concludeerde hij: «De narigheid met mishandelde kinderen is dat zij de eerste belanghebbenden zijn, maar niet in staat tot acties. Mishandelde kinderen zijn bijna allemaal van hun gevoel voor eigenwaarde ontdaan. Zij schamen zich voor wat er gebeurd is, zoals wij allemaal weten hoe wij ons voor onze ouders konden schamen als die iets geks deden – en het lijkt mij daarom begrijpelijk dat uit die groep het voortouw niet genomen zal worden.»

Van Dantzig sprak deze woorden in een rede tijdens het symposium «Wie zal de opvoeders opvoeden?» ter gelegenheid van het verschijnen van een proefschrift van Jan Willems in oktober 1999. Die toespraak is een wonder van dialectisch vernuft. Andries van Dantzig doet er een voorstel dat over het algemeen eng en gevaarlijk wordt gevonden: dat de samenleving ingrijpt in het privé-leven, althans dat – als we kindermishandeling vroeg willen opsporen – «een zekere doorzichtigheid van de privé-sfeer nodig is». Van Dantzig: «Waarom vinden we dat zo erg? Omdat we groepsdieren zijn. Innerlijk verdeelde wezens. We willen onze zin doen, én we willen erbij horen. Maar om erbij te horen moeten we inleveren. En thuis kunnen we tot op zekere hoogte onze zin doen. (Tussen haakjes: een van de oorzaken van kindermishandeling ligt bij mensen die buitenshuis veel moeten inleveren en daarom thuis niet meer willen inleveren – wat zich slecht verdraagt met kinderen hebben.) Tegenover thuis is buiten de vijandige buitenwereld. Die willen we niet in huis halen als controleur van hoe we met onze kinderen omgaan – want we weten allemaal hoeveel beter dat kan. (…) Tot nu toe worden psychische problemen meer en meer uit de sfeer van de openbare bemoeienis gehaald en dus weer tot privé-zaak verklaard, precies zoals dat gebeurt met de niet-ontdekte kindermishandeling. De voornaamste reden daarvoor is dat de overheid zich niet in staat acht een goed antwoord te geven op de massaliteit van de vraag naar geestelijke gezondheidszorg voor, wat ik maar noem ‹gewone mensen›. Over nut en noodzaak van psychotherapie valt misschien te twisten, maar niet over nut en noodzaak van het voorkómen van kindermishandeling.»

Van Dantzig gaf er altijd de cijfers bij: minstens tachtigduizend mishandelde kinderen per jaar, elk jaar tachtig door ouders of opvoeders gedode kinderen.

Hij zou er zeker bij zijn geweest, op 20 november, in Podium Mozaiek – een voormalige moskee in de Amsterdamse wijk Bos en Lommer. Waar Shehab Saddal, Racquelle Bannink, Chantal Swart, Ahmed el Jennouni, Abdelkarim Elbaz, Abdoelah Nadi, Dalorim Wartes en Isabella Sarican (gemiddelde leeftijd: zestien jaar), onder leiding van regisseurs Jona Rens en Har Tortike, hun voorstelling STUK speelden, over de eigen ervaringen met kindermishandeling. Deel van de voorstelling is een gesprek met de zaal. Daarin veel hulpverleners uit de kinderbescherming, de Kindertelefoon en Advies & Meldpunt Kindermishandeling.

Van Dantzig stierf een kleine twee weken eerder. Zijn spiritualiteit zweefde als een mooie wolk boven deze voorstelling. Op zijn crematie sprak Jan Willems, schrijver van Wie zal de opvoeders opvoeden? Hij herinnerde zich dat Andries van Dantzig begin 2000, bij de oprichting van de Reflectie- en Actiegroep Aanpak Kindermishandeling, verzuchtte: «Wat zijn actievoerders tegenwoordig toch oud.» Andries voelde zich overigens geestelijk achttien jaar. En dat wás hij ook – een puber die hardnekkig bleef puberen, dus: dóórvragen tot de zich «volwassen» noemenden er krankjorum bij neervielen. Jan Willems, bij de crematie: «Van Hugo de Groot is gezegd dat hij als een man is geboren. Grotius vir natus est. Men vond hem vroeg wijs, een wonderkind. Dries is voor mij een wondermens. Wijs vond ik alles wat ik van hem las. Wijs vond ik alles wat hij op de vele lezingen die hij gaf, zei. En wijs, heel wijs, vond ik de manier waarop hij het zei. Een wondermens zoals hij mensen bezielde, troost en kracht gaf. Veel te jong is hij gestorven.»

Andries van Dantzig is 84 jaar geworden. Zijn woede was lang. Mild. En wijs.=Andries van Dantzig, 8 november 2005.