Collegezaal van de Universiteit Leiden, jaartal onbekend © Nationaal Archief / Rijkvoorlichtingendienst

Wetenschappers hebben nogal eens de neiging van hun eerste scheet een concert voor het leven te maken. Sterker nog: zoiets wordt aan academies zelfs gepropageerd. Je promoveert op een klein onderwerp, blijft aan de universiteit hangen en produceert vervolgens jarenlang variaties op hetzelfde thema. Wel zo veilig. Het gebeurt immers zelden dat iemand van het thema zoveel weet als jij. Minimaal risico, succes verzekerd, kostje gekocht.

Wie kwaad wil zou bij Willem Otterspeer iets vergelijkbaars kunnen vermoeden. Hoewel hij een flinke uitstap richting Willem Frederik Hermans maakte, publiceerde hij vooral over het onderwerp waarover ook zijn eerste publicatie en zijn dissertatie gingen: de Leidse universiteit. Hij schreef daarover vier flinke boeken, een aantal detailstudies (over Bolland en Huizinga onder meer) en een handvol derivaten van die boeken. Ook was hij langdurig directeur van het Leids Academisch Historisch Centrum en uiteindelijk zelfs hoogleraar universiteitsgeschiedenis – de eerste in Nederland met zo’n titel. Allemaal variaties op hetzelfde thema dus. Een makkie?

Het tegendeel is waar. Dit om twee redenen. De eerste is het onderwerp. De tweede de wijze waarop Otterspeer daarmee omgaat.

Een universiteit lijkt een klein onderwerp. Ze is het niet

Een universiteit kan een klein onderwerp lijken. Ze is het niet. In het opmerkelijk weloverwogen laatste hoofdstuk van zijn vierdelige reeks over de Leidse universiteit zet Otterspeer de thematiek van zijn levenswerk nog ’s op een rijtje en noemt een universiteit een vertaalmedium, zeg intermediair. Zoals ze ooit, in haar middeleeuwse beginfase, stond tussen zwaard en kruis, zo stond ze in latere fases steeds weer tussen andere, vaak zeer diverse polen: dogma en proefondervinding bijvoorbeeld, of staat en stad, oude en nieuwe waarheid, elite en volk, traditie en vernieuwing. Boven dit laatste hoofdstuk heeft Otterspeer met een knipoog naar de novelle van Hermans de titel ‘Het behouden huis’ geplaatst. Inderdaad, dat is een universiteit. Verschil is dat dit huis, anders dan dat van Hermans, tot op heden wél behouden bleef. Verschil is ook dat wat in dit geval behouden wordt niet zozeer iets concreets is (bij Hermans: vissen, stenen) als wel iets immaterieels: een idee. Want conform de aristotelische deugdenleer (be)houdt de universiteit in de eerste plaats de gulden middenweg: het goede ligt halverwege de uitersten.

De universiteit (be)houdt de gulden middenweg echter niet als een kind z’n beer of een conservatief het verleden. Juist niet. Met verwijzing naar de wijze lezing waarmee Dolf Cohen, op dat moment rector magnificus, in 1975 de vierhonderdste verjaardag van de universiteit van Leiden herdacht, stelt Otterspeer dat de wortel van zowel de morele als de intellectuele kwaliteit van wetenschap twijfel is, ‘heilzame twijfel’. Wetenschap bloeit bij middelpuntvliedende kracht maar dat slaagt alleen als haar hoedster, de universiteit, de kunst van het evenwicht beheerst. Otterspeer toont het in zijn werk over de Leidse universiteit steeds weer, ook in dit deel. Vandaar, mede, dat ‘strategie van de aanpassing’ uit de ondertitel: ‘aanpassen aan de nieuwe tijd, aan nieuwe goden en nieuwe gebruiken’ was vereist.

Otterspeer beschrijft deze strategie meesterlijk. Evenals in de andere delen volgt Otterspeer ook in dit deel van zijn universiteitsgeschiedenis niet zonder meer de chronologie. Die volgt hij wel maar op slim-speelse wijze. In het onderhavige deel begint hij met een flink deel context (over welke tijd hebben we het, hoe werd daarin wetenschap gezien, wat was haar taak binnen de samenleving, hoe ging de overheid met haar om?) en komt vervolgens met het verhaal. Daarin wisselen chronologie (‘1876-1885. Het liberale bolwerk’ et cetera) en thematiek (‘Laboratoria’, ‘Professoren’, ‘Studenten’) elkaar steevast af. Zo vertelt het laatste deel van dit boek, over de naoorlogse jaren, niet alleen over de zuiveringen van de jaren veertig en de experimenten van de jaren zestig maar ook over verschillende opvattingen van wetenschap en de manieren waarop de diverse faculteiten het onderwijs verzorgden. Het panorama blijft daardoor breed én speels. Een saai van-toen-naar-toen verhaalt Otterspeer nooit.

Het meest bekende deel van de twintigste-eeuwse Leidse universiteitsgeschiedenis wordt vanzelfsprekend gevormd door de oorlogsjaren, met de Cleveringa-lezing als scharnier. Ook onlangs, in de kwestie Cliteur, kwam die periode weer ter sprake. Vanzelfsprekend is Otterspeer als geen ander van deze uitzonderingspositie op de hoogte. Het zal een van de redenen zijn dat hij over die jaren een apart en eerder verschenen deel van zijn universiteitsgeschiedenis publiceerde: Het horzelnest, uit 2019. De titel is ontleend aan de nsb’er Robert van Genechten. Meer dan wie ook maakte hij de gelijkschakeling van de Leidse universiteit tot zijn project.

Zoals bekend liep dat project op een mislukking uit en ging Leiden in de loop van 1941 dicht. Anders dan op de andere Nederlandse universiteiten was in Leiden van aanpassing dus geen sprake. Dat zal de andere reden zijn dat Otterspeer aan deze periode een apart boek wijdde: hij past eigenlijk niet in zijn verhaal. Er waren wel mensen die aanpassing wensten (onder wie afgestudeerden als mijn vader, hij wordt in Het horzelnest uitvoerig beschreven, in niet de meest fraaie rol) maar over het algemeen zeiden hoogleraren en studenten nee tegen de nieuwe tijd. Velen betaalden daarvoor een hoge prijs. Hiermee deed Leiden haar naam voor de tweede keer in de geschiedenis eer aan. De eerste keer leidde tot haar oprichting, te midden van de strijd tegen de Spanjaarden. Nu gebeurde het tijdens de strijd tegen de Duitsers: de universiteit als bolwerk van vrijheid; als het daarop aankwam was in Leiden van aanpassing geen sprake. Dat is niet alleen mooi maar ook veelzeggend.