Een bepaald soort meisje

Het probleem is dat alles op een gegeven moment een cliché wordt, ook het omgekeerde van een cliché. Zwakke vrouwen, sterke vrouwen, gekkinnen.

Er was een tijd dat iedereen verliefd was op Natalie Portman in Garden State en Kirsten Dunst in Elizabethtown. Lekker gekke, dromerige meisjes waren dat, girls next door maar met een twist. Totdat een filmcriticus ze ontmaskerde als seksistische fantasieën van mannelijke scriptschrijvers en de term Manic Pixie Dream Girl (MPDG) muntte. De MPDG werd een archetype van jewelste, zozeer dat de term zélf een cliché werd – en de bedenker ervan met afgrijzen moest toezien hoe die allerlei vrouwen in de popcultuur, o ironie!, volkomen reduceerde.

Het nieuwe credo luidt dat de populaire cultuur vrouwelijke personages nodig heeft die schaamteloos unlikeable zijn. Die, anders dan de MPDG, hun leven niet in dienst stellen van een al dan niet neerslachtige jongeman, maar gewoon van zichzelf. Die niet zwoel in de regen dansen, maar in de plassen stampen en de modder onder je neus wrijven. Egoïstische vrouwen, marginale vrouwen, ontaarde moeders, queers, heksen, moordenaressen. Onversneden lust, ontrouw, agressie, gekte zonder zachte randjes.

Zulke personages passen bij een feministische agenda van nu, waarin het begrip ‘vrouw’ op alle mogelijke manieren wordt gedeconstrueerd. Afgelopen jaar las ik Eileen van Ottessa Moshfegh (shortlist Booker Prize 2016), waarin het gelijknamige hoofdpersonage zuipend, slikkend, kotsend en onbemind haar dagen slijt als secretaresse in een troosteloze jeugdgevangenis. Ik las het lovend ontvangen debuut van Sally Rooney, Conversations with Friends, waarin de eenentwintigjarige Frances groot drama maakt van trivialiteiten en er nauwelijks meer een onderscheid bestaat tussen een ‘ik’ dat zichzelf representeert en een ‘ik’ dat ook daadwerkelijk een innerlijk leven heeft. Een schaamteloos narcistisch meisje, dat een roman lang in de poel van haar eigen ego tuurt.

Egoïstische en marginale vrouwen, queers, heksen, moordenaressen passen bij de feministische agenda van nu

Recentelijk las ik ook Her Body and Other Parties, de verhalencollectie van Carmen Maria Machado, een debuut dat hoge ogen gooide in de VS en onlangs werd genomineerd voor een National Book Award. Machado vermengt genres als sciencefiction, gothic horror en het sprookje, om de mogelijkheden van de vrouwelijke stem te onderzoeken, die in haar universum altijd onlosmakelijk verbonden is met het lichaam – dat geweld wordt aangedaan, ziek is, seksueel genot ervaart (met mannen maar vooral met vrouwen), woedend om zich heen schopt en slaat, gek wordt, overleeft. Het is een uitgesproken politiek boek, dat naadloos past in een tijd als deze, en door critici over het algemeen wordt beschouwd als wild, origineel, moedig en hoog literair.

Hoewel Machado in de voetsporen treedt van een heel scala aan vrouwelijke schrijvers vóór haar – in het verhaal Mothers worden onder anderen, en niet toevallig, Audre Lorde, Kay Ryan en Patricia Highsmith genoemd – moest ik het meest denken aan Shirley Jackson, die in de jaren veertig en vijftig de vrouwelijke psyche exploreerde door de bril van het spookverhaal, en daar vooral om werd uitgelachen en genegeerd. De complexe psychologische romans die ze schreef werden gereduceerd tot genrefictie, zijzelf en haar vrouwelijke personages tot gekke heksen. Niet serieus te nemen door mannen, en niet bevrijd genoeg voor de feministen.

Het verbaast me niks dat juist Shirley Jackson dit jaar zo’n comeback maakte: haar boeken zijn queer as folk. Haar vrouwen ontsnappen voortdurend aan hokjes, zijn soms onverhuld gay en hun ervaring is eerst en vooral geworteld in het lichaam, dat springt, rent, danst, eet, zich verbergt, dingen stuksmijt en de absolute afgrond van doodsangst ondergaat.

Jackson was haar tijd ver vooruit, moeten we nu concluderen. En dat is misschien wat er ontbreekt aan de verhalen van Machado, en ook aan de romans van Moshfegh en Rooney: ze passen zo perfect in deze tijd dat hun wildheid en originaliteit soms wat geaffecteerd en zelfs geleend aanvoelt. Achter in Machado’s boek worden drie volle pagina’s gewijd aan acknowledgments: The Iowa Writers’ Workshop wordt bedankt, The Clarion Science Fiction & Fantasy Writers’ Workshop, Sycamore Hill Writers’ Workshop en nog een legioen aan losse schrijfdocenten. Het vat samen wat je terugleest in de bundel, en niet alleen omdat een van de langere verhalen gaat over een schrijver in een schrijversresidentie. Het zit allemaal goed in elkaar, maar het is op een bepaalde manier zo kéurig. De post-apocalyptische wereld is precies wat je van een post-apocalyptische wereld zou verwachten, een aangereden haas wordt netjes gehalveerd en zelfs als er een kop rolt, heeft dat iets van een bal die elegant in het doel wordt geschoten.

‘Perhaps you’re thinking that I’m a cliché – a weak, trembling thing with a silly root of adolescent trauma, straight out of a gothic novel’, spreekt de verteller de lezer toe in The Resident. Ik denk inderdaad dat ze een cliché is. Door wijd om een valkuil heen te lopen, viel haar maker in een andere.