Profiel: Liesbeth Zegvelds unieke zaken

‘Een bermbom? How dare you!’

Mensenrechtenadvocate Liesbeth Zegveld strijdt al twintig jaar voor erkenning van oorlogsslachtoffers. Nu staat ze de getroffenen van de Nederlandse bombardementen op Irak bij. ‘Het recht faalt hier totaal.’

Liesbeth Zegveld legt bloemen op de graven van de Rawagede-slachtoffers nadat de Nederlandse regering excuses aanbood tijdens een ceremonie op 9 december 2011, Rawagede, West-Java © Romeo Gacad / AFP / ANP

‘Ik opereer graag in het vacuüm’, lacht Liesbeth Zegveld. We hebben elkaar aan de telefoon om een afspraak te maken, zij fietst door de drukke Haarlemmerstraat, op weg van haar kantoor in Amsterdam-Oost naar huis. Het gaat haar, zal ze later uitleggen, om hiaten in het rechtsherstel, daar waar onduidelijk is wie verantwoordelijk is voor aangedaan oorlogsleed. Zoals bij Srebrenica, waarbij Dutchbat onder VN-vlag opereerde, of nu bij de bombardementen door de internationale coalitie tegen IS in Irak. ‘Wie is verantwoordelijk als er burgerslachtoffers vallen? Daar is juridisch niets voor geregeld.’

Liesbeth Zegveld (50), gespecialiseerd in aansprakelijkheid voor mensenrechtenschendingen bij Prakken d’Oliveira Human Rights Lawyers in Amsterdam en parttime hoogleraar War Reparations aan de Universiteit van Amsterdam, legt de vinger regelmatig op pijnlijke plekken van het nationale bewustzijn. Dan zwaait ze met artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek: ‘Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.’ En daagt de Nederlandse staat voor de rechter, bijvoorbeeld namens de slachtoffers van militair geweld in Indonesië.

‘Iedereen is zo vol enthousiasme, dat ik eigenlijk niet durf af te wijken…’ weifelt ze heel even naar aanleiding van de excuses van Mark Rutte voor het overheidshandelen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ze zit aan een tafeltje in De Balie in Amsterdam, waar ze even later optreedt tijdens een avond over ‘Oorlogsleed verjaart niet’. Ze draagt een zwart colbertje, zwart T-shirt, zwarte wijde broek, eronder okergele gymschoenen, haar blonde, halflange haar heeft ze nonchalant met een elastiekje in een staart gebonden. Maar de mensenrechtenadvocate kan het niet laten, ze is kritisch. ‘Met excuses gaat het om het juiste moment, de juiste plaats en de juiste persoon’, vervolgt ze en schenkt haar flesje alcoholvrij bier in een glas. ‘En je moet specifiek zijn aan wie je ze richt en waarvoor.’ Daar voldeden Rutte’s excuses aan. ‘Beter laat dan nooit, ja, maar waarom heeft het zo lang geduurd? Het was mooi geweest als hij daarover wat had gezegd. Bijvoorbeeld waarom het zoveel moeite kostte om dit eerder te erkennen.’

Ze heeft als advocaat een heel rijtje overheidsexcuses teweeggebracht. Zo maakte de staat na jaren procederen excuses aan de weduwen en kinderen van slachtoffers van de massa-executies door Nederlandse militairen in Rawagede en bood de minister van Defensie Jeanine Hennis-Plasschaert de nabestaanden van drie moslimmannen in Srebrenica haar excuses aan. ‘Excuses zijn vaak belangrijker dan schadevergoedingen’, benadrukt ze regelmatig in interviews.

Rechtbank Den Haag, 3 september 2019, 09.15 uur. Zegveld loopt met lichte pas door de lange gang. Terwijl ze voor de deur van de zittingszaal haar toga over haar hoofd trekt, overlegt ze nog even met haar collega over ‘Ahmed en Yosef’. Een kleine zaak voor haar doen, maar het zegt volgens haar alles. Grote dingen gebeuren in het klein. In een notendop laat het zien hoe vertroebeld het recht is. Zenuwachtig is ze niet, wel geconcentreerd. ‘Heeft de Nederlandse staat het gedaan? Ik weet het echt niet’, zegt ze. ‘Ik zet nu in op de coalitie.’

09.30 uur. ‘De zaak Ahmed en Yosef’, roept de bode en opent de deuren van de rechtszaal. De advocaten nemen plaats voor de rechtbank, Liesbeth Zegveld rechts, de landsadvocaat links, een paar betrokken ambtenaren, medewerkers en de pers erachter. Het is een revolutionaire zaak; de eerste procedure tegen Nederland door buitenlandse burgers die zeggen slachtoffer te zijn van luchtaanvallen van de internationale coalitie. Zegveld ordent haar papieren. Als de rechters binnenkomen staat iedereen op.

Door veel collega’s wordt advocaat Liesbeth Zegveld geroemd om haar niet-aflatende vechtlust, gedrevenheid en doorzettingsvermogen. In 2016 wordt ze door vakgenoten verkozen tot ‘Meest gewaardeerde advocaat van Nederland’. Eerder ontving ze de Amsterdamse Dekenprijs 2014 en de Clara Meijer-Wichmann Penning 2011 vanwege haar vasthoudende inzet voor slachtoffers van oorlogsgeweld en genocide. ‘Ik wil iets bereiken, niet maar een beetje aanmodderen’, zei ze ooit in NRC Handelsblad. Daarbij gaat zij met haar kantoor regelmatig tegen de stroom in. ‘Daar waar iedereen al zijn gedachten een bepaalde kant op heeft laten gaan, roepen wij graag het tegenovergestelde.’

‘Wij zijn in oorlog’, zegt ze tijdens een eerder gesprek in een kale kamer van het kantoor Prakken d’Oliveira naast het Tropenmuseum in Amsterdam. Ze zit voorover geleund aan een grijze tafel. ‘Maar niemand hier lijkt dat echt te beseffen’, vervolgt ze. Nederland doet sinds oktober 2014 mee aan de internationale coalitie, onder leiding van de Verenigde Staten, tegen IS. Deze coalitie voerde meer dan 23.000 luchtaanvallen uit, waarvan Nederland er 1800 voor zijn rekening nam. ‘Oorlog voeren past niet in het zelfbeeld in Nederland. Terwijl we dat wel doen. En dat heeft consequenties.’

09.40 uur. ‘We hebben vorige week een aantal stukken ingediend’, begint Zegveld voor de rechtbank haar pleidooi.

Volgens het oorlogsrecht moeten burgers zo veel mogelijk worden ontzien. ‘Collateral damage’ is daarbij niet uitgesloten, weet Zegveld. Ook burgerslachtoffers zijn onderdeel van oorlog. Maar dit wordt volgens haar nooit besproken. Het Openbaar Ministerie geeft geen informatie over slachtoffers. Niet over hoeveel en ook niet over hoe het is gebeurd. Sterker nog: Nederland registreert de doden niet. Niet in Afghanistan en niet in Irak. ‘Maar om te weten of we ons aan het oorlogsrecht houden, moet je als overheid wel bijhouden wie we doden’, benadrukt Zegveld. ‘Je moet als regering, als je meedoet, het geheel zichtbaar maken. Weet dat er ook dingen mis kunnen gaan, wees daar open over. En neem je verantwoordelijkheid.’

Dat brengt Zegveld dan ook tot een fundamentele vraag: kunnen dit soort ‘air-only-oorlogen’ überhaupt wel binnen de grenzen van het recht worden uitgevoerd? ‘Luchtaanvallen zijn voor ons overzichtelijk’, beklemtoont ze. De internationale coalitie vecht met F-16’s vanaf veilige afstand hoog in de lucht. Er zijn daardoor weinig risico’s, er is geen ‘fog of war’, er is minder angst en gevaar voor de militairen. ‘Wij laten een bom vallen, maar mensen daaronder op de grond zijn het kind van de rekening, bedoeld of onbedoeld. We leggen geen verantwoording af. Er is juridisch niets geregeld. Er wordt zelfs geen informatie gegeven.’ Het maakt haar kwaad. ‘Hier faalt het recht totaal.’

‘… De overlijdensverklaring van de man van mevrouw Yosef, Seif ed-Din Farhan Mohammed. Als doodsoorzaak is genoemd: “lichaam uiteengereten door explosief materiaal”…’

Nederland wil graag meedoen aan dit soort missies. ‘Die internationale betrokkenheid geeft aanzien’, gaat ze verder. ‘Maar hun werk goed doen, blijft achterwege. Nederland zegt: “Wij hebben het beste met jullie voor” en “We komen wel terug voor wederopbouw”. Maar dat is geen erkenning voor de slachtoffers.’

Wat gebeurt er na een bombardement? Wat zijn de rechtsmiddelen, hoe zit het met rechtsherstel? Dat zijn de vragen die haar interesseren. Al twintig jaar. ‘Het gaat bij oorlog over recht en extreem geweld. Leven en dood’, legt ze uit. ‘Het is heel fundamenteel. Dat boeit me. Recht wordt vaak weggezet als saai, maar dit is juridisch spannend terrein. Het draait om de elementaire vraag wat recht nog betekent.’

Neem Ahmed en Yosef. Op de ochtend van 26 januari 2015 wordt een konvooi burgertaxi’s, op weg van Mosul naar Bagdad op de vlucht voor IS, gebombardeerd door de internationale coalitie. Bij de eerste aanval wordt de auto van Mohammed Ahmed (op dat moment 28 jaar) geraakt met daarin ook zijn moeder, die op slag dood is. Hijzelf is gewond en wordt teruggereden naar een ziekenhuis. Ebtehal Yosef (dan 25) zit in een van de auto’s erachter en ziet het gebeuren. Zij en haar echtgenoot besluiten even later toch door te rijden. Het volgende moment ligt haar echtgenoot dood onder het stof naast Ebtehal en wordt ook zij naar het ziekenhuis gebracht. Geraakt bij een tweede aanval. Yosef mist haar rechteroog en haar rechteronderbeen. In totaal komen vijf mensen om.

Twee jaar later kloppen Yosef en Ahmed bij Zegveld aan, via een Nederlandse journaliste die hen met elkaar in contact brengt. Ze willen informatie: wie heeft deze twee aanvallen uitgevoerd en waarom? ‘Als mensen zoals Ahmed en Yosef bij mij komen op zoek naar waarheidsvinding, dan word ik wakker’, zegt Zegveld in haar kantoor. ‘Dat is het begin.’

‘... Wij zitten in de lucht en laten onze bommen vallen op mensen onder ons. We kennen ze niet, we willen ze niet kennen en we betwisten hun aanwezigheid daar...’

‘… Alleen de coalitie bombardeerde in die tijd boven Irak. IS noch Irak vloog in die tijd. De staat betwist dat niet…’

Nederland voert die bewuste week 27 bombardementen uit in Irak. Het ministerie geeft toe dat ook op de bewuste datum met Nederlandse F-16’s is gebombardeerd, maar plaatsen van de luchtaanvallen worden niet verstrekt. ‘Immoreel’, noemt Zegveld dat. Volgens haar is hier sprake van ‘onrechtmatig handelen’. De taxi’s vormden geen bedreiging voor de coalitie. Nu eist ze via de rechter die informatie op. Ook al staat niet vast dat Nederland de bewuste aanval in de buurt van Mosul zelf uitvoerde, Nederland draagt als lid van de coalitie medeverantwoordelijkheid voor de gevolgen van de aanval, zo luidt haar redenering.

‘… Een mogelijke afwijking van bijna 100 km brengt de aanval op de auto’s van verzoekers in de buurt van Mosul…’

Zegveld bijt zich vast in het juridische handwerk. Zoeken, werken, ‘knoerthard werken en heel veel vechten’, omschreef ze zelf een aantal jaar geleden in NRC Handelsblad haar advocatenpraktijk. Ze staat om zes uur ’s ochtends op en zit om half zeven op kantoor – ‘die ochtenden zijn lekker rustig’. Ze zoekt naar juridische aanknopingspunten, geduldig en vindingrijk. Zo gebruikt ze in de zaak van Ahmed en Yosef het vrij ongebruikelijke artikel 843a van het Wetboek van Rechtsvordering; dat geeft een benadeelde partij recht op informatie over de toedracht van een gebeurtenis die hem of haar schade berokkende. ‘Nederland heeft die informatie, alle ontkenningen ten spijt.’ Ze begint ergens en gaat dan aan een draadje trekken, zoals zij het noemt.

Twee weken is ze bezig geweest met tekstanalyse op de antwoorden van het ministerie, over wat ze niet zeggen. ‘Ze zeggen bijvoorbeeld niet dat er geen auto’s zijn aangevallen, ook niet dat er niet is gebombardeerd op die dag…’ Het is het ‘suffige werk van juristen’, zegt ze. Nu ligt er een verzoekschrift om informatie voor de rechter. Hoe is de coalitie intern georganiseerd? Wie heeft het doel bepaald, in welke zin heeft Nederland daaraan meegewerkt, hoe is het object geïdentificeerd? Hoe kan het dat de piloot niet heeft gezien dat na de eerste aanval burgers uit de auto’s kwamen? Inclusief kinderen. Waarom is er nog een tweede aanval geweest? ‘Mensen zijn vaak voor het leven getekend’, stelt ze. ‘Informatie helpt, het is erkenning voor wat er is gebeurd.’

‘… De coalitie stelt dat ze rond de 1139 burgerdoden hebben gemaakt met hun luchtoorlog in Irak en Syrië, maar onderzoek van Airwars wijst op een dodenaantal van, volgens de meest conservatieve schattingen, 7316 of meer…’

We hebben het imago dat we het keurig doen, aldus Zegveld, maar Nederland is het minst transparante land van de coalitie. De VS hebben het volgens haar beter geregeld. Zij geven meer informatie, erkennen wat ze doen en lossen fouten op. ‘Nederland is een gesloten bolwerk. Defensie deelt niets over de keerzijde van oorlog. De rechtszaal is een van de weinige plekken waar de waarheid boven tafel kan komen.’

‘… In dat beeld past de ontkenning in deze zaak door te stellen dat het om net iets andere coördinaten gaat. Alles komt overeen, maar het was net iets verderop. Dus, nee helaas. We kunnen deze burgerdoden niet voor onze rekening nemen…’

Het vervolgen van individuele oorlogsmisdadigers houdt haar minder bezig, Zegveld is vooral geïnteresseerd in de verantwoordelijkheden van de overheid. Het is een rechtsgebied dat ze zelf vanuit het niets groot heeft gemaakt. Nadat ze in 2000 op haar dertigste cum laude promoveerde in het oorlogsrecht, ging ze werken bij Böhler Advocaten, nu Prakken d’Oliveira, een advocatenkantoor dat bekendstond om zijn maatschappelijke betrokkenheid. Britta Böhler was toen al haar grote voorbeeld, vertelde ze ooit in een interview in Mr. ‘De keuze om te gaan voor de zaken die er werkelijk toe doen en het lef te hebben om niet de hele tijd uren te willen schrijven en door te rennen, is voor mij bepalend geweest in de keuze om oorlogsslachtoffers bij te staan’, zei ze daarover. Op dat moment werd binnen de Nederlandse advocatuur nog weinig gedaan met oorlogsrecht; Liesbeth Zegveld richtte daarom een aparte sectie op.

De advocaten Brechtje Vossenberg (l) en Liesbeth Zegveld en landsadvocaat Bert-Jan Houtzagers in de Haagse rechtbank, 3 april 2017, bij de getuigenverhoren van enkele mariniers en hun commandanten die waren betrokken bij de beëindiging van de treinkaping op 11 juni 1977 © Raymond Rutting / De Beeldunie

In 2002 klaagde ze de Nederlandse staat aan namens de nabestaanden van drie moslims die door Bosnisch-Servische troepen werden gedood. Het werd haar eerste grote overwinning. De vader en broer van Hasan Nuhanović, die werkte als tolk voor Dutchbat, en Rizo Mustafić, die er werkte als elektricien, hadden tijdens de val van de moslimenclave Srebrenica hun toevlucht gezocht tot de compound van Dutchbat, onderdeel van de VN-vredesmissie in Joegoslavië. Ze werden echter door de Nederlanders van het terrein gestuurd, waarna ze door de troepen van Ratko Mladić werden vermoord.

Na elf jaar procederen, waarbij de rechter in eerste instantie oordeelde dat de Nederlandse militairen opereerden onder VN-mandaat – en de VN zijn immuun – stelde in 2013 de Hoge Raad dat de Nederlandse staat wél verantwoordelijk was voor de dood van de Bosnische Dutchbat-medewerkers en voor hun familieleden; Nederland had immers de compound onder controle en bepaalde wat er gebeurde. De nabestaanden kregen een schadevergoeding en de toenmalige minister van Defensie Jeanine Hennis-Plasschaert bood haar excuses aan.

‘Dit was juridisch echt een enorme doorbraak’, zegt Frederiek de Vlaming, criminoloog, gespecialiseerd in internationaal strafrecht. De Vlaming is, naast haar werk als senior onderzoeker en docent aan de rechtenfaculteit van de Universiteit van Amsterdam, directeur van de Nuhanović Foundation – de stichting die door Zegveld is opgericht in 2011 met als doel de toegang tot het recht voor oorlogsslachtoffers te vergemakkelijken. Als slachtoffer heb je recht op rechtsherstel. Maar het is vaak onduidelijk op welke deur je moet kloppen, wie er verantwoordelijkheid draagt en welk recht er dan geldt. ‘Om dat helder te krijgen, is een gang naar de rechtbank vaak de enige mogelijkheid.’

De Vlaming noemt de zaken die Zegveld doet uniek in Nederland. ‘Zelfs in de wereld.’ Zoals haar laatste zaak namens Ismail Ziada, een Palestijnse man die in Nederland woont. Hij verloor zes familieleden bij een bombardement in Gaza-Stad in 2014 en eist via de Nederlandse rechter schadevergoeding van de opdrachtgevers van de aanval, omdat, zo stelt Zegveld, er in Israël geen eerlijke rechtsgang mogelijk is voor een Palestijn. De zaak wordt door de internationale pers op de voet gevolgd.

Afgelopen week oordeelde de rechter niet bevoegd te zijn; de bevelhebbers moesten in hun eigen land worden berecht. Zegveld achtte de kans om te winnen al ‘heel klein’, maar had gehoopt op ‘meer moed’ van de rechters. ‘Het is ook strategisch procederen’, verklaart De Vlaming. Het gaat volgens haar niet alleen om de individuele zaken, maar of je iets kunt veranderen in het beleid, of je juridische onduidelijkheden kunt oplossen, of je iets op de agenda kunt krijgen. Een structureler doel. ‘Eigenlijk zou je alle zaken die Liesbeth doet hieronder kunnen plaatsen’, vindt De Vlaming.

‘… Wij zitten in de lucht en laten onze bommen vallen op mensen onder ons. We kennen ze niet, we willen ze niet kennen en we betwisten hun aanwezigheid daar. Dat kan in luchtoorlogen…’

‘Waarom kijken we niet terug? Waarom nemen we de gevolgen van ons eigen optreden niet onder de loep?’

De mensenrechtenadvocate opereert in een spanningsveld. Met name binnen militaire kringen ligt het gevoelig. ‘Een lastercampagne’, noemden oud-mariniers haar zaak waarin ze nabestaanden van twee Molukse treinkapers bijstond over het optreden van militairen bij De Punt. Het tekent de geslotenheid bij defensie. ‘Militairen vinden dat oorlog – “theater”, zoals ze dat noemen – iets is waar alleen militairen over kunnen oordelen’, zegt De Vlaming. ‘Maar er zijn criteria in het oorlogsrecht waar je je ook als militair aan moet houden.’

In december 2019 kreeg Zegveld een brief van ‘Een Militair’. Hij/zij schrijft dat tijdens het kerstdiner van 2015 bij de Koninklijke Luchtmacht in de luchtmachttoren in Breda live beelden werden vertoond van bombardementen van F-16’s. ‘Onder het genot van een uitgebreid diner werden de filmpjes, ondersteund door kerstliedjes onder luid gelach en gejuich, ontvangen. De hele luchtmachttop zat daarbij.’ Nu de militair alle nieuwsfeiten over Hawija heeft gehoord en weet wat voor ellende dit heeft veroorzaakt, heeft hij/zij ‘hier enorm last van’. ‘Ivm de onveiligheid binnen de Defensieorganisatie kan ik niet met naam en toenaam dit melden.’

‘Er is een sterke loyaliteit naar de eigen achterban’, verklaart Zegveld, die vaker anonieme steunbetuigingen krijgt vanuit defensie. ‘De rijen sluiten zich. Als je eruit stapt, word je gezien als verrader.’ Een houding die volgens haar elk gewoon gesprek in de weg staat, en elke positieve ontwikkeling tegenhoudt. ‘Als je niet eens praat, wat dan wel?’

‘… Naast informatie over de twee aanvallen op de twee auto’s ‘nabij Mosul’ en ‘nabij Sinjar’, hebben verzoekers ook stukken nodig over de organisatie in de coalitie, de samenwerking en besluitvorming…’

Toen Jeffry Pondaag, voorzitter van het Comité Nederlandse Ereschulden, zo’n vijftien jaar geleden besloot een advocaat te benaderen vanwege de oorlogsmisdaden in het Indonesische dorp Rawagede, belde hij eerst advocaat Gerard Spong. ‘Hij zei dat ik, om te beginnen, maar eens vijfduizend euro moest overmaken’, vertelt Pondaag. ‘Dat hadden we niet, toen belde ik Liesbeth. Zij vroeg 250 euro.’ Dat ze een geldwolf zou zijn, wat tegenstanders weleens beweren, is volgens hem dan ook ‘absoluut onterecht’. ‘Wij zijn tien dagen in Zuid-Sulawesi geweest voor de zaak na Rawagede, ik heb het eten en het verblijf betaald, maar Liesbeth en haar collega werkten meer dan acht uur per dag en ik heb geen rekening gezien!’

Volgens Pondaag is er geen betere advocaat dan Liesbeth Zegveld voor dit soort zaken. ‘Het komt uit haar binnenste, ze kan niet tegen onrechtvaardigheid.’ Ook De Vlaming roemt haar werkwijze. ‘Ze is diep gemotiveerd en heeft een lange adem. Haar stukken zijn juwelen. Ze gaat tot het gaatje, doet grondig juridisch onderzoek, ze heeft een meesterlijke manier van redeneren. En uiteindelijk wint ze vrijwel al haar zaken.’

‘Waar heb je het over?’ had Zegveld eerst gevraagd toen Pondaag haar benaderde over de massa-executie door Nederlandse militairen in het dorpje Rawagede op 9 december 1947, op West-Java. Op die dag vermoordden de Nederlanders bijna de gehele mannelijke bevolking, 431 mannen. Ze vroeg een maand bedenktijd, ging zich in het onderwerp verdiepen en belde terug: ‘Ik ga het doen.’ Namens de weduwen en kinderen van de slachtoffers spande Zegveld in 2009 een zaak aan tegen de Nederlandse staat. De staat erkende de oorlogsmisdaden, maar stelde dat ze waren verjaard. Twee jaar later bepaalde de rechtbank echter dat verjaring in dit geval onaanvaardbaar is naar maatstaven van ‘redelijkheid en billijkheid’. Dat was revolutionair. De weduwen van Rawagede kregen ieder twintigduizend euro en er werd overeengekomen dat Nederland excuses zou maken voor het bloedbad.

Met de zaak Rawagede heeft Zegveld geschiedenis geschreven. Ze is er misschien wel het meest trots op. En het meest door aangeslagen geweest. Ze realiseerde zich hoezeer het voor slachtoffers nog steeds speelt, ook al waren de misdaden bijna zeventig jaar geleden gepleegd. Ze is kritisch over de houding van Nederland ten opzichte van het eigen verleden. ‘Waarom kijken we niet terug? Waarom nemen we de gevolgen van ons eigen optreden niet onder de loep?’

In 2013 volgden wederom excuses van de overheid, nu voor misdaden door Nederlandse militairen in Zuid-Sulawesi. Ook daar bleken massa-executies te hebben plaatsgevonden. De excuses strekten zich uit naar iedere weduwe in dezelfde situatie. Sindsdien lopen er nog tientallen individuele zaken uit voormalig Nederlands-Indië. In twee daarvan oordeelde de rechter afgelopen oktober wederom dat Nederland aansprakelijk is voor moorden en ander geweld door het Nederlandse leger. Weer oordeelde de rechter dat verjaring hierin onaanvaardbaar was. ‘Dit is een principiële uitspraak’, zegt Zegveld daarover. Verjaring geldt dus niet voor staatsverantwoordelijkheid bij dit soort grote verzwegen misdrijven.

Tijd voor verontschuldigingen

Een staat die zijn excuses maakt voor fouten in het verleden. Ooit was het ondenkbaar, inmiddels komt het steeds vaker voor. Maar echt van harte gaat het zelden. En niet alleen omdat er een prijskaartje aan hangt. Begin van een serie over ‘sorry’ van staatswege. Volgende aflevering: Australië en de Aboriginals.

‘… Dat Nederland lid van de coalitie is, betekent meer concreet dat Nederland ook informatie heeft over de specifieke aanvallen die de coalitie uitvoert. Ook over de aanvallen op 26 januari 2015 waar we het vandaag over hebben…’

In oktober 2019 komt door onderzoek van de nos en de NRC naar buiten dat een Nederlandse F-16-bom op een munitieopslagplaats in de Iraakse stad Hawija zeventig burgers doodde. Ze wisten al vijf jaar dat het een Nederlandse bom was. ‘Al vijf jaar! Dat is toch erg?’ zegt Zegveld hierover. ‘Wat ben je dan waard?’ Zegveld is verontwaardigd. Ze heeft ondertussen zo’n zestig dossiers van slachtoffers uit Hawija op haar bureau liggen ter voorbereiding op een claim. ‘Een hele stapel in het Arabisch, die gaan we nu eerst vertalen.’ Ze vermoedt dat ‘er iets heel erg mis is gegaan’ bij de militaire actie van Nederland in 2015. In totaal zijn er volgens de advocaat zo’n driehonderd direct of indirect getroffenen door het bombardement. ‘Zoveel slachtoffers kun je niet afdoen als collateral damage.’

11.39 uur. De landsadvocaat: ‘… Zijn ze wel slachtoffer van een bombardement? Het kan ook een bermbom zijn geweest.’

Zegveld staat op: ‘Het verschil of er iets op je hoofd valt of van onder komt, dat merk je wel…’

Nu blijkt ook de bom die in de nacht van 20 september 2015 op de villa van Basim Razzo viel, van een Nederlandse F-16 afkomstig, zo ontdekten twee journalisten van De Telegraaf onlangs. Razzo verloor bij het bombardement zijn vrouw en dochter, is gehandicapt, zijn villa verwoest. En iedereen in zijn omgeving verdacht hem sindsdien van IS te zijn, zeker nadat de VS triomfantelijk een filmpje van de vernietiging van zijn huis op internet zetten. De VS, die dachten dat zijn huis een IS-commandocentrum was, erkenden hun intelligence-fout. Nu eist Zegveld namens Razzo schadevergoeding van Nederland.

12.30 uur. ‘Een bermbom!’ Op de gang buiten de rechtszaal barst Zegveld los. ‘How dare you! Dit is de stem van de staat.’

‘Er zijn meer dan zevenduizend burgers gedood door de coalitie’, vervolgt Zegveld in het café van De Balie. ‘Gaan we dat allemaal ontkennen?’ Er loopt ook nog steeds een zaak uit Afghanistan uit 2007 waar een dorp ’s nachts werd gebombardeerd. Iedereen sliep, er vielen tachtig doden. ‘Het huidige geweld komt uit de lucht. Hoe moeilijk is het om, als je weet dat je een bom hebt gegooid op burgers, zelf contact op te nemen? Erken de consequenties van oorlog voeren. Richt een fonds op voor de nabestaanden, maak een gebaar. Doe iets voor die mensen!’

Uitspraak Rechtbank Den Haag 15 oktober: verzoek om de gevorderde bescheiden wordt afgewezen.

Zegveld heeft de zaak ‘Ahmed en Yosef’ nu even stopgezet in afwachting van Hawija en Razzo. ‘We moeten weten hoe de commandostructuur loopt, hoe de coalitie werkt.’ Het is, zo zegt ze, een kwestie van volhouden, erin geloven. Het is haar eer te na om te stoppen. Desnoods gaat ze door tot het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. ‘Het is een kleine zaak, maar fundamenteel: het gaat voor mensen altijd om de waarheid en de feiten.’