De Zuid-Afrikaanse verkiezingen

‘Een beter leven voor iedereen’

Kroonstad, geboorteplaats van schrijfster Antjie Krog, maakt zich op voor de verkiezingen die Zuid-Afrika onder meer een nieuwe president zullen opleveren. Nooit eerder hebben zo veel mensen zich geregistreerd om op 22 april te stemmen.

ER IS IETS MET het water in Kroonstad. Het ruikt muf, als rottende aarde. Maar iedereen verzekert me dat er werkelijk niks mis mee is. Het is na diverse klachten en geruchten over E.coli-bacteriën getest en ‘geschikt bevonden voor menselijke consumptie’. Waarschijnlijk komt er af en toe een beetje slik bij. Maar heus, het kan geen kwaad…
Kroonstad ligt in de Zuid-Afrikaanse Vrijstaat-provincie, aan de N1, de snelweg tussen Johannesburg en Kaapstad. Het is zo’n plaats waar je altijd langs komt, maar nooit stopt. Het stadje met ruim 125.000 inwoners, hoofdzakelijk Afrikaners en Sotho’s, dankt zijn naam aan het paard Kroon dat zich akelig verstapte in een riviertje. Dat water werd Kroonspruit genoemd, en in 1855 ontstond er een nederzetting die de naam Kroonstad kreeg en uitgroeide tot een middelgrote plattelandsstad. Het centrum is inmiddels grotendeels zwart, met opvallend veel begrafenisondernemers en ‘China Shops’ vol goedkope zooi. De autowachten met hun felgekleurde hesjes zijn merendeels blank en zien eruit alsof de crisisjaren weer zijn aangebroken. Ver weg in Suburbia is een sjiekere shopping mall. Maar de Wimpy in de hoofdstraat Cross Street is nog altijd de plek waar de goegemeente op zaterdagochtend een boerebrekfes van spek, worst en eieren naar binnen werkt. Kroonstad in een notendop.
Het was de Zuid-Afrikaanse schrijfster Antjie Krog die het stadje faam gaf. In haar in 2003 verschenen boek A Change of Tongues beschrijft ze de terugkeer naar haar geboorteplaats. Al acht generaties is de geschiedenis van haar familie vervlochten met die van de stad en van de rivier die er dwars doorheen loopt, Valsrivier.
Krog rijdt vanuit Kaapstad langs Verlatenfontein, Heuningneskloof, Brakspruit, Eensaamheid, Abjaterskop en Erfdeel. Uiteindelijk komt ze in Kroonstad. Ze rijdt de brug over en gaat rechtsaf, naar het recreatiepark bij de rivier. Ze schrijft hoe dat nu bezaaid ligt met blikjes, dat de toiletten gesloopt zijn, dat er hopen menselijke stront liggen, dat de grasperken onder onkruid en rotzooi verdwenen zijn en hoe de speeltuin met zijn glijbaan en schommels wegroest. ‘I reverse so fast, I get tears in my eyes.’
Dergelijke momenten van ontreddering tekenen ook haar bezoek aan het kerkhof, en haar gesprekken met defaitistische, racistische blanke boeren uit de omgeving. Maar Krog is geen racist. Evenmin is ze een doemdenker die met haar handen in haar zij staat en ‘hulle’, de zwarten, overal de schuld van geeft. Ze legt uit dat de nieuwe gemeenteraad een ongelooflijke taak te wachten stond toen die na de lokale verkiezingen van 1995 aantrad. Hoe de nieuwe zwarte raadsleden te maken kregen met racisme, blanke onwil en sabotage. Vier eeuwen ongelijkheid werk je niet zomaar even weg. Of zoals Krog filosofeert als ze het barre landschap tussen Kaapstad en Kroonstad doorkruist: ‘Wat voor effect heeft zo’n landschap op de psyche? In welke vormen vertaalden vrijheid en democratie zich in deze vlaktes? Hebben ze deze plekken ooit wel bereikt?’

EEN JAAR OF ZEVEN na Krog rij ik naar Kroonstad. Wat zou er veranderd zijn? Het is enkele weken voor de nationale en provincieverkiezingen die Zuid-Afrika onder meer een nieuwe president zullen opleveren. Verkiezingen die voor het eerst in tien jaar weer heftige emoties losmaken; eindelijk bestaat de kans dat het ANC zijn tweederde meerderheid in het parlement verliest en de hegemonie over enkele provincies kwijtraakt. Nog nooit hebben zich zo veel mensen geregistreerd om op 22 april te gaan stemmen.
Een groot deel van de steun voor het ANC komt van de zwarte onderklasse: de werklozen, de dagloners, de gepensioneerden, de plattelandsbevolking en de sloebers in de townships en krottenwijken rond middelgrote steden als Kroonstad. Die hoopten dat het ANC zijn belofte van ‘a better life for all’ zou nakomen.

DE WERKPLAATS van Sammy Mojanega is een stoeltje waar het schuimrubber uitpuilt voor het kantoor van Binnenlandse Zaken in Cross Street, niet ver van de Wimpy. Met behulp van een polaroidcamera en een vaalwit doek dat tegen de muur is geplakt maakt hij daar foto’s voor rijbewijzen, paspoorten en identiteitskaarten. Samen met zijn vrouw en kind woont hij in de zwarte township Constantia. De 26-jarige Mojanega begon ooit aan een universiteitsopleiding. Hij haakte na een paar maanden af. Nu verdient hij net genoeg voor wat brood op de plank.
Ik vraag hem naar de belangrijkste problemen in de township. ‘De misdaad’, zegt hij: ‘Inbraken, verkrachting, overvallen. O ja, en toen ik vanochtend mijn huis verliet was er geen water.’
Vorige keer stemde hij op het ANC, maar deze keer weet hij het nog niet. ‘Ik ga wel. Het is belangrijk om je kruisje te zetten. Vrienden van mij zeggen: je staat in de brandende zon en niemand bekommert zich om je. Dat is wel een beetje waar. Die lui (ANC-bestuurders – fdv), als ze eenmaal een toppositie krijgen, dan laten ze jou in de steek. De baantjes gaan naar familieleden. We willen zo veel: werk, wegen, riolering, water. Het ANC heeft veel voor ons gedaan, maar alles maar half. Maar waarschijnlijk stem ik toch weer op hen. Die andere partijen kunnen alleen maar beloven, maar niks doen.’

AAN DE RAND van Kroonstad, net buiten het industriegebied, is het voormalige concentratiekamp. Hier werden tijdens de Anglo-Boerenoorlog (1899-1902) duizenden Afrikaner vrouwen en kinderen vastgehouden door de Engelse vijand. Bijna tweeduizend vonden er de dood. Ze liggen in anonieme graven. Er staat een obeliskvormig gedenkteken en er is een muur met bordjes met de namen van de overledenen. Op grote delen van het kerkhof is het vrijwel onmogelijk om de grijze grafstenen nog te onderscheiden. Onkruid en kniehoog gras hebben alles overwoekerd. Bij de toegang liggen Castle-bierblikjes, plastic flessen en blauwe condoompakjes. Het hek is verdwenen. De metalen palen zijn doorgezaagd en ook meegenomen.
Zakenman Sydney Pittaway heeft me op sleeptouw genomen. We rijden langs de randen van de stad. Tussen de kleurlingentownship Brentpark en het zwarte Constantia is een grasvlakte. Hier werd een paar jaar geleden een sportveld met tribunes aangelegd, vertelt Pittaway. Er is niks meer van over, zelfs niets meer dat erop wijst dat hier ooit sportwedstrijden plaatsvonden. De doelpalen, de hekken, de tribunes: alles is weg.
In Krogs boek komt de joodse apotheker Braham Smiedt aan het woord. In de jaren veertig waren er 84 joodse families, nu nog twee. Krog citeert Smiedt: ‘Ga naar het kerkhof, zie hoe ze de kleine joodse begraafplaats hebben geplunderd. Ze hebben de wasbakken en toiletten eruit gesloopt en simpelweg in gruzelementen geslagen. Als ze die dingen nou voor henzelf hadden meegenomen, dan zou je het nog kunnen begrijpen, maar ik vind deze vernielzucht moeilijk te verkroppen.’
Het kerkhof ligt aan de andere kant van de township. Qua verwaarlozing doet het niet onder voor het concentratiekamp. Alleen het joodse gedeelte is onderhouden en goed toegankelijk. Maar het dak en het interieur van het blauwe toegangshuisje met de davidster zijn verdwenen. En het hek dat er ooit stond, staat er niet meer. Een hek dat er daarna stond is er ook niet meer.
Zo veel verdwenen, gestolen, verwaarloosd of kapot. En dan hebben we het nog niet gehad over de gaten in de wegen, de gesprongen waterleidingen, de gebarsten rioleringen en de wijdverspreide corruptie. Of over het nieuws in de lokale krant dat een groep blanke belastingbetalers weigert om nog langer de gemeentezakken te spekken. Ze storten het geld nu in een fonds en laten reparaties aan waterleiding, wegen en riolering zelf uitvoeren. In A Change of Tongues legt een hoge ambtenaar uit dat blank noch zwart belasting wil betalen. Blank omdat ze geen verbetering zien, zwart omdat ze het nooit gewend waren. Na een gesprek met de toenmalige burgemeester schrijft Krog: ‘Ontgoocheld verlaat ik zijn kantoor. Er lijkt geen oplossing te bestaan, en evenmin is er enthousiasme om het te proberen.’
Wat zou Pittaway als eerste doen als hij het voor het zeggen had? Hij glimlacht: ‘Het gat dichtstoppen, zoals jullie Hans Brinker deed. Dat wil zeggen: alle cheques die binnenkomen en worden uitgeschreven controleren.’
Antjie Krog heeft inmiddels een huis in Kaapstad. Maar haar bejaarde moeder Dot Serfontein verblijft nog wel in Kroonstad. Die heeft een gigantisch boek geschreven over de geschiedenis van haar geliefde stad (Krog: ‘Mijn moeder gelooft vast in de Kroonstad-mythe: als je eenmaal voet in de Valsrivier hebt gezet, tussen de wilgen, dan raak je in de ban. Dat raak je nooit meer kwijt. Waar ook ter wereld, waar je ook ronddoolt of wortel schiet, een naamloos verlangen zal altijd bij je blijven’). Serfontein woont nu in een ‘security complex’, een cluster identieke bakstenen huizen met een hoge bakstenen muur eromheen. Zij stemt op het reactionaire Vrijheidsfront+, vertelt ze zonder omhaal: ‘Die zeggen het tenminste duidelijk: wij zijn er voor de Afrikaners; we hebben geen probleem met de andere volken, maar dit zijn onze mensen.’
Ze schampert als het zwarte stadsbestuur ter sprake komt: ‘Ze hadden zich niet gerealiseerd dat er ook onderhoud gepleegd moet worden. Dat is sinds 1994 niet meer gebeurd. Het probleem is dat als de ambtenaren er hier een rotzooi van maken ze gewoon elders te werk worden gesteld. En dan zeggen ze: dat gebeurde onder apartheid ook. Dat is dus niet zo. Eén fout en je lag eruit.’
Het moet pijn doen om je stad zo te zien aftakelen, suggereer ik. Ze schudt haar hoofd: ‘Niets doet mij pijn. Ik wist wat er zou gebeuren en ik heb geleerd hoe ik ermee om moet gaan. Zolang ik die paar dingen kan krijgen die ik nodig heb, kan het me niet schelen. Dat is het goede van opgroeien op een boerderij, wij kennen deze mensen door en door, hun sterke en zwakke punten.’
In Kroonstad liggen de problemen akelig dicht aan het oppervlak: armoede, fysiek en moreel verval, onverschilligheid, fatalisme, gebrek aan gemeentelijke daadkracht, tergend langzame raciale integratie, wetteloosheid, nihilisme, desintegratie op alle fronten. Iedereen die ik spreek, blank en zwart, zegt dat het sinds Antjie Krogs boek met Kroonstad alleen maar verder bergafwaarts is gegaan.

TEGEN DIE achtergrond moeten de politieke partijen de kiezers aansporen om op 22 april te gaan stemmen. De voornaamste partijen in Kroonstad zijn het ANC, de Democratic Alliance (DA) en de recente ANC-afsplitsing Congress of the People (Cope).
Het ANC, dat 38 van de vijftig gemeenteraadsleden leverde, zou het gemakkelijkst te benaderen moeten zijn. Navraag leert dat er een ANC-kantoor is in de Oranjestraat, in de binnenstad. Maar daar zijn maar twee mensen aanwezig: een vrouw die administratief werk doet en een bemiddelaar in arbeidsconflicten, Shaii Mahlomola, die niets met het ANC te maken heeft, maar die me wel een en ander wil laten zien.
Daar gaan we weer. We rijden door het industriegebied met zijn gesloten textielfabriek en zijn gesloten broodfabriek. De reusachtige graansilo’s verderop bieden nog wel werk, maar die opereren nu op contractbasis, zodat de arbeiders niet meer op vast werk kunnen rekenen, zegt Mahlomola.
Dan slaan we de weg naar Maokeng township in, over een weg die Krog beschreef als ‘slechter dan ik me kan herinneren, met enorme gaten en weggespoelde stukken’. Mahlomola dirigeert me naar een buurt die Marabastad heet, bijgenaamd ‘sewage city’, en die er zelfs in omfloerst ochtendlicht diep ellendig uitziet. Langs golfplaten onderkomens en minuscule stenen huisjes lopen onverharde wegen vol kuilen en gaten. Vuilnis is door wind en regen op lukrake plekken bij elkaar geveegd. Hier en daar worden de straten nu geëgaliseerd. ‘ANC-vice-voorzitter – en interim-president – Kgalema Motlanthe bracht hier een paar weken geleden een bliksembezoek’, zegt Mahlomola. ‘Hij was zo geschrokken van de toestand dat hij opdracht gaf meteen verbeteringen aan te brengen.’
Daarna komen we langs het huis waar Cope-oprichter Mosiuoa ‘Terror’ Lekota opgroeide. Lekota, die zijn bijnaam ‘terror’ aan zijn voetbalkwaliteiten dankt, was een ANC-bobo. Hij bekleedde een hoge partijfunctie en was achtereenvolgens premier van de Vrijstaat en minister van Defensie. Maar vorig jaar, nadat president Thabo Mbeki bij een paleisrevolutie als ANC-voorzitter en president was afgezet, richtte Lekota samen met andere verbitterde Mbeki-getrouwen Cope op. Het was het moment waar velen op hadden gewacht: een breuk binnen het ANC. Cope pochte dat ze tussen de dertig en vijftig procent van de stemmen zou behalen.
Mahlomola brengt me in contact met de lokale Cope-leiders. Er komen er vijf opdagen, onder wie de voorzitter, de campagneleider en de woordvoerder. Ze zijn allemaal ex-ANC’ers, enthousiast en welbespraakt. Maar hun aanpak klinkt weinig constructief. Cope heeft vooral veel appeltjes te schillen met het ANC. De Cope-leden beschuldigen de partij ervan ideologie te hebben verruild voor ‘verheerlijking van het individu’, een verwijzing naar ANC-leider Jacob Zuma. Ze hebben het over ‘een gebrek aan transparantie’, over ‘baantjes voor vriendjes’, ‘gebrek aan overleg met de townshipbewoners’, het kweken van ‘afhankelijkheid’.
De vorige stadsmanager heeft volgens hen zijn ingenieurs meegenomen naar zijn volgende post, zodat er nu geen technische staf meer is. Ze stippen een schandaal aan, waarbij de gemeente in 2006 een bedrag van 9,2 miljoen rand (destijds ongeveer een miljoen euro) uittrok om een geheel mislukte ‘tourism extravaganza’ te organiseren.
Het zijn de verhalen die je in de hele stad hoort. Krog vroeg het zich ook al af: ‘Waar het geld van het nieuwe stadsbestuur naartoe gaat, blijft een mysterie.’ Gemeentebaantjes gaan (overigens net als tijdens de apartheid) naar familie, vrienden en partijleden. Tenders worden (eveneens als onder apartheid) binnengehaald door bedrijven die nauwe banden hebben met de heersende partij. Ingenieurs zijn niet langer lokaal beschikbaar. De ‘tourism extravaganza’ werd een gigantisch debacle. Beloofd was een autorace, een golftoernooi met grote namen als Ernie Els en Tiger Woods, een voetbaltoernooi met topclubs, een fantastische rugbywedstrijd, een concert met Ladysmith Black Mambazo. Het kon niet op. Uiteindelijk vond alleen het voetbaltoernooi plaats, alleen niet in Kroonstad, maar in Welkom, de grote regionale concurrent. Wat er precies is misgegaan, en hoe, en wie er met het geld vandoor is blijft onduidelijk. Het Kroonstad-jaarverslag van de Algemene Rekenkamer voor 2006 is nog steeds niet openbaar gemaakt.
Cope wil het allemaal beter doen. Maar op nationaal niveau heeft de partij haar momentum verloren. Er ontstond onenigheid over wie de lijsttrekker zou worden. Uiteindelijk moest de populist Terror Lekota plaatsmaken voor de veel onbekendere dominee Mvume Dandala. Overlopers uit het ANC keerden snel terug in de moederschoot. Verkiezingsposters lieten lang op zich wachten. Cope bakte er weinig van in tussenverkiezingen. Waarnemers schatten dat de partij hooguit zes procent van de stemmen zal behalen. Maar aangezien die zes procent fataal kan zijn voor de ANC-meerderheid speelt Cope toch een hoofdrol.

HET ANC is in Kroonstad een fantoomachtige organisatie. We krijgen ze maar niet te pakken. Mahlomola strijkt peinzend met zijn hand langs zijn kin. Hij kent een van de raadsleden. Bushy heet ze, en ze werkt in de Pep Store, een soort Zeeman.
Bushy staat in een hoek kleren op te hangen. Ik vertel haar dat ik graag met iemand van het ANC wil praten. ‘Wij mogen niet met de media spreken’, bekent ze. O, wie dan wel? ‘Wacht’, zegt ze en toetst een nummer in op haar mobieltje, praat wat in Sotho en geeft de telefoon aan mij. Een mannenstem vraagt wat ik wil. Ik leg het uit. ‘Lukt niet’, zegt hij. Er is maar één iemand die met de media mag praten en die zit ver weg in Bloemfontein.
Nee, dan de oppositiepartij, de DA. Dat verloopt vlekkeloos. Een telefoontje en ik heb een afspraak met de afdelingsleider, met de provinciale leider en ik kan mee op campagne.
De DA is een liberale partij met een lange traditie van (blanke) oppositie. Eerst onder de naam Progressive Party, met als boegbeeld de onlangs overleden Helen Suzman, die in haar eentje het apartheidsregime het vuur aan de schenen legde. In 1989 veranderde de naam in Democratic Party, en in 2000, na een fusie met de Nieuwe Nationale Partij werd het Democratic Alliance, en was het de officiële oppositie.
Het ANC schilderde de DA altijd gretig af als een blanke, racistische partij. De arrogante partijleider Tony Leon maakte zich met zijn havikachtige gedrag inderdaad niet geliefd bij het progressieve deel der natie. Maar in 2006 stapte Leon op en werd het roer overgenomen door de burgemeester van Kaapstad, Helen Zille. Zij ging voortvarend te werk. Het beleid verschoof naar links en Zille tracht van de DA een brede non-raciale oppositiepartij te maken.
‘We proberen raciale politiek te overstijgen’, zegt Roy Jankielsohn, sinds 2006 provinciaal leider van de DA. ‘Onze kieslijst is daar een indicatie van.’ Bestudering van de lijst voor de Vrijstaat-provincie leert echter dat dat wel meevalt. Slechts vier van de 24 namen zijn onmiskenbaar ‘zwart’. Mogelijk zitten er ook nog wat kleurlingen tussen, maar het gros der namen duidt op blanke dominantie.
Jankielsohn hoopt dat de DA bij de verkiezingen minstens zestien procent van de stemmen zal binnenslepen. Nog nooit heeft zijn partij zo intensief campagne gevoerd. Alleen al Kroonstad heeft ruim drieduizend posters ontvangen, het tienvoudige van bijvoorbeeld de lokale afdeling van Vrijheidsfront+.
De DA heeft ook goed gekeken naar Barack Obama’s campagne in de Verenigde Staten. Behalve van posters, pamfletten en een deur-aan-deurcampagne wordt er ook gebruik gemaakt van call centers, blogs, Facebook, e-mails en sms-boodschappen. ‘We moeten zichtbaar zijn, laten zien dat we met velen zijn. En we moeten zwarte gezichten hebben. Different strokes for different blokes. Mensen beginnen langzaam maar zeker in te zien dat er een alternatief is voor het ANC’, zegt Jankielsohn.
Vooralsnog lijkt het vechten tegen de bierkaai. De DA mist de liedjes, de danspassen, de slogans en de belofte van contracten, alles waarmee het ANC als bevrijdingsbeweging zo goed scoort. Zodra Jacob Zuma zijn lijflied Ushini Wami (‘Breng me mijn machinegeweer’) in een vol stadion inzet raakt het publiek buiten zinnen. Zuma is de verlosser. DA-leider Zille kan vloeiend Xhosa spreken, en een botoxbehandeling, een nieuw kapsel en een frisse garderobe hebben haar uiterlijk geen kwaad gedaan, maar wat charisma betreft kan ze niet tippen aan Zuma.
Jankielsohn schudt zijn hoofd: ‘Je stemt op een partij vanwege het beleid, de principes en de politieke agenda, niet omdat de leider zo goed danst of zo mooi zingt.’
Hij staart even voor zich uit, en nuanceert dan: ‘Nou ja, sommigen beginnen door te krijgen dat het daar om gaat.’ Een zucht: ‘Het wordt een lang proces. Voor deze verkiezingen hebben we drie doelen: winnen in de Westkaap-provincie, onze nationale aanhang vergroten, en de tweederde meerderheid van het ANC beëindigen.’
In de Vrijstaat heeft de DA volgens Jankielsohn ruim driehonderd activisten getraind. Die voeren nu campagne in de zwarte townships. ‘Je moet dapper zijn om dat te doen’, zegt Jankielsohn, verwijzend naar recente incidenten in Botshabelo en Sasolberg, waar de DA tijdens een bijeenkomst door ANC-aanhangers met stoelen werd bekogeld.
DE DA-VERKIEZINGSTRUCK stopt in het stof voor wat krotten van Marabastad. Nummer twee op de provincielijst, Patricia Kopane, met een been in het gips na de stoelensmijterij in Sasolberg, spreekt in Sotho de mensen toe die op het kabaal zijn afgekomen. Kinderen stuiven als kippen af op de snoepjes die ze vanaf de truck krijgen toegeworpen. Volwassenen roepen: ‘Ké batla skipper’, ‘ik wil een T-shirt’. Een gratis hemd, van welke partij dan ook, is altijd meegenomen als je van nog geen honderd euro per maand moet rondkomen.
Samuel Mzizi slaat het tafereel van een afstandje gade. Hij is 41, getrouwd, vader van twee kinderen en woont in een krot. Een paar jaar werkte hij als veiligheidswacht in Johannesburg. Gewapend met een geweer moest hij vrachtwagens begeleiden die in de townships spullen kwamen afleveren. Die werden nogal eens overvallen door tsotsi’s (gangsters). Maar op een gegeven moment werd hij ziek en verloor hij zijn baan. Nu is hij dagloner. Elke ochtend om half zeven staat hij hoopvol bij Cash Builders, samen met nog zo’n tweehonderd andere sloebers. Op een gegeven moment komt er dan een vrachtwagen die de voor die dag benodigde arbeiders komt ophalen, meestal een stuk of veertig. De mannen rennen als een gek naar de laadbak, elkaar wegduwend en wegtrekkend. De slimsten, de sterksten en de snelsten zegevieren. De rest keert onverrichter zake terug naar huis.
Mzizi weet nog niet of hij gaat stemmen. En als hij gaat wordt het in elk geval niet het ANC: ‘Ik heb al zo vaak gestemd. Ze beloven van alles, maar er gebeurt niks. Vijftien jaar lang doen ze al beloftes.’
En de DA? Afwachten, zegt hij. ‘Maar Helen Zille is goed. Zij is een sterke vrouw en is erop gebrand de corruptie aan te pakken. Want daar ligt het probleem. Er is geld, maar je kunt het aan niemand toevertrouwen.’
Maakt de uitzichtloosheid hem niet gek? Mzizi schudt zijn hoofd en zegt dan iets dat me doet denken aan Antjie Krog en haar rotsvaste geloof in Zuid-Afrika en zwarte en blanke saamhorigheid (‘We haakten de armen in elkaar. We liepen arm in arm. We stonden arm in arm’), nog altijd vruchtbaar onder die drab van corruptie en fatalisme. Mzizi, een man met nauwelijks onderwijs, zegt: ‘Ons land maakt grote veranderingen door. Mensen zien dingen niet langer in raciale termen. De DA is nu gewoon een politieke partij, net als het ANC.’

DE VOLGENDE dag doe ik een laatste poging om het ANC te bereiken. Ik heb een telefoonnummer van raadslid Tjaart Benade. Ik bel en leg hem uit wat ik wil. Hij zegt dat hij zijn best zal doen. Een half uur later belt hij terug. Hij heeft met de burgemeester gesproken. Wanneer ik kan? Ik vertel hem dat ik nog anderhalve dag in Kroonstad ben. ‘Dus vanmiddag na vijven?’ zegt hij. ‘Ik bel je terug.’
Het blijft stil. De geur van rottende aarde.