Tijd van woede

Een bevend aardrijk

Om de onrust in de wereld te snappen, de oorlogen, de botsing der beschavingen, moeten we terug naar het oproer uit de negentiende en begin twintigste eeuw.

Parijs. Mensen brengen bloemen om de doden te herdenken die vielen bij een aanslag op de Bataclan. 15 november 2015 © Patrick Zachmann / Magnum Photos / HH

De afgelopen jaren doet zich op veel plaatsen barbaars geweld voor: oorlogen in Oekraïne en het Midden-Oosten, zelfmoordaanslagen in België, Xinjiang, Nigeria en Turkije, revoltes van Jemen tot Thailand, bloedbaden in Parijs, Tunesië, Florida, Dhaka en Nice. Conventionele oorlogen tussen landen vallen in het niet bij die tussen terroristen en antiterroristen en rebellen en contrarebellen. Ook woeden er economische, financiële en cyberoorlogen, oorlogen om en door middel van informatie, oorlogen om drugshandel en migratie in te tomen en oorlogen tussen stedelijke militia en tussen maffiagroeperingen. Het zou heel goed kunnen dat toekomstige historici zulke onsamenhangende onrust als de opmaat naar de Derde – en langste en vreemdste – Wereldoorlog beschouwen, een die vanwege zijn alomtegenwoordigheid in de buurt komt van een wereldwijde burgeroorlog.

Ongetwijfeld zijn er complexere krachten in het spel dan tijdens de vorige twee grote oorlogen. Het geweld, dat zich niet beperkt tot vaste slagvelden en frontlinies, lijkt plaatsgebonden en onbeheersbaar. Nog opmerkelijker is dat zelfs de meest in het oog springende strijders – de terroristen – het moeilijkst te identificeren zijn. Aanslagen op westerse steden leiden sinds 11 september 2001 herhaaldelijk tot vragen als: ‘Waarom haten ze ons?’ en: ‘Wie zijn ze?’

Voor de opkomst van Donald Trump heeft Islamitische Staat van Irak en Syrië met zijn overrompelende militaire overwinningen, exhibitionistische wreedheden en kordate verleiding van jongeren uit Europese en Amerikaanse steden het idee versterkt dat er sprake is van een uitzonderlijke crisis in het Westen.

IS lijkt nog prangender vragen op te roepen dan al-Qaeda. Waarom, bijvoorbeeld, levert van de negentig landen waaruit de jihadisten in Irak en Syrië afkomstig zijn uitgerekend Tunesië het grootste contingent, het land waar de ‘Arabische lente’ begon en dat geldt als het meest verwesterde islamitische land? Waarom sluiten tientallen Britse vrouwen, onder wie goed presterende middelbare-schoolleerlingen, zich aan bij IS, zelfs al houden de strijders meisjes van amper tien jaar oud als slaaf, verkrachten ze hen en laten ze er geen misverstand over bestaan dat moslima’s tussen hun negende en zeventiende moeten trouwen en in volledige afzondering moeten leven?

Een anonieme auteur van The New York Review of Books zegt dat ‘we moeten toegeven dat we niet alleen geschokt zijn, maar ook verbijsterd’ en dat ‘niets sinds de overwinning van de Vandalen in het Romeinse Noord-Afrika zo plotseling, onbegrijpelijk en onomkeerbaar lijkt’.

Sommige verklaringen met de islam in de hoofdrol zijn uitgemond in de eindeloze ‘wereldwijde oorlog tegen terreur’ en niet minder dwingende – en wereldvreemde – beleidsmaatregelen die tot doel hebben ‘gematigde’ moslims aan te moedigen ‘extremistische ideologieën’ te ‘vermijden’ en de islam te ‘hervormen’. Het wordt steeds duidelijker dat de politieke elites in het Westen, die maar niet afkomen van hun verslaving aan strepen trekken in het zand, regimeverandering en hervorming van de plaatselijke mores, niet lijken te beseffen wat ze moeten doen en wat ze teweegbrengen.

Als tegenwicht voor hun gebrek aan lef om met de politieke uitdaging van het terrorisme om te gaan reageren ze met overdreven militaire campagnes, vaak zonder de moeite te nemen de bange bevolking om toestemming te vragen. En hoewel ze vaak despoten in het zadel houden, hebben ze voortdurend de mond vol van hun superieure ‘waarden’, bombastische taal die intussen is uitgemond in een racistische, door Trump met succes uitgebuite haat jegens immigranten, vluchtelingen en moslims (en vaak jegens hen die er alleen maar ‘islamitisch uitzien’). Tegelijkertijd doen selfiebeluste jonge moordenaars overal de trage vervolgers van ‘extremistische ideologieën’ versteld staan, die op hun beurt wraak nemen met gechoreografeerde bloedbaden op de grond via bommen uit de lucht.

Hoe zijn we in deze danse macabre verzeild geraakt? Velen zullen zich de hoopvolle periode herinneren die volgde op de val van de Berlijnse Muur in 1989. Met de ineenstorting van het sovjetcommunisme leek de universele triomf van het vrije kapitalisme en de vrije democratie verzekerd. Vrije markten en mensenrechten bleken het juiste recept voor de miljarden mensen die jarenlange vernederende armoede en politieke onderdrukking achter zich probeerden te laten; de woorden ‘globalisering’ en ‘internet’ wekten, in die onschuldige tijd, meer hoop dan vrees toen ze tot het algemeen spraakgebruik gingen behoren.

Amerikaanse adviseurs spoedden zich naar Moskou om de overgang van Rusland naar een liberale democratie mogelijk te maken, China en India stelden hun economieën open voor handel en investeringen, nieuwe natiestaten en democratieën bloeiden overal in Europa, Azië en Afrika, de Europese Unie breidde uit, in Noord-Ierland werd vrede gesloten, Nelson Mandela voltooide zijn lange mars naar de vrijheid, de dalai lama verscheen in de ‘Think Different’-reclame van Apple en het leek nog maar een kwestie van tijd of ook Tibet zou een vrij land zijn.

***

In de afgelopen twee decennia begonnen zelfs de elites van veel voormalig socialistische landen het ideaal van kosmopolitisch liberalisme aan te hangen: de universele, commerciële samenleving van rationeel hun eigenbelang nastrevende individuen die oorspronkelijk in de achttiende eeuw werd bepleit door Verlichtingsdenkers als Montesquieu, Adam Smith, Voltaire en Kant. En inderdaad leven we tegenwoordig in een gigantische, homogene wereldmarkt waarin mensen worden geprogrammeerd om hun eigenbelang te maximaliseren en dezelfde dingen te willen, ongeacht hun culturele achtergrond of persoonlijke temperament. De wereld lijkt meer ontwikkeld, onderling verbonden en welvarend dan op enig ander moment in de geschiedenis.

Mensen die schuimbekken van walging en venijn zijn een normaal verschijnsel geworden in de traditionele én de nieuwe media

Het gemiddelde welzijn is gestegen, zij het niet rechtvaardig verdeeld; de economische ellende is zelfs in de armste delen van India en China afgenomen. Er voltrekt zich een nieuwe wetenschappelijke revolutie die zich kenmerkt door ‘kunstmatige’ intelligentie, robotica, drones, het in kaart brengen van het menselijk genoom, genetische manipulatie en klonen, verdere verkenning van de ruimte en via fracking verkregen fossiele brandstoffen. Maar de beloofde universele beschaving – tot stand gekomen dankzij een combinatie van algemeen stemrecht, ruime scholingskansen, gestage economische groei, privé-initiatief en persoonlijke vooruitgang – is uitgebleven.

Globalisering – gekenmerkt door internationale geldstromen, steeds snellere communicatie en groot maatschappelijk aanpassingsvermogen – holt overal oude autoriteitsvormen uit, zowel in Europese sociaal-democratieën als in Arabische despotische regimes, en heeft de opkomst mogelijk gemaakt van een scala van nieuwe, internationale spelers, van Engelse en Chinese nationalisten, Somalische piraten, mensenhandelaars en anonieme cyberhackers tot Boko Haram. De schokgolven van de financiële crisis van 2008 en de Brexit en Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2016 bevestigden dat, zoals Hannah Arendt in 1968 schreef, ‘alle volken op aarde voor het eerst in de geschiedenis in een gedeeld heden leven’. In het tijdperk van de globalisering ‘is elk land zowat de naaste buur geworden van elk ander land en voelt iedereen de schok van gebeurtenissen die zich aan de andere kant van de aarde voltrekken’.

De kwade geesten van IS hebben deze onderling samenhangende wereld wel bijzonder energiek in hun voordeel aangewend; in hun handen is het internet een vernietigend effectief propagandamiddel voor de wereldwijde jihad geworden. Maar demagogen van allerhande slag, van Recep Tayyip Erdogan in Turkije en Narendra Modi in India tot Marine Le Pen in Frankrijk en Donald Trump in Amerika, putten uit dezelfde borrelende reservoirs van cynisme, verveling en onvrede.

China, hoe vriendelijk voor de markt ook, lijkt verder van democratie verwijderd en dichter bij expansionistisch nationalisme dan ooit. Het experiment met vrijemarktkapitalisme in Rusland heeft een kleptocratisch, messianistisch regime opgeleverd. In Polen en Hongarije zijn er expliciet antisemitische regimes door aan de macht gekomen.

Een opstand tegen de globalisering en tegen hen die ervan profiteren heeft geleid tot het vertrek van Groot-Brittannië uit de Europese Unie, waardoor die laatste aan grote verwarring ten prooi is gevallen, of misschien zelfs ten dode is opgeschreven. Autoritaire leiders, antidemocratische reacties en rechts-extremisme bepalen de politiek van zowel Oostenrijk, Frankrijk en de Verenigde Staten als India, Israël, Thailand, de Filippijnen en Turkije. Haatzaaien jegens immigranten, minderheden en verschillende als zodanig benoemde ‘anderen’ is gemeengoed geworden, zelfs in Duitsland, waar de politiek en de cultuur na de nazitijd waren gebaseerd op het voorschrift ‘nooit meer’.

Mensen die schuimbekken van walging en venijn – zoals belangrijke Republikeinse presidentskandidaten die Mexicaanse immigranten tijdens de Amerikaanse voorverkiezingen ‘verkrachters’ noemden en Syrische vluchtelingen vergeleken met ‘dolle honden’ – zijn een normaal verschijnsel geworden in zowel de traditionele als de nieuwe media. Tot de steeds langere spiraal van etnische en sub-etnische slachtingen en opstanden behoren bizarre anachronismen en noviteiten als maoïstische guerrillastrijders in India, zichzelf opofferende Tibetaanse monniken en boeddhistische etnische zuiveraars in Sri Lanka en Myanmar.

Nationalistische boeddhisten demonstreren bij de Amerikaanse ambassade in Yangon (Myanmar) tegen Rohinga-moslims © Gemunu Amarasinghe / AP / HH

In deze tijd van woede worden we voortdurend geteisterd door weerzinwekkende beelden en geluiden; de drempel van de gruwelijkheden komt steeds lager te liggen sinds op tv de eerste onthoofding in Irak te zien was van een westerse gijzelaar in een oranje Guantánamo-overall (in 2004, net toen breedbandinternet zijn intrede deed in middenklassehuishoudens). Maar het racisme en de vrouwenhaat die veelvuldig in de social media opduiken, en de demagogie in het politieke discours, laten zien wat Nietzsche, daar waar hij het heeft over de ‘mensen van het ressentiment’, een ‘groot bevend aardrijk van onderaardse wraakzucht, onuitputtelijk, onverzadigbaar in hun uitbarstingen tegen de gelukkigen’ noemt.

Overal heerst paniek, die in niets lijkt op de gecentraliseerde angst die van despotische macht uitgaat. Het is eerder het gevoel, opgewekt door nieuwsmedia en versterkt door sociale media, dat iemand op elk moment iets kan overkomen. Het idee dat de wereld zich volledig aan onze greep begint te onttrekken wordt versterkt door de realiteit van klimaatverandering, waardoor het lijkt alsof de aarde zelf door ons wordt belaagd.

***

De reikwijdte van deze universele crisis is veel groter dan terrorisme en geweld. Wie gewend is de verklaring van een wereldwijde botsing der beschavingen aan te roepen waarmee de islam tegen het Westen wordt opgezet en religie tegen rede kan veel politieke, maatschappelijke en milieuproblemen niet verklaren. En zelfs de vertegenwoordigers van de ‘botsing’-opvatting zullen het verhelderender vinden om, onder de laag quasi-religieuze bombastische taal, de grote intellectuele en psychologische affiniteit te herkennen die opzichtige islamitische afficionado’s van het IS-kalifaat delen met vele al even opzichtig seculiere radicalen uit de negentiende en vroege twintigste eeuw: de estheten die oorlog, misogynie en pyromanie verheerlijkten, de nationalisten die joden en liberalen van ontworteld kosmopolitisme beschuldigden en redeloos geweld verheerlijkten, en de nihilisten, anarchisten en terroristen die op bijna elk continent gedijden tegen de achtergrond van knusse politiek-financiële onderonsjes, verwoestende economische crises en stuitende ongelijkheid.

Duitse en Italiaanse nationalisten riepen meer dan een eeuw voordat het woord ‘jihad’ gemeengoed werd op tot een ‘heilige oorlog’

We moeten terug naar het oproer uit die periode om onze eigen tijd van woede te begrijpen. Want de Fransen die aan het einde van de negentiende eeuw bomaanslagen pleegden op concertzalen, cafés en de beurs van Parijs en de Franse anarchistische krant die opriep het ‘hol’ (een theater in Lyon) ‘te verwoesten’, waar de ‘fine fleur van de bourgeoisie en de handel’ na middernacht bijeenkwam, hebben meer dan we beseffen gemeen met de door IS geïnspireerde jonge Europese burgers die in november 2015 in Parijs bijna tweehonderd mensen afslachtten in een poptempel, bars en restaurants.

Veel van onze eigen ervaringen komen overeen met die van mensen uit de negentiende eeuw. Duitse en vervolgens Italiaanse nationalisten riepen meer dan een eeuw voordat het woord ‘jihad’ gemeengoed werd op tot een ‘heilige oorlog’ en de hele negentiende eeuw door sloten jonge Europeanen zich aan bij politieke kruistochten in verre landen, vastbesloten tot de vrijheid of de dood. Revolutionair messianisme – de hang naar een wereldwijde, definitieve oplossing, het idee van de eigen groepering als sekte van ware gelovigen en van de revolutionaire leider als held en halfgod – bloeide onder Russische studenten die genoeg hadden van de wreedheden en de hypocrisie van hun heersers, de Romanovs. Zowel toen als nu was het gevoel door een arrogante, leugenachtige elite te worden vernederd wijdverbreid en liep het door alle nationale, religieuze en raciale scheidslijnen heen.

Massabewegingen als het nazisme, het fascisme en het communisme, die beweerden de collectieve energie op een innovatieve manier te kanaliseren, leidden aan het begin van de twintigste eeuw in Europa tot oorlogen, genocide en tirannieke bewinden. Maar de drang om door middel van gezamenlijke inspanningen en staatsmacht de volmaakte samenleving te creëren is in het Westen en in Rusland duidelijk over zijn hoogtepunt heen. Belangrijker nog is dat dat ideaal zeer zwak is in ‘opkomende’ machten als China en India en zelfs wordt ondermijnd door het selfie-individualisme van de fanatieke stichters van een kalifaat in het Midden-Oosten.

Wat wordt miskend is dat mensen zich overal ter wereld ineens publiekelijk zijn gaan beschouwen als individuen met rechten, verlangens en belangen, zelfs wanneer ze niet zo ver gaan als Margaret Thatcher met haar idee dat ‘er niet zoiets bestaat als een samenleving’. In het grootste deel van de wereld sinds 1945 gold geplande en geleide economische groei in soevereine natiestaten als het middel om algehele verheffing en specifieke doelen als seksegelijkheid te bevorderen. In het tijdperk van de globalisering die zich na de val van de Muur aandiende werd de politiek geleidelijk steeds rumoeriger door de oeverloze aanspraken op individuele vrijheden en pleziertjes.

Aan het begin van de jaren negentig voltrok zich wereldwijd de democratische revolutie van de ambitie – van het soort waarvan Tocqueville vele voorboden zag in het vroeg-negentiende-eeuwse Amerika – die het vuur van een verlangen naar rijkdom, status en macht deed ontbranden, boven op het gebruikelijke verlangen naar stabiliteit en welzijn, en dat alles onder de meest ongunstige omstandigheden. Een egalitaire ambitie maakte zich los uit oude maatschappelijke hiërarchieën, zoals het kastenstelsel in India en het klassenstelsel in Groot-Brittannië. De cultuur van het individualisme werd universeel op een manier die nauwelijks was voorzien door Tocqueville noch Adam Smith, de eerste met een theorie over een commerciële samenleving vol zelfzuchtige individuen.

Door de nadruk op individuele rechten zijn mensen zich bewuster geworden van maatschappelijke discriminatie en sekseongelijkheid; in veel landen worden verschillende seksuele voorkeuren tegenwoordig opvallend vaak geaccepteerd. Maar de bredere politieke implicaties van dit revolutionaire individualisme zijn een stuk minder duidelijk. De crises van de afgelopen jaren hebben laten zien dat het bij lange na niet lukt de idealen van onophoudelijke economische groei en de persoonlijke verwerving van rijkdom te verwezenlijken. De meeste nieuwe ‘individuen’ ploeteren in slecht uitgedachte sociale en politieke gemeenschappen en/of landen met een zwakke soevereiniteit.

Ze hebben het niet alleen moeilijk doordat, zoals Tocqueville in een ander verband schreef, ‘traditionele banden, steun en bepalingen zijn verkwanseld, tezamen met de beloftes die ze inhouden voor iemands eigenwaarde en identiteit’. Hun isolement is verder vergroot door de teloorgang of het verlies van postkoloniale natievormingsideologieën en doordat geglobaliseerde technocratische elites de sociaal-democratie hebben afgedankt. En zo komt het dat individuen met een totaal verschillende geschiedenis door het kapitalisme en de technologie bijeen zijn gedreven in een gedeeld heden, waarin een stuitend onevenredige verdeling van welvaart en macht tot vernederende nieuwe hiërarchieën heeft geleid.

Deze toestand van wat Hannah Arendt ‘negatieve solidariteit’ heeft genoemd, wordt nog claustrofobischer door digitale communicatie, de steeds grotere mogelijkheden die mensen hebben om zichzelf vol afgunst en wrok met elkaar te kunnen vergelijken, en door het algehele en daarom compromitterende streven zich te onderscheiden en uniek te zijn.

Tegelijkertijd openbaren zich overal de fnuikende tegenstellingen van een dynamisch economisch stelsel, die zich voor het eerst openbaarden in het negentiende-eeuwse Europa: uitbarstingen van technologische innovatie en groei tegenover systematische uitbuiting en grootschalige verpaupering. Veel van deze schokeffecten van de moderniteit werden destijds opgevangen door overgeërfde sociale netwerken (familie en gemeenschap) en de verzorgingssteunkussens van de staat. Tegenwoordig worden mensen er rechtstreeks aan blootgesteld in een tijdperk van steeds hevigere concurrentie op een steeds ongelijker speelveld, waar je maar al te gemakkelijk merkt dat er geen sprake is van een samenleving of een staat, alleen van een oorlog van iedereen tegen iedereen.

Hun vanzelfsprekend natuurlijke recht op leven, vrijheid en veiligheid, dat toch al onder druk staat door fundamentele ongelijkheid, wordt bedreigd door politiek disfunctioneren en economische stagnatie en, in landen die lijden onder klimaatverandering, schaarste en leed die doen denken aan het premoderne economische leven. Het gevolg is, zoals Arendt al vreesde, een ‘enorme toename van wederzijdse haat en een min of meer universele ergernis van een ieder aan ieder ander’, of ressentiment.

Het Westen zal nooit genoeg kennis, discipline en verbeelding kunnen opbrengen om het verschijnsel IS te bevatten
***

Ressentiment, existentiële verbolgenheid over anderen, veroorzaakt door een krachtig brouwsel van afgunst en een gevoel van vernedering en machteloosheid, vergiftigt de burgermaatschappij wanneer het blijft sluimeren en erger wordt, en ondermijnt de politieke vrijheid. Op dit moment is het overal ter wereld verantwoordelijk voor een hang naar autoritarisme en kwalijke vormen van chauvinisme.

Dat we zo onthutst zijn, als geglobaliseerde en overbeschaafde individuen, komt te meer doordat de belofte van een betere wereld in de hoopvolle tijd na de val van de Muur niet vergezeld ging van een waarschuwing van rechtswege: dat samenlevingen die zo zijn georganiseerd dat ze het samenspel mogelijk maken tussen mensen die hun eigenbelang najagen ten onder kunnen gaan aan heftige stammentwisten, zo niet aan nihilistisch geweld. Degenen met macht en invloed onder ons gingen er simpelweg vanuit dat, met het socialisme eenmaal dood en begraven, doortastende ondernemers in vrije markten wel zouden zorgen voor snelle economische groei en wereldwijde voorspoed en dat Aziatische, Latijns-Amerikaanse en Afrikaanse samenlevingen net als Europa en Amerika steeds seculierder en rationeler zouden worden naarmate de economie steeds harder zou groeien.

Volgens een ideologische orthodoxe leer, die zich verhardde na de definitieve afrekening met communistische regimes in 1989, hoefden overheden alleen maar een stap opzij te doen voor vrije ondernemers en moesten ze ophouden arme en luie mensen te subsidiëren. De lange, complexe ervaring van zowel sterke Europese en Amerikaanse als Oost-Aziatische economieën – actieve staatsbemoeienis met markten en subsidiëring van strategische industrieën, lange periodes van economisch nationalisme, investeringen in zorg en onderwijs – werd terzijde geschoven in een nieuwe, triomfalistische geschiedenis van het vrije ondernemerschap. Non-gouvernementele organisaties en de Wereldbank gingen ervan uit dat het grote deel van de wereldbevolking dat het moeilijk had de West-Europese en Amerikaanse levensstandaard zou naderen als het zijn economieën zou liberaliseren en meer zou openstaan voor het individuele streven naar geluk.

V.S. Naipaul verwoordde zijn vertrouwen in de wereldwijde verwestersing toen hij in 1990 in een toespraak voor een rechtse denktank in New York het ‘najagen van geluk’ door middel van individueel ondernemerschap het laatste en belangrijkste streven van de mensheid noemde. ‘Ik vind het geweldig’, zei hij, ‘om te bedenken, na twee eeuwen en na het afschuwelijke eerste deel van de eeuw, dat het idee – niet meer dan een paar woorden in de inleiding tot de Amerikaanse grondwet – overal tot bloei komt.’ De Amerikaanse hang naar geluk ‘kan niet tot fanatisme leiden’, verzekerde Naipaul zijn gehoor van America First, en ‘andere, starre stelsels zullen, zelfs al zijn ze religieus, uiteindelijk overwaaien’.

Tijdens de ‘lange strijd’ tegen de Sovjet-Unie vormden dergelijke visies op het niet-Westen dat geleidelijk met het liberaal-democratische Westen samenviel een bruikbaar tegenwicht tegen het communistische programma van gewelddadige revolutie. Zoals Naipauls vertrouwen laat zien, leken ze enkele jaren na de Koude Oorlog zelfs haalbaar.

Maar in de plannen om het westerse model te verbreiden werd steevast voorbijgegaan aan de betekenis van de uitzonderlijk wrede inwijding van het Westen in de politieke en economische moderniteit. Grootschalig geweld, ontheemding en vernietiging gingen gepaard met de eerste fase van een ongekend menselijk experiment in Europa en Amerika. Zoals Marx en Engels in Het communistisch manifest (1848) schreven, eerder opgewonden dan bezorgd, is de moderne tijd, radicaal veranderd door een ontketende wereldmarkt, er een waarin ‘alle vaste, ingeroeste verhoudingen met hun gevolg van eerwaardige voorstellingen en zienswijzen worden opgelost. (…) Al het feodale en al het vaststaande verdampt, al het heilige wordt ontwijd.’

De scherpste geesten van de negentiende eeuw, van Kierkegaard tot Ruskin, deinsden terug voor modernisering, zij het dat ze er niet altijd de duistere kanten van inzagen: roofzuchtig kolonialisme en wrede oorlogen in Azië en Afrika, de institutionalisering van vooroordelen als antisemitisme en de wijdverspreide verschrikking, verergerd door pseudo-wetenschap, van wat Theodore Roosevelt ‘rassenzelfmoord’ noemde.

***

Aan het einde van de negentiende eeuw kwamen de Europese en Japanse heersende klassen in het geweer tegen de schade en de ontwrichting van de wereldmarkt door met het oog op binnen‑ en buitenlandse dreiging op te roepen tot eenheid, waartoe ze nieuwe fabels over etnische en religieuze solidariteit verspreidden en zich van militaristisch nationalisme bedienden in wat ze de strijd om het bestaan noemden. In de eerste helft van de twintigste eeuw omarmden niet alleen nazi’s en fascisten de theorieën van het sociaal-darwinisme, die ze intussen druk moderniseerden. In heel Europa en Amerika konden die op steun rekenen, evenals in de ontwikkelde, ambitieuze bevolkingslagen in Turkije, India en China.

In de jaren veertig waren elkaar beconcurrerende naties in Europa betrokken bij de meest barbaarse oorlogen en misdaden tegen religieuze en etnische minderheden uit de geschiedenis van de mensheid. Pas na de Tweede Wereldoorlog werden Europese landen gedwongen, vooral door de Amerikaanse economische en militaire macht, minder vijandige politieke en economische betrekkingen aan te gaan, wat uiteindelijk leidde tot dekolonisatie en de Europese Unie.

Toch is in de afgelopen decennia slechts zelden erkend dat de geschiedenis van de modernisering er grotendeels een was van slachtingen en chaos in plaats van vreedzame eenwording en dat de politiek van geweld, hysterie en wanhoop allesbehalve uniek was voor nazi-Duitsland, het fascistische Italië en het communistische Rusland.

Europa’s uitzonderlijke ervaring na 1945 met aanhoudende economische groei in combinatie met sociaal-democratie heeft diep verborgen verdeeldheid en langdurige trauma’s helpen verbloemen. De gekuiste geschiedenis waarin werd verheerlijkt hoe de Verlichting, Groot-Brittannië of het Westen de moderne wereld mogelijk had gemaakt, stopte de twee wereldoorlogen in een eigen, apart gehouden doos en zonderde het stalinisme, het fascisme en het nazisme in de grote stroom van de Europese geschiedenis af als monsterlijke aberraties. ‘Totalitarisme’, met zijn tientallen miljoenen slachtoffers, werd beschouwd als een boosaardige reactie op een goedaardige Verlichtingstraditie van rationalisme, humanisme, universalisme en liberale democratie, een traditie die als onproblematische norm werd beschouwd. Het was duidelijk te verontrustend om te erkennen dat in de totalitaire politiek de ideologische stromingen waren samengebald (wetenschappelijk racisme, oorlogszuchtig nationalisme, imperialisme, technicisme, esthetische politiek, utopisme, maatschappelijke hervorming en de gewelddadige strijd om het bestaan) die aan het einde van de negentiende eeuw in Europa opkwamen.

Deze bizarre onverschilligheid voor zo’n veelzijdig verleden, de fixatie van de Koude Oorlog op het totalitarisme en nog meer het-Westen-tegen-de-rest-denken sinds 11 september verklaren waarom onze tijd van woede tot zulke absurd grote angst en ontreddering heeft geleid, bondig verwoord door de anonieme auteur in The New York Review of Books die ervan overtuigd is dat het Westen nooit ‘genoeg kennis, discipline, verbeelding en bescheidenheid zal kunnen opbrengen om het verschijnsel IS te bevatten’.


De Brits-Indiase Pankaj Mishra is een van de belangrijkste denkers van onze tijd. Dit is een voorpublicatie uit het boek Tijd van woede (Atlas Contact, 320 blz., € 27,90, vertaald door Nico Groen) dat deze week verschijnt. Voor een portret van Pankaj Mishra en een interview met hem over zijn nieuwste boek, zie hier.