Een bevlogen zwart wereldbeeld

Twee boeken over racisme, beide een verademing om te lezen. Maar: wie er in Nederland iets over wil zeggen, kan niet blind de terminologie en de retoriek uit de VS overnemen.

Medium hh 42861800

Een van de gruwelijkste scènes in Tussen de wereld en mij is die waarin Ta-Nehisi Coates beschrijft hoe zijn zoon, veertien jaar oud, ’s avonds laat opblijft om de bekendmaking van de tenlastelegging van Darren Wilson af te wachten, de witte politieagent die de ongewapende zwarte Michael Brown in Ferguson heeft doodgeschoten. Misschien is gruwelijk niet het juiste woord. ‘Hard’ dan. Of exemplarisch, want het illustreert Coates’ rigiditeit, of onverzoenlijkheid.

Het duurt tot elf uur ’s avonds voordat de tenlastelegging bekend wordt. Brown had wat sigaartjes gestolen, er was een korte worsteling, en nadat hij geprobeerd had te vluchten wilde hij zich overgeven, de politieagent schoot minstens twaalf keer op hem. Dan komt de uitspraak: de agent wordt niet vervolgd.

‘Ik moet gaan’, zegt zijn zoon en hij gaat naar zijn kamer. Coates schrijft dat hij zijn zoon hoort huilen, en dat hij vijf minuten wacht voordat hij naar hem toegaat. Maar niet om hem te troosten, niet om hem een knuffel te geven, want ‘de politiebureaus van dit land (zijn) bevoegd om je lichaam te vernietigen. Het maakt niet uit of de vernietiging het gevolg is van een iets te sterke reactie met ongelukkige afloop. Het maakt niet uit of het met een misverstand begint. Het maakt niet uit of het uit een domme richtlijn voortvloeit. Maar als je sigaretten verkoopt zonder de juiste vergunning kan je lichaam worden vernietigd. Heb je wraakgevoelens jegens de mensen die je lichaam in de val willen laten lopen, dan kan het vernietigd worden. Loop je in een donker trappenhuis: je lichaam kan vernietigd worden. De vernietigers zullen maar zelden ter verantwoording worden geroepen. Meestal krijgen ze een pensioen.’

Coates wilde niet zeggen dat het allemaal wel goed komt, schrijft hij, omdat hij gewoonweg niet gelooft dat het goed komt. Die les is voor zijn zoon belangrijker dan een knuffel, denkt Coates.

Sinds Between the World and Me is verschenen, is het onderwerp van debat in de VS – en in zo’n beetje elk land waarin over racisme wordt nagedacht en gesproken. Het boek is een The New York Times-bestseller, genomineerd voor de National Book Award, ga er maar van uit dat het op alle ‘Beste Boeken van het Jaar’-lijstjes komt. Terecht. Dat de vertaling deze week verschijnt bij Amsterdam University Press lijkt met de intocht van Sinterklaas perfect getimed, schreef de academicus en publicist Zihni Özdil afgelopen week in NRC Handelsblad, want wat hem betreft gaat het boek over Nederland: ‘Alles wat de Amerikaanse schrijver en journalist beschrijft in Tussen de wereld en mij heeft ook betrekking op ons land, met dien verstande dat Coates voortborduurt op een lange traditie van schrijvers van kleur die de Amerikaanse cultuur kritisch hebben doorgelicht.’

Het is belangrijk om meteen te zeggen dat dit niet waar is. Tussen de wereld en mij is een buitengewoon Amerikaans boek, dat een buitengewoon scherp, persoonlijk en verrassend poëtisch portret geeft van zwart Amerika. Coates heeft het opgeschreven als een brief aan zijn opgroeiende zoon. Als zwarte man opgroeien, zegt Coates, is weten dat je geen zeggenschap hebt over je lichaam. Het betekent dat je elk moment door agenten aangehouden kunt worden, gefouilleerd, vernederd; in de zwarte wijken betekent het dat je elk moment door oudere buurtjongens in elkaar geslagen kunt worden. Coates beschrijft dat wanneer hij met zijn vrienden over straat liep, op weg naar school, ze continu inschattingen maakten hoe sterk ze waren, wat ze aankonden, waarvoor ze zouden moeten vluchten. ‘Een doodgewone dag kan op straat ineens in een levensgevaarlijke quiz veranderen, waarbij elk fout antwoord kan leiden tot een pak slaag, een schietpartij of een zwangerschap.’ Wie te zacht was op straat, werd vernietigd; maar wie te hard was op school, te stoer, te brutaal, faalde op school, en werd teruggestuurd naar de straten die je vreesde.

Coates vertelt verder over hoe hij ging studeren aan een zwarte universiteit – zijn ‘Mekka’ –, hoe hij vader werd, hoe hij zijn eerste schreden in de journalistiek zette, het land door trok. Hij heeft het over de ‘killing fields’ van Chicago en Detroit, hij beschrijft het impliciete en expliciete racisme dat hij overal waarneemt. Zijn pessimisme heeft soms iets onredelijks – de onderdrukking van zwart door wit noemt hij letterlijk een natuurkracht – of althans; hij wil niet stilstaan bij de maatschappelijke vooruitgang in het zwart-witdebat, maar alleen al het feit dat zijn boek zo’n succes is, betekent dat de urgentie van dit onderwerp door meer mensen dan ooit tevoren wordt gevoeld. Dat is nog niet zaligmakend, maar het is een essentieel onderdeel van vooruitgang, toch? Tegen een idee waarvoor de tijd is gekomen, zijn geen legers bestand.

Waarom is het belangrijk te zeggen dat in Tussen de wereld en mij juist niet alles betrekking heeft op Nederland? Omdat Nederland geen getto’s heeft zoals Los Angeles, Baltimore of New York die hebben, omdat Nederland geen lange traditie met lynchings heeft, omdat in Nederland niet wekelijks mensen omkomen bij politie-arrestaties, omdat in Nederland niet zoveel mensen vuurwapens hebben dat angstige politieagenten trigger happy worden. Wie in Nederland iets over racisme wil zeggen, kan niet blind de terminologie en de retoriek uit de VS overnemen. Dat zit in de weg. Het geeft mensen die niet willen geloven dat ook Nederland racisme kent de mogelijkheid op de evidente verschillen te wijzen, en daarmee het noodzakelijke debat te vermijden.

‘Waarom willen we nog steeds niet begrijpen dat Özdil een net zo Nederlandse naam is als De Vries?’

Wat relevant is voor Nederland, zijn Coates’ gedachten over de constructie van ras. ‘Ras is het kind van racisme, niet de vader.’ Wat hij bedoelt is dat doordat er in rassen wordt gedacht, er onvermijdelijk ook in termen van sterkere/zwakkere, slimmere/dommere rassen gedacht zal worden. Er ontstaat een hiërarchie, en zo dus ‘white supremacy’. Daarmee bedoelt hij niet brandende kruizen en mannen met witte puntmutsen op, maar een manier van denken: ‘zwart’ is niet een huidskleur, maar een idee van minderwaardigheid. Ierse immigranten in de negentiende-eeuw waren ook ‘zwart’ besefte hij op de universiteit, homo’s, lesbiennes, er is altijd een groep die onderdrukt wordt, of ‘zwart’ is.

De meerwaarde van het verhaal van Ta-Nehisi Coates is juist dat het zo persoonlijk is: hij komt niet met een stoet statistieken, hij beschuldigt de media niet van beeldvorming, hij komt niet met rationele argumenten die iets voor eens en altijd moeten aantonen – hij schrijft alleen zijn waarheid op, soms woedend, soms gelaten, soms onredelijk, maar altijd onvermijdelijk. Je kunt niet, zelfs als je dat zou willen, tegen zijn beleving in argumenteren. Want het is zijn beleving, zijn wereldbeeld, daar kun je geen interpretaties of alternatieve statistieken tegenover zetten.

In die zin heeft Zihni Özdil het zichzelf een stuk moeilijker gemaakt met Nederland mijn vaderland, een betoog over zwart en wit in Nederland. Hij komt met een lijst aan voorvallen, situaties, waarnemingen die moeten illustreren dat Nederland niet zo kleurenblind is als het graag over zichzelf zegt. In ‘het culturele dna’ wordt Nederlanderschap alleen onder voorbehoud toegekend aan mensen die ‘niet als wit worden beschouwd. Gedogen, en niet accepteren, is onderdeel van dat voorbehoud.’

Özdil ziet racisme wanneer de Nederlandse rapper Fresku op de sociale media een ‘miljoenenpubliek’ heeft, maar niet gedraaid wordt op de landelijke radio omdat hij ‘te zwart’ zou zijn. Hij ziet racisme wanneer de Antilliaans-Nederlandse actrice Jasmine Sendar minder geld dan gebruikelijk geboden krijgt van Playboy, omdat ze als donkere vrouw op de cover minder zou verkopen. Hij ziet onrechtvaardigheid als we mensen afrekenen op hun achternaam: ‘Waarom willen we met z’n allen nog steeds niet begrijpen dat Özdil een net zo Nederlandse naam is als Wilders, Sörensen of De Vries?’

Het zijn allemaal overwegingen die tegenoverwegingen oproepen. Özdil is niet net zo’n Nederlandse naam als De Vries, ben je geneigd te zeggen, omdat je De Vries niet zal tegenkomen in Turkije – in de meeste landen schrijf je De Vries niet eens zo, maar wordt het automatisch Devries. Identiteit ontstaat niet uitsluitend door het benoemen van wat anders is dan jij, ‘othering’, maar ook door op te zoeken wat uniek is aan jou. Je kunt je afvragen of als het sinterklaasfeest in nog tien andere landen zou voorkomen, er niet een stuk relativerender over zou worden gedaan. Misschien krijgt Sendar vooral ook minder geld geboden door Playboy omdat ze nu eenmaal een stuk minder bekend is dan iemand als Katja Schuurman. Misschien wordt Fresku niet gedraaid omdat zijn muziek niet in het een-worst-format van de landelijke radio past – in de lange, lange rij van muzikanten die klagen omdat ze niet door 3FM worden gedraaid is niet iedereen zwart, het barst van de muzikanten die geen airtime krijgen omdat ze te country zijn, te alternatief, te Ellen van Damme, te niet-Justin Bieber.

Wat niet wegneemt dat Özdil ook talloze voorbeelden geeft die onweerlegbaar zijn. Net als Coates laat Özdil zien in hoeverre ‘zwart’ of ‘allochtoon’ een constructie is, geen werkelijkheid. Bijvoorbeeld hoe het woord allochtoon door de massamedia wel wordt gebruikt als een Antilliaan een misdaad begaat, maar niet als een Antilliaan de spil is in het succesvolle Nederlandse honkbalteam. Het zijn misschien geen onbekende voorbeelden, maar alles bij elkaar opgeteld laat Özdil overtuigend zien dat er zoiets als ‘institutioneel racisme’ bestaat: doordat mensen uit een bepaald milieu of een bepaalde afkomst elkaar opzoeken, kunnen mensen uit andere milieus of van andere aankomsten daar moeilijk tussenkomen. ‘Institutioneel’ betekent niet dat discriminatie in de statuten staat, maar dat het een onherroepelijk gevolg is van een informele cultuur. ‘Je kunt een organisatie hebben vol mensen die geen bewuste racisten zijn, maar die als organisatie structureel minderheden weert. Je hoeft alleen maar om je heen te kijken in Nederland: uitgeverijen, krantenredacties, omroepen, universiteitsbesturen, het politieapparaat enzovoort – ze zijn allemaal nagenoeg wit.’

Een beetje lullig, zoethoudend, is het om te zeggen dat daaraan gewerkt wordt. Er is geen krantenredactie die niet de meerwaarde ziet van redacteuren die niet dezelfde witte, autochtone achtergrond hebben als de rest van de redactie. Natuurlijk is ‘autochtone’ een adjectief waarvan Özdil liever heeft dat je het niet gebruikt, maar terminologie is moeilijk in dit debat. Woordkeuze, formulering. Wit privilege bestaat, maar leg dat ‘privilege’ maar eens uit aan een vijftigjarige werkloze wiens familie al generaties lang in Sneek of Assen woont (willekeurige voorbeelden). We kunnen termen als allochtonen verruilen voor ‘Turkse-Nederlanders’, zoals Özdil wil, zoals je in de VS bijvoorbeeld ‘Italian-Americans’ hebt, maar hebben we dan – zie de man in Sneek of Assen – ook ‘Nederlandse-Nederlanders’? Dat is het fundamentele van dit debat, en daarom roept het zulke heftige emoties op: niet alleen de positie van zwarte Nederlanders wordt herzien, maar daarmee die van alle Nederlanders. Wat nog maar eens onderstreept hoe onlosmakelijk alles en iedereen met elkaar verbonden is.

Na de vier boze ‘Black Twitter’-vrouwen in NRC Handelsblad eerder deze maand (‘Witte mannen moeten gebroken worden’) is zowel Coates als Özdil in meer of mindere mate een verademing om te lezen. Özdil overtuigt niet altijd, maar hij beargumenteert, zoekt, is redelijk en constructief. Coates is poëtisch, retorisch, bevlogen; hij zet een wereldbeeld op papier zoals je dat zelden gelezen zult hebben.


Beeld: 1 december 2014, St. Louis, Missouri. Studenten vragen om gerechtigheid voor de dood van de achttienjarige Michael Brown (Caitlin Ochs / Polaris / HH)