Een bewogen eeuw

De film werd dit jaar precies honderd jaar geleden ten doop gehouden. En wel door Louis Lumiere in Parijs. Tenminste, dat zeggen de Fransen. Want elk land heeft zo zijn eigen uitvinder van de film. Doet het er eigenlijk nog iets toe,r nu het tijdperk van de film als museumkunst nabijkomt?
DE VIERING VAN HET vermeende eeuwfeest van de cinema wordt in Nederland groot aangepakt. KPN heeft 1995, zonder inmenging van de Verenigde Naties, uitgeroepen tot Jaar van de Film en om dat initiatief filatelistisch niet onopgemerkt voorbij te laten gaan, verschenen onder die noemer twee postzegels. Bovendien was van september 1994 tot februari 1995 een speciale commissie actief om alle festiviteiten rond het jubilerende medium film te coordineren. Er staan aardig wat evenementen op het programma: het immer energieke Nederlands Filmmuseum biedt aangepaste exposities en voorstellingen, de tentoonstelling Cites Cines 2 komt in de Rai in Amsterdam, in 52 theaters zullen tot eind 1995 cinemaklassiekers worden gedraaid en in Rotterdam gaan volgende maand binnen- en buitenlandse cultuurbeschouwers filosoferen over de vraag of film nog wel toekomst heeft.

Discussiestof genoeg, want het juiste antwoord op die vraag is moeilijk te geven: de een acht film een onvergankelijk medium, de ander beweert dat nog voor het jaar 2000 flink zal worden getornd aan film als bioscoopervaring. In 1985 al bleek uit een publieksonderzoek dat de doorgaans somber gestemde Britse historicus John-Bevan Howard in het tijdschrift Images publiceerde, dat het medium cinemafilm voor de consument niet meer de enige audiovisuele ontspanning is. Het hoort er nog wel bij, maar niet lang meer. De Nederlandse filmmaker en beeldrechtexpert Wim Verstappen verkondigt in de Flashback van begin dit jaar weliswaar dat de film nooit helemaal dood zal gaan, maar hij vergelijkt het bioscoopbezoek van de toekomst met de manier waarop nu een opera-uitvoering wordt bijgewoond. In de eenentwintigste eeuw zullen in alle mogelijke media veel spectaculaire filmfragmenten te zien zijn waarvan men met stijgende bewondering zal kennisnemen: ‘Met hetzelfde ontzag waarmee wij nu naar de piramides kijken’, aldus Verstappen.
In NRC Handelsblad van 27 maart 1987 wees Willem-Jan Otten op het bestaan van het nieuwe type filmliefhebber: de 'videomaan’. Vijf jaar later, in juni 1992, sloot de uitslag van een enquete onder filmfans van het Canadese vakblad Business Screen daar precies bij aan: 91 procent van de (in Toronto) ondervraagden ziet films alleen nog op de tv en via de videorecorder, acht procent gaat wekelijks een- of tweemaal naar de cinema en een procent interesseert zich hoegenaamd niet voor film. Kortom: bioscoopfilm is intussen naar de mening van de onderzoekers Megevand en Drusiani op weg een museumkunst te worden, een vroege voorloper van video.
Op dit moment slaagt de bank Credit Lyonnais, die zich na het faillissment van de Italiaanse zakenman Giancario Parretti noodgedwongen eigenaar noemt van 66 Nederlandse MGM-bioscoopzalen, er niet in de filmtheaters van de hand te doen. Begin dit jaar liet het MGM-filiaal in Amsterdam in het tijdschrift Profile evenwel opgetogen weten de toekomst met vertrouwen tegemoet te zien en kondigde het aan in diverse grote steden in het land 'megacomplexen’ of 'multiplexen’ te gaan bouwen, compleet met creches 'zodat vader en moeder zonder oppasproblemen rustig naar de nieuwste films kunnen kijken’. Een wat wonderlijke tegenstrijdigheid, zoals de lange geschiedenis van de cinematografie er meer heeft gekend en nog wel een paar zal meemaken.
NEEM ALLEEN AL de honderdste 'geboortedag’ van de film. Gemakshalve wordt ervan uitgegaan dat de introductie van film plaatsvond op 28 december 1895 in de Indische salon van het Parijse Grand Cafe, Boulevard des Capucines nummer 14, hoek Rue Scribe. De Franse wetenschapper Louis Jean Lumiere (1864-1948), broer van Auguste (1862-1954) en zoon van fotograaf Antoine Lumiere, vertoonde daar met zijn cinematographe voor een volgens de overlevering 'verbluft publiek’ onder meer een korte scene van de aankomst van een trein op een station.
Of de toeschouwers echt zo ondersteboven waren van 'Arrive d'un train en gare de la Ciotat’ en andere programma-onderdelen ('Het uitgaan van de fabriek’ en 'De woelige zee’), daar is achteraf lastig achter te komen. Twee jaar eerder, in 1893, werkte de kinetoscope van de Amerikaanse uitvinder Thomas Alva Edison (1847-1931) in het laboratorium immers al perfect en in januari 1894 werd het apparaat (en replica’s daarvan) op grote schaal zowel binnen als buiten de Verenigde Staten met kortstondig succes commercieel geexploiteerd. Het toestel bestond uit een eenpersoonskijkkast waarmee door een soort trechter bewegende beelden konden worden aanschouwd van frivole danseressen, meelijwekkend boksende kangoeroes en vanuit tumultueuze kermisattracties gemaakte opnamen. Het werd, als de publikaties uit die periode erop worden nageslagen, enigszins gelaten geaccepteerd als een modieuze nieuwigheid, een modegril, in het gunstigste geval als een technische mogelijkheid waarmee de wetenschap haar voordeel zou kunnen doen.
Louis Lumiere zelf schatte de amusementswaarde van zijn cinematographe laag, de wetenschappelijke juist heel hoog in. Waarom, zo redeneerde de technicus in hem, zou men op den duur naar kunstmatig leven uit een machine blijven kijken als de levende werkelijkheid gratis was? Lumiere weigerde zelfs de cinematographe aan zijn stadsgenoot Georges Melies (1861-1938), directeur van Theater Robert Houdin, te verkopen. Showman Melies stelde zichzelf met het apparaat een winstgevende exploitatie in het vooruitzicht omdat hij 'gefilmde’ artiesten kon laten verdwijnen, groter en kleiner maken, naar de maan laten gaan, 'onthoofden’, et cetera. Hij hoefde ze maar eenmaal een honorarium te betalen en kon ze daarna 'als film’ zo vaak laten 'optreden’ als hij maar wilde. Lumiere trachtte illusionist Melies te behoeden voor een financiele strop. Hij probeerde hem ervan te overtuigen dat de interesse van het publiek voor de wonderen van de cinematographe slechts van zeer tijdelijke aard zou zijn. Waarna Melies zelf een versie van de cinematographe construeerde en in 1896 eigen films, bestaande uit gefilmde spectaculaire goocheltrucs, te midden van zijn 'live’ programma’s vertoonde.
Voor 1890 kon men in seances die het midden hielden tussen een toverlantaarnvoorstelling en een filmvertoning, al volop de magie van actievolle, fantasierijke taferelen in kleur (!) op het witte doek ondergaan, auditief ondersteund door de nodige geluidseffecten. In 1892 trok het Optische Theater van Emile Reynaud (1844-1918) in Parijs ruim een half miljoen bezoekers. Van circa 1880 tot 1900 bewoog er, dank zij vernuftige optische trucs, trouwens al van alles en nog wat in Europese en Amerikaanse variete- en vaudeville-theaters.
Zo geimponeerd zal het publiek in 1895 in Parijs dus niet zijn geweest van die realistische, maar overmatig trillende 'platte’ zwart- witfoto’s op groot formaat van Lumiere. Eerder waren die grauwe beelden een verarming, er wordt (indachtig het gezegde 'de wens is de vader van de gedachte’) door de huidige videogeneratie het effect aan toegedacht dat een IMAX-voorstelling op een Neanderthaler zou hebben gehad. Terwijl in het laatste decennium van de vorige eeuw het publiek op dat punt juist wel wat gewend was.
VAST STAAT DAT in de periode 1885- 1895 in vrijwel alle wetenschapslanden sprake was van de 'uitvinding’ van de cinematografie. Aan de wieg van de film hebben legio naamlozen met al dan niet gepatenteerde optische speelgoedjes als de zootroop ('wondertrommel’), pictorialigraph ('dieptekijker’) en phenakistiscoop ('levende schijf’) staan rammelen. Het zijn juist die anoniem gebleven pioniers die oudere rechten hebben dan Lumiere en Edison. De Nederlandse filmhistoricus Piet van der Ham wees er ettelijke decennia geleden al op dat alleen zij uiteindelijk 'de eindzege’ behaalden.
In Engeland maakte Louis Aime Augustin Le Prince in 1888 (!), lang voor Thomas A. Edison en George Eastman, gebruik van een geperforeerde filmband. Twee jaar later verdween de in 1842 geboren Le Prince op weg naar de Verenigde Staten spoorloos met z'n apparatuur, bouwtekeningen, schema’s en aantekeningen. In Duitsland wordt er vandaag de dag niet aan getwijfeld dat Max (1863-1939), Emil (1866-1945) en Eugen Skladanowsky (1859-1945) de cinematografie in maart 1894 'bedrijfsklaar’ hadden. Een feit dat de nazi’s vier decennia na dato, in 1934, zeer uitbundig en met veel uiterlijk vertoon vierden. Met hun 'bioscop’ zouden de Skladanowsky’s, een maand voor Louis Lumiere, in november 1895 in de Wintertuin in Berlijn voor een betalend publiek lebende Photographien hebben vertoond.
Ergo: wat de officiele geboortedatum van de cinematografie is, valt evenmin vast te stellen als wie de officiele uitvinder is. Er zijn heel wat congressen aan gewijd maar het blijft allemaal in nevelen gehuld. Film is niet van de ene op de andere dag ontstaan, het is een gevolg van elkaar overlappende ontdekkingen, ontelbare experimenten, het resultaat van levens gevuld met studie.
De Belgische fysicus Joseph Plateau (1801-1883) bijvoorbeeld legde met zijn ontdekking van het 'nalichten’ van ons netvlies de basis voor het fenomeen van de suggestie van beweging, die opgewekt kan worden door het snel achterelkaar projecteren van op zichzelf volkomen stilstaande beelden. En Christiaen Huygens (1629-1695) tekende, zo is bij de Rijksuniversiteit te Leiden bekend, in 1659 in deel 22 van zijn Oeuvres Completes op bladzijde 770 schetsen voor een projectielantaarn en figuren voor de plaatjes. Voorlopers van 'hardware’ en 'software’, zouden we nu zeggen.
Huygens en Plateau zijn inmiddels op postzegels afgebeeld, respectievelijk in 1928 en in 1947. Ook grondleggers van de film als uitdrukkingsvorm, de uitvinders van de 'beeldgrammatica’, zijn in het verleden filatelistisch geeerd: Georges Melies in Frankrijk, D. W. Griffith in de Verenigde Staten, Alfred Hitchcock in Engeland, Charles Chaplin in minstens een dozijn landen, Federico Fellini in Italie, Luis Bun~uel in Spanje, Eisenstein in de Sovjetunie, enzovoorts.
DE KEUZE VAN PTT POST voor de recente zegels van Joris Ivens en van Turks fruit van de ontwerpers Linda van Deursen en Armand Mevis (die vanaf 28 februari aan de loketten verkrijgbaar zijn), is geen slechte in vergelijking met de dikwijls wat kitscherig aandoende gelegenheidszegels die elders het licht zagen. Er is in het postale oeuvre rond de tiende Muze een hoog Mickey Mouse- en Chaplin-gehalte te constateren. Daarmee vergeleken zijn de ontwerpen van Van Deursen & Mevis bijna hoogstandjes van visuele expressie.
KPN stelt dat de Ivens- en Turks fruit-zegel niet gezien dienen te worden als jubileum- dan wel herdenkingszegels voor de honderdjarige cinema maar, zoals gezegd, als twee projecten die passen in het kader van het Jaar van de Film. Ook bij PTT Post in Den Haag en Groningen bestaat dus enige twijfel aan de juistheid van de bewering dat de cinematografie eind 1995 precies een eeuw oud is. Wie volhoudt dat het wel zo is, balanceert op een uiterst smalle zekerheidsbasis.
Eerdergenoemde in Engeland wonende Fransman Louis Le Prince filmde al in 1888 het verkeer op de brug in Leeds. Zijn toen veertienjarige dochter vertelde er later in een oude filmopname, gemonteerd in de BBC- documentaire The Missing Reel, over: 'Op een dag in maart 1888 wilde ik mijn vader roepen voor de thee. Ik opende zijn werkkamer, die verduisterd was, en zag vanuit de deuropening op de witgekalkte muur levensechte mensen en door paarden getrokken koetsen bewegen. Ik stond als aan de grond genageld, maar mijn vader sloot schielijk de deur. Ik veronderstel dat ik het eerste kind ben geweest dat ooit een film heeft gezien!’ Het gebeurde 107 jaar geleden.