Een blanke uit zoeloeland

Riana Scheepers groeide op tussen de Zoeloes, leerde er ‘woorden eten’, en werd later schrijfster. Zojuist verscheen haar Nederlandse debuut, een vertaling van ‘Dulle griet’. De schrijfster betreurt het oprecht dat Nederlanders geen Zuidafrikaans lezen. ‘Een bestseller heet bij ons “wegholtrekker”. Veel mooier toch?’
DE WORTELS VAN Riana Scheepers liggen ergens op de Gelderse vlakten, waarvandaan haar voorouders drie eeuwen geleden in het spoor van Jan van Riebeeck naar Zuid-Afrika vertrokken. De familie voegde zich in de vorige eeuw bij de Grote Trek, op de vlucht voor Britse overheersing, koerste om de Kaap en kwam uiteindelijk terecht in Zoeloeland. Ze groeide op in een gehucht in Pongola, een godvergeten oord waar haar grootvader als missionaris naar oud-protestants recept hel en verdoemenis predikte over de plaatselijke bevolking. Hij vertaalde zelfs de bijbel in de Zoeloetaal, en kon zich er maar moeilijk bij neerleggen dat de lokale bevolking de bijbelse boodschap eigenlijk alleen maar op de koop toe nam, als een soort van contraprestatie in ruil voor voedsel en drank.

De lagere school doorliep ze in het provisorische klaslokaal op de missiepost, te midden van de Zoeloekindertjes, en zo voltrok zich precies het diagonaal tegenovergestelde proces dat grootvader Scheepers in gedachten had: in plaats van dat de zoeloes afdoende werden gekerstend, werd zijn kleindochter min of meer een blanke Zoeloe. De ogen van Riana Scheepers beginnen nog altijd vervaarlijk te fonkelen als ze herinneringen oproept aan de wrede en bloeddorstige Zoeloesprookjes die ze als klein kind te horen kreeg van Djuba, een oudere vrouw op de missiepost van Pongola, die als de duisternis intrad, verhalen begon te vertellen van boosaardige geesten, kannibalen en slangen, verhalen die zo'n schrik aanjoegen dat de vertelster bij het einde ritueel in het vuur moest spugen om de kleine kinderziel te beschermen tegen verdere psychologische bijwerkingen van haar woorden.
‘Ik groeide op met de verhalen van Djuba zoals de meeste kinderen van mijn generatie met televisie opgroeiden. Wat me nog het meest fascineerde was het rituele karakter van die vertellingen. “Laat ons de woorden eten”, moesten we vooraf zeggen. Dat was eigenlijk een betere les in het fictiviteitsbeginsel dan ik later aan de Universiteit van Kaapstad gedoceerd kreeg.’ Riana Scheepers (1957) spreekt in een zangerig Afrikaans-Nederlands, dat nog het meeste lijkt op het stemgeluid van een Surinaams-creoolse matrone.
Sinds haar debuut in de Zuidafrikaanse letteren, in 1990 met de verhalenbundel Die ding in die vuur, choqueert ze haar publiek regelmatig met bloeddorstige overleveringen uit de Zoeloecultuur in heden en verleden, hoewel ze ook niet terugdeinst voor moderne grote-stadsvertellingen. De sterke vrouw, blank of zwart, is haar favoriete personage. Het Zuidafrikaanse publiek kan er geen genoeg van krijgen. Werd haar debuut bekroond met de ATKV-prijs 'vir goeie gewilde prosa’ en de Fak-ontspanningsprijs, de vervolgbundel Dulle griet (zojuist in Nederlandse vertaling verschenen bij Prometheus) kreeg de prestigieuze Eugene Marais-prijs. Verleden jaar verschenen nog twee verhalenbundels, terwijl ze recent haar eerste roman Die heidendogters jubel publiceerde. Daarnaast verzorgt ze voor radio en televisie populaire literaire programma’s, doceert ze Afrikaanse letterkunde aan de Universiteit van Kaapstad en werkt ze als fondsredacteur bij uitgeverij Tafelberg.
Alsof dat nog niet genoeg is, werkt ze ook aan een dissertatie over Koos Prinsloo, de verleden jaar op zesendertigjarige leeftijd aan aids overleden Zuidafrikaanse schrijver met wie ze innig bevriend was. Prinsloo, de James Dean van de Zuidafrikaanse letteren, kreeg in Nederland postuum enige bekendheid door de vertaling van zijn verhalenbundel Slagplaas (Nijgh & Van Ditmar), maar dat kan niet opwegen tegen de enorme opschudding die hij in zijn eigen land heeft teweeggebracht met zijn onomwonden jubelzangen op de herenliefde en zijn voorkeur voor postmodernistische geweldscenes.
'Koos stierf zoals hij had geleefd’, vertelt Scheepers. 'Groots en meeslepend, helemaal in stijl. Begrijp me goed, hij was een dierbare vriend, en zijn dood was niet minder dan een culturele tragedie voor Zuid- Afrika, maar toch past het op een of andere manier dat hij zo vroeg overleed. Sterven op het hoogtepunt heeft toch ook wel iets. Vaak zie je vooral mannelijke schrijvers later zo helemaal verschrompelen en verzuren. Dan breken ze alles af wat ze in hun beste jaren hebben opgebouwd. Dan worden het van die oude zeurpieten a la W. F. Hermans - altijd maar klagen en klagen. Literair gezien is een vroege dood ideaal voor de mannelijke schrijver, dan leeft hij eeuwig voort in de herinnering. Dat zit hem allemaal in de genen, nietwaar? Kijk maar naar het mannelijke spermatozoiedje: een vliegensvlugge rush van een paar seconden, en dan is het allemaal voorbij…
Een makkelijk persoon is Koos nooit geweest. Hij was wat wij in Zuid-Afrika een bedonderd mens noemen, vol vuur en temperament, altijd in opstand tegen de vaderen. We hadden een hechte, typisch adolescente vriendschap, vol passie voor de literatuur en het leven. In literair opzicht verschilden we nogal van elkaar: hij introduceerde in Zuid-Afrika het wilde, postmoderne levensgevoel, het literaire experiment, terwijl ik juist meer zit op een lijn van teruggrijpen op het pastorale verleden van het land en ook op een traditionelere manier mijn verhalen vertel. Koos wilde zich losmaken van zijn land, terwijl ik er juist steeds verder binnen wil dringen.’
Haar voorkeur voor de traditie van het land wil niet zeggen dat het conservatieve deel van het lezerspubliek geen aanstoot neemt aan Scheepers’ boeken. Haar plastische beschrijvingen van allerlei soorten misstanden, zoals de ook in Zuid-Afrika nog immer welig tierende vrouwenbesnijdenissen, leidde al tot felle protesten. Scheepers: 'Vreemd is dan dat het protest zich richt tegen mijn verhalen en niet tegen de praktijken die daarin worden beschreven. Alsof ik die dingen zelf heb verzonnen! Misschien nog erger is dat de protesten nog feller waren toen ik een keer een lesbische scene in een verhaal opnam.’
TRADITIONELE MAGISCHE praktijken keren regelmatig terug in haar verhalen. Voor beschrijvingen daarvan hoeft ze niet alleen maar terug te grijpen op haar jonge jaren in Zoeloeland. Integendeel, ook in het moderne Zuid-Afrika bloeit de praktijk van de isangoma’s (waarzeggers), inyanga’s (kruidendokters) en umthakathi’s (de gevreesde beoefenaars van zwarte magie). Hun praktijken komen min of meer overeen met die der beoefenaars van de winti-cultus in de binnenlanden van Suriname, hoewel de toepassing op z'n minst extremer mag worden genoemd.
Scheepers: 'Het is absoluut ongelooflijk hoeveel blanke mensen ook geloven in de isangoma. Vooral in Natal. Als daar paardenraces zijn, rent iedereen naar de isangoma. Het meeste werk van de medicijnmannen is niet boosaardig, maar er gebeuren ook dingen die heel erg vreesaanjagend zijn. De umthakati zijn soms in staat tot hele demonische dingen. Zo gelooft men in de geneeskrachtige werking van organen die van levende kinderen worden afgesneden; men denkt dan dat de vitaliteit en de kracht van het kind kan worden getransponeerd naar een zieke. Voor dat doel worden kinderen geroofd. Die worden dan later teruggevonden met de nieren eruit gesneden, of de geslachtsorganen, of het hart. Heus, dat is geen mythe uit de stad, dat gebeurt nog steeds. Donker Afrika bestaat nog.
Pas nog werden er achtenzestig mensen als heksen vervolgd. Het meest choquerende was dat het bijna allemaal jonge mensen betrof. Het is alsof de oude formules en bezweringen weer een nieuw leven beschoren is in Zuid-Afrika. Ergens is dat wel begrijpelijk. De gedwongen verwesterlijking levert vooral voor de zwarte mannen, van hun geboortegrond verdreven door economische noodzaak, soms geweldige trauma’s op. Daar ontstaat een geweldige behoefte aan het bekende, het veilige. Inmiddels heeft ook de officiele psychiatrie in Zuid-Afrika erkend dat de isangoma een heel belangrijke rol kunnen vervullen in het culturele transformatieproces.’
Echt eer van haar werk heeft Riana Scheepers als zij wordt benaderd door zwarte lezeressen uit plaatsen als Soweto, die haar complimenteren met haar beschrijvingen van de tradities en gebruiken van hun geboortegrond. Zij herkennen in haar verhalen de sporen van de orale overleveringen die ze als kind meekregen.
Scheepers: 'Ik heb zo'n liefde voor die mensen. Je moet niet vergeten dat van alle mensen in Zuid-Afrika de zwarte vrouw altijd de meest onderdrukte is geweest. Zij werd niet alleen door de blanke onderdrukt, maar ook in eigen kring. Het vreselijke bruidsschatstelsel en andere vormen van patriarchale onderdrukking maken hun leven nog steeds tot het zwaarste dat er is. Ik denk dat juist uit de hoek van die vrouwen de komende jaren enorm veel gaat gebeuren voor de Afrikaanse literatuur, vooral naarmate de alfabetisering toeneemt. Ze hebben een geweldig rijke taal, kennen zo veel verhalen. Daar zit de nu nog verborgen schatkamer van de Afrikaanse letteren.’
Scheepers zegt het nog altijd te betreuren dat Zuidafrikaanse boeken in Nederland niet of nauwelijke in het origineel worden gelezen, alhoewel dat op zich nauwelijks een probleem is. 'Er is in Nederland een soort weerstand tegen de Afrikaanse taal, die niet te overwinnen is. Het is natuurlijk geweldig dat er Zuidafrikaanse schrijvers worden vertaald, maar met de vertaling valt toch een extra taalkundige dimensie weg, het poetische, dat volgens mij ook de moedertaal weer had kunnen beinvloeden en verlevendigen. Er zijn veel woorden in het Zuidafrikaans die zo door Lucebert verzonnen hadden kunnen zijn. Wat dacht je van spookasem voor zo'n suikerspin op de kermis? Dat is toch prachtig! Jullie hebben nog niet eens een eigen woord voor een bestseller. Wij wel. Dat is een wegholtrekker. Veel mooier toch? De Zuidafrikaanse literatuur is nu nog maar net bevrijd uit een knellend corset van allerlei conventies. Het borrelt en het bruist nu van alle kanten.’
EEN REGELRECHTE ramp voor de Zuidafrikaanse letteren was volgens Scheepers de jaren aangehouden culturele boycot van het land. 'Die heeft gemaakt dat de Nederlandse literatuur tot de jaren vijftig goed bekend was in Zuid-Afrika, maar daarna valt men in een groot gat. Boeken als Ciske de Rat of Een Hollands drama van Van Schendel zijn ontzettend bekend in Zuid- Afrika, maar daarna wordt het allemaal vager. Pas met Adriaan van Dis kwam de Nederlandse literatuur in Zuid-Afrika een beetje terug in de kijker. Dat heeft de culturele ontwikkeling van het land zeker geremd.
Kijk, schrijvers vinden hun wegen altijd wel, die komen toch wel in aanraking met nieuwe dingen. Maar de lezers hebben echt tientallen jaren stilgestaan. De culturele boycot was echt een pijnlijke ervaring, die Zuid-Afrika heeft afgesneden van de rest van de wereld. En wie trof men nu eigenlijk? Juist de geletterde mensen, juist de mensen die zaten te springen om verandering! Zelf kon ik via kennissen en mijn werk de Nederlandse literatuur blijven volgen. Mijn favoriet is nog altijd Turks fruit. Door dat boek ben ik jaren hartstochtelijk verliefd geweest op Jan Wolkers. Die Olga uit Turks fruit is mijn favoriete romanpersonage, wat een fantastische vrouw!
Voor de rest is de Nederlandse literatuur eigenlijk een beetje bloedeloos, valt me op. Nooit gebeurt er eens een mooie passiemoord, om Slauerhoff maar eens te citeren, die het trouwens ook enorm naar zijn zin heeft gehad in Zuid-Afrika. Maar goed: Zuid-Afrika heeft dus enorm veel in te halen in literair opzicht. Ik ben hier ook alleen maar bezig met het inslaan van boeken voor mijn vrienden: Kristien Hemmerechts, Connie Palmen, Herman de Coninck, Jean-Pierre Rawie, Renate Dorrestein. Dat wordt weer veel extra betalen voor het vliegtuig.’
HET GESPREK KOMT op de ex-minister van Cultuur en Wetenschap van Zuid-Afrika, zojuist ten tweeden male door haar echtgenoot ontslagen. 'Winnie Mandela is een formidabele vrouw. Ze is nie bang voor de duivel nie, het is gewoon een sprookje, die vrouw. In Nederland denken de mensen altijd dat ze een Zoeloe is, maar dat is niet waar. Ze is een Xhosa, van de stam die altijd in oorlog is geweest met de Zoeloes. Als je de huidige toestand in de Zuidafrikaanse politiek wil begrijpen, moet je altijd teruggaan naar het stamverband. Winnie Mandela is de koningin van de populisten, fascinerend. Maar ze is ook erg verbitterd. Wist je trouwens dat ze een geweldige inlvoed heeft op de Zuidafrikaanse kledingindustrie? Ze kleedt zich altijd zo flamboyant, en dat heeft de textielbranche enorm gestimuleerd. Vooal in Zweden zijn ze gek op Winnie-gewaden. Daar lopen de vrouwen nu ook allemaal met die geweldige gewaden.
Voor de rest was ze misschien wat minder geschikt als minister van Cultuur, Wetenschap en Onderwijs. Nelson Mandela is onmisbaar voor Zuid-Afrika. Ik moet er niet aan denken wat er kan gebeuren als hij sterft. Hij is de icoon van Zuid-Afrika, de samenbindende factor. Als hij weg is, komt er een heel ongewisse tijd. Toch blijf ik optimistisch. Voor blanke extremisten als Terreblanche ben ik helemaal niet bevreesd. Dat is een kleine groep die alleen maar een hoop lawaai maakt. Steeds meer Afrikaners keren zich tegen hen. Hoewel ik niet kan ontkennen dat veel mensen van mijn leeftijd besluiten om de dingen niet af te wachten - die emigreren naar Nederland, Australie of Argentinie. Men is bang voor het geweld.’