ESSAYWEDSTRIJD LOF DER LETTEREN

Eén blauwen bliksemstraal

_‘En voor het eerst waardeerde hij’ _- en voor het eerst was ik na het lezen van een laatste zin dusdanig overdonderd dat ik niet onmiddellijk verder ging met de volgende taak op mijn lijst achterstallige studiewerkzaamheden. De relevantie van literatuur? Literatuur zou mijn broodwinning worden.

Medium ldl575

Tijdschrift Vooys bestaat dertig jaar en schreef daarom een essaywedstrijd uit onder studenten. Hoe belangrijk is literatuur, op persoonlijk en/of maatschappelijk vlak? In De Groene Amsterdammer van week 28 publiceerden we Tabitha Speelmans winnende essay. Op het Groene LAB publiceren we alle inzendingen die de shortlist hebben gehaald. Over de inzending van Lieke van Berg oordeelde de jury: ‘Geen standaardkeuze, en bovendien met behulp van zowel theorie als een persoonlijke noot overtuigend besproken.’

Vergeleken bij mijn geneeskunde studerende vrienden die lichamen ontleedden op de snijzaal was mijn ontleden van romans wellicht wat minder maatschappelijk relevant, maar toch, literatuur was mijn onderzoeksobject, mijn lijk om in te snijden. Niet dat ik niet van lezen hield, integendeel - maar sinds ik aan het begin van mijn studie Nederlands kennis had gemaakt met de theorieën van Pierre Bourdieu kon ik geen boek ter hand nemen zonder mezelf ervan te verdenken dat voornamelijk te doen om erudiet over te komen. Wil ik lezen, of wil ik belezen worden? Literatuur was voor mij vooral een bron van twijfel over de oprechtheid van mijn lezen. Tot ik Metamorfoze van Louis Couperus las en het lijk op de snijtafel tot leven kwam.

Literatuur was mijn onderzoeksobject, mijn lijk om in te snijden

Nadat ik een beetje bijgekomen was en probeerde na te gaan waarom het boek me zo geraakt had, schrok ik. Het is zo herkenbaar. Zou ik de curieuze gewoonte hebben om tijdens het lezen iedere herkenbare passage al dan niet netjes met een liniaal te onderstrepen, dan zou Metamorfoze van alle boeken in mijn kast de grootste onderstrepingsdichtheid kennen. Zoals hoofdpersoon Hugo Aylva - een met zijn schrijverschap worstelende schrijver - een 'diepe sympathie, vreemde verwantschap’ voelt met zijn personages, zo voelde ik die met hem. Dat ik me identificeerde met een zichzelf problematiserende twintiger die regelmatig wegzinkt in 'de modder van zijn melancholie’, en niet met een iets te dikke chicklitheldin met een getroebleerd liefdesleven, deed er niet toe - ik was geen haar beter dan de lezers van 'herkenningslectuur’, zoals Bas Heijne het noemt in Echt zien. Toch?

Metamorfoze wordt doorgaans gelezen als een versluierde autobiografie van Louis Couperus. Zo vertoont de schrijfcarrière van Hugo Aylva opvallende parallellen met die van Couperus. Tel daarbij op dat Couperus zelf ooit te kennen heeft gegeven dat hij het beste gekend kan worden door zijn boeken en het is al gauw verleidelijk om Aylva te zien als een alter ego van Couperus - om Couperus te herkennen in Aylva, hoewel het boek zelf er aanleiding toe geeft om de laatste te zien als een metamorfose van de eerste. Misschien kon ik de banale herkenning van mijzelf in Aylva goedpraten door te geloven dat ik tijdens het lezen in Aylva gemetamorfoseerd was zoals Aylva zegt in zijn personages te metamorfoseren - de kern van zijn schrijverschap. Herkennen is jezelf zien in de ander. Metamorfoseren is de ander zien in jezelf. Van het laatste, het in andermans huid kruipen, wordt vaak stilzwijgend aangenomen dat daarin hét genot van lezen schuilt, en niet alleen het genot, tevens de relevantie: van je ten diepste inleven in de ander word je empathischer. Wetenschappers die de relevantie van lezen willen uitdrukken in statistieken tonen aan dat wie leest meer empathie heeft dan een niet-lezer. Hebben we hier en passant de relevantie van literatuur voor de maatschappij te pakken? Nee. Van een boek zal een psychopaat geen homo empathicus worden, een duister figuur geen helder licht, een oogkleppendrager geen ruimdenker, simpelweg omdat er al een zekere mate van empathie en ruimdenkendheid nodig is om een roman - uit eigen beweging - op te pakken. Welnu, de niet alleen boeken schrijvende maar in de eerste plaats vooral boeken lezende Hugo Aylva is een extreem empathisch mens en daarmee misschien niet specifiek het toonbeeld van een schrijver maar veeleer dat van een lezer. Je zou Metamorfoze in plaats van als een roman over schrijverschap kunnen lezen als een roman over lezerschap, wat met zich meebrengt dat de metamorfose niet zozeer de kern van het schrijven is, maar de kern van het lezen. Hugo’s schrijfproces lijkt immers op zijn leesproces, alleen is het schrijven voor hem intenser. Metamorfoseren als dé essentie van echt lezen, en herkenning bij het lezen als iets inferieurs - mooi, niet? Het is echter maar de vraag of Hugo’s metamorfoseren wel écht metamorfoseren is: waar Hugo meent dat zijn personages metamorfoses van hemzelf zijn en dat hijzelf niet te herkennen is in zijn boeken, weet zijn vrouw Emilie overtuigend te onderbouwen dat Hugo wel degelijk te herkennen is in zijn personages, sterker, dat hij ze zelf ís. Dat Aylva te herkennen is in zijn personages maakt hem geen mindere schrijver; dat Couperus te herkennen is in Aylva maakt Metamorfoze geen minder boek; dat ik mij herken in Metamorfoze maakt mij geen mindere lezer.

Toch kon ik mij maar niet aan de indruk onttrekken dat ik een laffe lezer ben omdat ik het boek zo herkenbaar vind

Toch kon ik mij maar niet aan de indruk onttrekken dat ik een laffe lezer ben omdat ik het boek zo herkenbaar vind. Herkenning is geen nuchtere, rationele constatering, herkenning speelt vooral op het emotionele vlak. Dit boek zette me aan het denken, welzeker, maar meer nog dan dat had het effect op mijn gevoel. Dit maakte het er voor mij niet beter op - was het werk van Couperus niet meer dan mijn equivalent van emo-tv? Emotie aanmerken als de kracht van een boek is toch goedkoop? Goddank was daar Roland Barthes, in wiens lezing over Proust (1978) ik mijn herkenning herkende. Uit de emotie die bepaalde scènes van Proust opwekten bij Barthes leidde hij het idee af dat er 'momenten van waarheid’ zijn in een roman: 'plotseling valt de literatuur (want daarover gaat het hier) volledig samen met een emotionele verscheurdheid, met een 'schreeuw’ binnen in het lichaam van de lezer […]’. Gevoel voor drama kan Barthes niet ontzegd worden - en dat als je dacht dat het niet theatraler kon na la mort de l'auteur. Dramatisch of niet, het is een interessant concept. Uit de definitie van dit 'moment van waarheid’ maakt Barthes namelijk de gevolgtrekking dat dit een erkenning van pathos inhoudt. Hij stelt: 'Merkwaardig genoeg wordt in de literatuurwetenschap het pathos nauwelijks erkend als kracht die bij het lezen hoort.’ Lang heeft Barthes niet gehad om deze gedachte uit te werken - twee jaar na zijn lezing overleed hij. Nog steeds tetteren loftrompetten vooral over de rationele waarheden uit een boek, in plaats van over emotionele 'momenten van waarheid’. Die rationele waarheden zijn dan ook meer voorhanden - er zijn driehonderd beredeneerde antwoorden mogelijk op de vraag welke les er getrokken kan worden uit Metamorfoze. Het is bij uitstek een boek dat gaat over de relatie tussen werkelijkheid en fictie, over de werkelijkheid achter de schijn, over het willen begrijpen van de werkelijkheid, en het is dan ook niet moeilijk om hoogdravende, clichématige of ideologische Wijze Levenslessen eruit te halen met betrekking tot het leren zien van de werkelijkheid. Niets is zeker; alles is twijfel; you don’t know what you got till it’s gone; van ziekelijke zelfanalyse word je niet gelukkig - deze en talloze andere waarheden vallen zeker uit het boek te halen, maar het zijn geen 'momenten van waarheid’, evenmin als de talloze praktische handreikingen voor de melancholische mens die het boek biedt (zo nu en dan een wandeling maken in de frisse lucht is goed voor het gemoed). Het zijn inzichten, maar die inzichten waren het niet die maakten dat het boek mij tegelijkertijd juichend, diepbedroefd en verward achterliet. Wat het wel was? Ik weet het nog steeds niet. Misschien wordt het antwoord geformuleerd in het boek zelf, wanneer Hugo zich afvraagt waarom het schrijven van één van zijn boeken, Schaakspel, zo'n ontzettend emotioneel effect op hem had: het was 'als had hij plotseling in één blauwen bliksemstraal een troosteloos perspectief voor zich open gezien, een seconde maar, als geheim, dat heel snel openbliksemt en weer donker is. Hij poogde zich te analyzeeren hoe dit zoo gekomen was, maar in zijne moêheid was de retrospectieve zelf-analyze hem te zwaar. Hij vond niet de oorzaak van 'Schaakspel’ noch doorzag hij ervan de logica.’ De plotse bliksemstraal van Aylva lijkt op Barthes’ plotse samenvallen van de literatuur met een emotionele verscheurdheid. Misschien was de blikseminslag die Metamorfoze voor mij was wel dat ik plots mijn eigen troosteloze perspectief zag. Aan het slot van Metamorfoze trouwt Hugo met Emilie en lijkt hij voorgoed uit de modder van zijn melancholie getrokken te zijn; ’En voor het eerst waardeerde hij’. Ik had er een onbestemd gevoel bij waarvan ik me pas goed bewust werd toen mijn docent tijdens het college over de roman vroeg of de roman goed afliep. Ja, was het klassikale antwoord, het is een goede afloop, Hugo is gelukkig en niet langer weemoedig, melancholisch en bitter. Nee, dacht ik. Ik zag het einde anders: als niets meer dan de zoveelste optimistische fase van Hugo, een fase die evengoed weer voorbij zou gaan - Hugo had zelf immers al geconstateerd 'dat de essence van het leven voor hém altijd melancholie zoû zijn, in kunst, in liefde, in alles.’ Ik weet niet of ik het zo zag zoals het echt is, of ik de sluier van de werkelijkheid van Hugo Aylva wist te trekken, maar ik weet dat Metamorfoze mij als geen ander boek laat zien hoe ik kijk.

Echt zien? Nee: zien hoe je ziet.


De lezing van Roland Barthes over Proust, getiteld 'Lang ben ik vroeg naar bed gegaan’, is in de Nederlandse vertaling waaruit ik geciteerd heb te vinden in Het werkelijkheidseffect (2004).