Een blijmoedig baasje in een cynische wereld

In 1993 verscheen, ter gelegenheid van zijn 65ste verjaardag, bij uitgeverij Jan Mets ‹Het groot Opland boek›, met tekeningen van Opland. Daarop maakte Max Arian een interview waarin de tekenaar «voor het eerst anders dan met potlood of penseel commentaar levert op de veranderingen die ons tijdsgewricht kenmerken.»
In deze herdenkings special nog eens het interview met Opland zoals dat in De Groene verscheen.

Zoals ieder mens heeft hij een binnen- en een buitenkant. De buitenkant is Bourgondisch, hartelijk, luidruchtig en zwammerig, soms op het irritante af. Maar er is ook een Opland-binnenkant. Die is nadenkend, somber, sober, kritisch, cynisch en een beetje prekerig. Sommigen zien hem zelfs als een profeet, en hij tekent zichzelf het liefst als de streng-calvinistische dominee die hij ook is geworden met zijn vrolijke maar scherpe tekeningen.

Opland — Rob Wout — wordt vijfenzestig jaar. Pas vijfenzestig, zeggen degenen die zijn tekeningen al vijfenveertig jaar lang in De Groene zien. Al vijfenzestig, denk je als je zijn waanzinnige energie, productiviteit en wendbaarheid kent.

Opland wil nog lang niet met pensioen. Maar hoe staat het intussen met de Rob Wout binnen in Opland? Is die veranderd in de laatste jaren, sinds het internationale communisme is ingestort en de Nederlandse sociaal-democratie zich heeft uitverkocht aan de meestbiedende? Opland geeft toe dat hij misschien ooit wel iets in het communisme heeft gezien, niet natuurlijk in «die verschrikkelijk nare bijverschijnselen, maar wel als mooi idee, als utopie». En dat, zegt hij meteen, terwijl hij toch met een flinke dosis cynisme is geboren. Hij is niet voor niets een kind uit de tijd van crisis en oorlog. De gedrevenheid die daaruit voortkomt, valt nog elke week aan zijn werk af te zien.

Opland: «De eerste tien, dertien jaar van mijn leven werd me wel duidelijk dat dit niet de beste wereld van alle werelden was. Ik heb op de middelbare school gezeten tijdens de Duitse bezetting. En daarvóór heb ik onder Colijn de crisis mogen meemaken. Mijn vader was al vroeg werkloos terwijl hij echt wat kon, dus ik weet heel goed wat dat is. Dat was niet leuk. Vandaar dat ik nu, als er weer aan de bijstand wordt geplukt, in de voorste loopgraven zit om dat te bestrijden. Nou ja, voorlopig zitten alle ideeën over utopieën in de kast en die komen er de eerstvolgende twintig jaar ook niet meer uit. In ieder geval niet in het Westen en ik denk dat als we ’t de Chinezen vragen, de meesten ook zullen zeggen: stopt u de utopie nog maar even in de kast.»

Kan een mens nog socialist zijn, na 1989?

«Je vraagt allemaal van die bijzonder grote kreten. Ik heb het veel liever over het zonnetje of over wuivend riet. Maar goed, het is jouw metier, het is mijn metier en er wordt verwacht dat we er een mening over hebben. Maar ja, socialisme, hallo, daar vraag je me wat. Wij weten dat de mensen tot alle slechtheid in staat zijn en elkaar voor een knikkertje al een klap in het gezicht geven. Dat ze op de eerste rij willen zitten. De prestatiemaatschappij, daar is het kapitalisme, geloof ik, op geënt. Dat zit in ons allemaal en men zegt dat dat het maximale uit de mensen haalt. Maar misschien gooit het ook het maximale aan mensen weg, als je kijkt naar wie het niet halen. Ik kan nog niet zeggen dat het kapitalisme het meest ideale is wat er bestaat. Ook niet het officieel gereïnstalleerde kapitalisme in het Oosten, daar kan ik ook nog niet helemaal van weglopen. Maar dat is ook zo’n krankzinnige overgang, misschien komt dat allemaal nog wel goed. Misschien heeft dat straks z’n mooie effecten nog.»

Schrik jij ervan dat het kapitalisme nu het toekomstideaal is van heel grote groepen in de wereld?

«Maar ik geloof niet dat het een ideaal is! Het is een realiteit. En het zit in het beestje. Dus het is eigenlijk een handig systeem om het beestje te laten werken met die worst van de vooruitgang voor zich uit.»

Kijk jij nu anders tegen het kapitalisme aan dan tien, vijftien jaar geleden?

«Nee. Ten eerste ben ik waarschijnlijk een kapitalist, want ik weet niet anders. Je leert hier te leven in een kapitalistisch systeem. Met verzachtingen aangebracht door de sociaal-democratie. En daar moet je mee voort. En aangezien ik een kleine zelfstandige ben, weet ik wat kapitalisme is. Je boekhouding goed bijhouden en op tijd je belasting betalen. En hopen dat van die belastinggelden een nuttig gebruik wordt gemaakt. Gelukkig mag ik daar nog enigszins een stem over hebben. Een keer in de vier jaar mag ik zeggen: Pietje heeft het niet zo goed gedaan, geef Jantje eens een kans. Bijna voor de vorm mogen we als geregeerden nog wat zeggen en als tekenaar spreek ik namens de geregeerden. Niet namens de regeerders, die hebben hun voorlichters, meestal oud-journalisten, die eerst een onafhankelijke mening moeten hebben en dan helemaal worden ingehuurd. Zoals die vakbondsman die nu voor Ien Dales de onderhandelingen moet doen met de ambtenaren en die dus precies het omgekeerde doet van wat hij eerder deed. En net als Wim Kok. Goed, ik heb dus die draai niet gemaakt.»

Een politiek tekenaar schopt alleen maar tegen wie er aan de macht is?

«Ja, het is niet de taak van een politiek tekenaar om aan te geven hoe het wel moet. Hij moet niet gaan regeren. Hij is een criticus, een observateur, een neutraal iemand die in een boom zit of op een ladder, toekijkt en zijn mening geeft. Meer kan er van mij niet worden verwacht, hoewel mijn handen soms jeuken. Maar daar zou je wel een jaartje vrij voor moeten nemen. De politiek heeft geloof ik helemaal geen ideeën meer, het is hapsnapgedoe op het ogenblik. De grootste sociaal-democratische voorman in dit land, die houdt zich nog alleen maar met dubbeltjes en kwartjes bezig. Kok doet dat heel gewetensvol en waarschijnlijk zal hij denken dat er eerst brood op tafel moet komen en dat we dan pas verder kunnen praten. Maar het is allemaal een pietsie te pragmatisch, te doelgericht en zo naadloos op datzelfde mooie, prachtige kapitalisme toegesneden.»

Je mist een idee of een programma in de Partij van de Arbeid. Maar waar moet die uit putten, als alles wat er aan socialisme en communisme bestaat zo’n beetje de afgrond in is gedonderd?

«Ze moeten een beetje origineel zijn. En als iedereen afknapt, is het nog niet hun taak om ook af te knappen. Dan moeten ze gewoon een beetje ruggengraat tonen en niet meteen de schuilkelder induiken om de volgende tien of vijftien jaar hun bek te houden. Ze moeten sowieso verdedigen wat er op het ogenblik aan sociale voorzieningen is, alleen zullen ze zeggen dat de koek nu op is en we dus moeten inleveren. Dat is een ijzeren redenering. Als ze dat goed verkochten, zou je er nog eens over kunnen denken. Maar toen moesten ook de echte zieken terug naar het bijstandsniveau. En nu pakken ze de jeugd. Daar is veel over te zeggen en daar moet beter over gedacht worden. Maar dan zitten ze in tijdnood. Ik heb het Elske ter Veld horen zeggen: het moet allemaal zo snel en we hebben geen tijd om te denken. Ja, maar zo maak je ook geen politiek. Dit is bijna paniekvoetbal. Maar waarschijnlijk weet niemand het precies, want de ineenstorting van het communisme is ons allemaal koud op het dak gevallen. Daar hadden we nooit goed over nagedacht. Daar waren geen modellen voor. Twintigduizend sociologen en politicologen hebben hun werk laten liggen.»

Niemand had het zien aankomen?

«Nee, meneer Pen zelfs niet. En die had het toch moeten weten. Meneer Van het Reve ook niet. En ik ook niet. En eigenlijk had ik er wat Duitsland betreft in het geniep wel vrede mee, dat dat in twee keurige aparte landjes was verpakt en eigenlijk drie, want Oostenrijk is ook nog apart. Dat was voor een heleboel mensen een heel rustig gevoel.»

Je had liever gezien dat Oost-Duitsland in stand was gebleven?

«Nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee. Uiteindelijk kán je zo’n land gewoon niet gescheiden houden. En die mensen hadden ook recht op hun democratische vrijheid. Maar voor het gemak vond ik het eigenlijk wel een prettige gedachte. Mijn denken is natuurlijk toch zeer subjectief bepaald. In dit geval zeker, dus dan kan je niet meer helemaal zuiver denken. Je hebt al die jeugdindrukken gehad en die liegen er niet om. Je ziet wat dat voor een ellende met zich mee heeft gebracht.»

Had je ook niet een soort nostalgie, een verlangen naar socialisme met een menselijk gezicht?

«Het socialisme in Oost-Europa had wel een heel lange weg moeten afleggen voordat het nog iets van vrijheid had kunnen brengen. Misschien was ik daar ook al cynisch over. Nou ja, het is in elkaar gelazerd en bom, klaar, uit. Ik laat er geen traan over.»

Je zegt over jezelf dat je cynisch bent en dat je dat altijd geweest bent. Maar je tekeningen zijn helemaal niet cynisch. Die zien er eerder vrolijk, menselijk, bijna kinderlijk optimistisch uit.

«Een chagrijnige techneut die op afstand roept hoe het moet, die wordt niet verteerd. Dus ik pak m’n cynisme in een vrolijk jasje. En waarschijnlijk ben ik niet een echte azijnpisser. Ik probeer ook nog een soort van hoop in stand te houden. Van aard ben ik een optimistisch en vrolijk baasje, geloof ik. Maar ik ben niet de juiste persoon om met een manifest te zwaaien en te zeggen: deze kant op of deze kant op, dames en heren! Je kunt het cynisch noemen, maar ik heb de godvergeten plicht om zolang ik nog adem mijn commentaar te geven. Ik kan het ook niet laten. Op een bepaalde manier ben ik net zo’n politiek dier als de heren politici, dus ik wens me ermee te bemoeien hoe de wereld geregeerd wordt en ik ben ontzettend blij dat ik dit metier heb, want anders was ik allang door stress overmand of ik had een rare ziekte gekregen. Ik kan me uiten, dus wat dat betreft voel ik me een bevoorrecht mens.»

VIJFENZESTIG jaar worden is voor jou geen reden om ermee uit te scheiden?

«Nee, helemaal niet, absoluut niet. Ik ben zo fris als een hoentje, gelukkig. Ik mag alles nog hebben van de dokter, al vraag ik het hem niet.»

Hartstocht genoeg?

«O ja. Ja, ja, ja! Soms denk je: ik begin weer geheel van voren af aan. Want we zijn namelijk in de historie ineens weer terug bij een soort Af. Het is bijna weer graaf Metternich, maar in ieder geval zitten we nog vóór het Communistisch Manifest. Terug bij Af. Weer zijn er nieuwe onderworpen volkeren. Nu de Derde Wereld genaamd. En voor een deel nog in dit goede Europa. Er moeten weer nieuwe Domela Nieuwenhuizen komen.

Nee, het socialisme is niet dood, maar het zal andere vormen krijgen en andere benamingen. Het kapitalisme of het Westen, dat maakt dat er nog een heleboel mensen niet aan de bak komen en die zullen ook hun deel van de koek willen hebben. En het is voor een aantal mensen misschien nog goed als er een verzorgende overheid is.»

De wereldgeschiedenis, zeg jij ook, is de laatste jaren ongelooflijk snel gegaan. Heeft dat voor jou als mens en als politiek tekenaar iets betekend? Bijvoorbeeld wat er de laatste twee jaar in Joegoslavië is gebeurd, wat betekent dat voor jou?

«Het deficit van politiek denken. Ook daar hadden ze geen modellen voor. Dat volkeren ineens opstaan en het zelf gaan uitmaken. Maar het resultaat is dat iedere bende in ieder klein stadje het voor het zeggen heeft en iedere misdadiger vanachter een boom kan kiezen of hij deze man doodschiet of deze vrouw of dit kind. Een totale ellende en chaos en afgrijselijkheid. Een puinhoop. Je zou daar iets moeten doen, maar dan moet je met een half miljoen blauwhelmen dat land bezetten.»

Je bent wel voor interveniëren.

«Alleen als het op een ontzettend goede wijze wordt gedaan. Maar professionele militairen leggen uit hoe moeilijk dat is. Onze minister van Defensie is daar niet van overtuigd. En nog een ander aantal amateurs. Daar horen ook journalisten bij. En mensen uit de vredesbeweging. Heel mooie en aardige en integere mensen. Maar amateurs in het krijgsgewoel. Ze weten niet dat het met minder dan drie- of vierhonderdduizend mensen niet kan. En die schijnen we niet te kunnen ophoesten, ook omdat er geen plannen voor liggen.

Wat er nu gebeurt, is inderdaad verschrikkelijk en verschrikkelijk en nog eens verschrikkelijk. Maar je krijgt een nog grotere en bloederige puinhoop als het met minder wordt gedaan. Dus ik begrijp die mensen en ik begrijp ook dat het Westen aarzelt. Het is niet een kwestie van niet durven, maar weten wat een ellende er van kan komen in dat pokdalige landschap, ook al door alle militaire rotzooi die Tito juist in Bosnië heeft neergezet. Afijn, we zien het nu. Iedere gek heeft de volledige beschikking over geschutsmonden, granaten, noem maar op, de hele rataplan.»

Dus met andere woorden: je moet ze toch maar laten stikken, daar in Bosnië.

«Ja, ik zie op het ogenblik geen andere mogelijkheid, dat is het rare. Die safe havens, dat lijkt me nog iets. Dan ben je geen interventionist, maar dan bescherm je mensen. Maar verder? Ik weet dat het moreel een afgrijselijk standpunt is, dat je bijna gedwongen bent te zeggen: ik sta daar aan de rand van deze kookpot waar de meest vreselijke dingen in gebeuren en ik hoor hulpgeroep en ik kan er niks aan doen. Dat is een heel vreselijk gevoel.

Zelf ben ik godzijdank door een boer uit het verre Canada en een man uit Iowa of weet ik wat bevrijd. Dus dan denk je ook: wat hadden die ermee te maken. Gaan we naar een nieuwe wereldbrand of moeten we toelaten dat Haarlem Utrecht uitmoordt, maar dat het daar bij blijft? Dat is het dilemma.»

Is het nooit zó’n ellende in de wereld dat je denkt: ik kan hier niet meer over tekenen?

(Lange stilte) «Dat is een heel goeie vraag. Nee, the show must go on, heet dat. Dus hoe ellendig het is… Hoewel, hoewel, hoewel, hoewel. Misschien denk ik soms ook weleens: laat ik m’n pennetje maar aan de wilgen gaan hangen, want het helpt toch geen ene sodemieter. Dat vind ik een logische gedachte als je al een kleine veertig jaar bezig bent met agitprop in een vrolijk clownspak.

Maar ik vind het nog steeds een heel leuk vak. Zelfs terwijl je met de ellende van de wereld bezig bent. Je kunt dat vertalen en begrijpbaar maken en iets verteerbaarder voor mensen die te lui zijn om het hoofd artikel te lezen of de lange stukken van de echte specialisten.»

Als je het boek bekijkt dat nu uitkomt, zie je dat je met een aantal thema’s continu bent bezig geweest. Twintig jaar geleden maak je al een tekening waarop een grafzerk staat, want de sociale zekerheid wordt ten grave gedragen.

«Je hebt ook je eigen voorkeuren. Als je zelf een crisiskindje bent geweest en al lang voor de oorlog blikken niet te vreten tomatensoep moest halen, dan is het toch logisch dat je je speciaal met sociale zaken bezig houdt en met hoe zich dat ontwikkelt?»

Daarom is voor jou die mevrouw Germania met die helm op altijd zo’n dreigend personage gebleven?

«Inderdaad, natuurlijk. En ik ben bang dat het niet alleen meneer Hitler was met z’n nationaal-socialisme die Duitse mensen opzweepte, maar dat het ergens in de aard van het beestje zat, zoals zich dat vanaf 1870 heeft gemanifesteerd. Iedereen kan weer heropgevoed worden, maar als het zich binnen een eeuw drie keer manifesteert, ga je dat wel denken.»

Zijn wij Nederlanders echt zoveel beter dan de Duitsers?

«Nee, natuurlijk. Jeetje. Wat deden wij goddomme. We waren net bevrijd en we stuurden tot twee keer toe minstens honderd duizend soldaten in wrakke boten onder auspiciën van het roomse en het sociaal-democratische volksdeel en masse naar de andere kant van de wereld, omdat wij ons koninkrijk moesten verdedigen. En daar ben ik nog veel eerder dan dat ik met de Duitsers begon onze eigen landgenoten over naar de strot gevlogen.»

En jouw eigen bevrijders uit Amerika bombardeerden de Vietnamezen kapot.

«Daar werd je wanhopig van, want je woede kon zich ten slotte nog alleen uiten in meer bommen, je liet almaar meer bommen vallen. Ik heb er een boekje vol van gemaakt over Richard Nixon. Dat is een wanhoop… Dan weet je niet meer wat je moet bedenken om dat te bestrijden. Maar ja, je gaat door, je gaat door. Het Kwaad moet bestreden worden.»

Maar heb ik het nou verkeerd: over Nixon kon je doorgaan, doorgaan, doorgaan. Omdat je woedend was, omdat je wist wat het kwaad was…

«Je wil zeggen: over Joegoslavië zeg je niks of zo?»

Ik geloof dat je daar veel minder over tekent.

«Ja, misschien omdat ik het nu helemaal niet weet. Want weet jij het? Wie weet het nou? Tenminste, als je er echt gewoon een beetje over nadenkt. Niet iets roepen over morele dinges en we kunnen onszelf niet meer in de ogen kijken.»

Maar die twijfels die je ten aanzien van Joego slavië hebt, heb je die ook weleens ten aanzien van de Nederlandse politiek?

«Twijfels? Kijk, de Nederlandse politiek, daar kan je met een veel mooier gemoed over tekenen. Die is ook vreselijk, die buurtvetes en dat achterstraatjesgemummel. Dat kan nog een heleboel mensen kwaad doen, maar toch heeft het niet zulke verschrikkelijke consequenties als in het grote, vreemde, verre buitenland. Het blijft dorpspomp politiek en daardoor kan je er vriendelijk je rare soap opera’s over maken.»

Heb je als politiek tekenaar de ellende nodig? Zou het onmogelijk zijn je vak uit te oefenen als het allemaal goed ging?

«Ja, ik heb mezelf eens zoniet een parasiet dan toch een saprofiet genoemd. Je zetelt op de historie en je ontleent er je bestaan aan en je vraagt je af of je voor iets nuttig bent. Nou misschien wel, laat ik gewoon van het mooie uitgaan dat het niet helemaal onnuttig is. Want een mens moet toch hoop in het leven houden, dacht ik.»

Je bent geen doemdenker?

«Maar ik houd wel met het ergste rekening, anders had ik ook niet zo veel plaatjes tegen het plaatsen van raketten gemaakt. Dat is ook een dreiging, een wezenlijke dreiging, en men zegt dat we nu niet meer onder die dreiging leven, maar een of andere gek in de Oekraïne moet maar net zes wodka’s te veel op hebben — of wat drinken ze in de Oekraïne, misschien aardappelstooksel, ik weet het niet — en de poppen zijn aan het dansen. En er hoeft maar een of andere verschrikkelijk lekkende atoomcentrale daar in het Oosten uit elkaar te ploffen en het is ook weer mis. Dus er kan nog van alles gebeuren, verschrikkelijk, maar we gaan maar door. Dat zit in de aard van het beestje, het beestje mens, dat we gewoon maar leuk door blijven dansen op de rand van de vulkaan en hopen dat hij niet uitbarst. Of althans niet overmorgen of over drie maanden.»