Een blik in de spiegel

Met Schoppenvrouw zet Mensje van Keulen een deftig Amsterdam-Zuid-gezin neer. Deftig? Onder de kleren is het onbetrouwbaar volk.

Wat maakt een familie? In de nieuwe roman van Mensje van Keulen, Schoppenvrouw, is Paula aan het woord, de moeder van een klein gezin. Haar man is notaris, keurig. Hij heet Oscar, ‘hij is zo’n man die zich op zijn zij draait en al na een paar tellen onaanspreekbaar is’. Ze wonen op een van de mooiste plekken in Amsterdam-Zuid, ze maken reisjes naar Rome, New York, Barcelona. Hun enige kind is zestien, Emmy. Bijdehand, charmant, zelfstandig. En Paula heeft een eigen galerie, ze is het type dat verse minestronesoep maakt voor haar man en daarvoor met een vluchtige kus wordt beloond.

Medium mensje van keulen color

Van Keulen zet hun leven neer op de eerste bladzijde, en de vernietiging van dat leven op de tweede. Van Keulen schrijft het razend efficiënt op, in kleine details. De eerste twee dingen die we over Oscar horen is dat hij meestal teletekst aanzet zodra hij thuiskomt, en dat hij nooit eet zonder een servet hoog op zijn schoot te leggen. Paula zegt, als ze de tafel opruimt: ‘Ik snoepte nog wat van de parmezaan’ – een hele sociale klasse zit in zo’n opmerking. Dat er blijkbaar standaard kaas op tafel staat, bij een soepmaaltijd, en dan niet zomaar kaas maar parmezaan, waarvan je kunt ‘snoepen’. (Dit is natuurlijk, het moet gezegd, een sociale klasse die zich niet heel moeilijk laat typeren, maar Van Keulen doet het scherp genoeg: de beste opmerking zit aan het eind van het boek, als vader en moeder een confronterend gesprek met dochter moeten voeren, en Oscar zegt, waarschijnlijk verheugd: ‘Voor de gelegenheid open ik een barolo.’)

Terwijl ze afruimt hoort ze de presentator van een _Opsporing verzocht-_achtig programma vertellen over een roofoverval op een bejaard echtpaar; een jonge vrouw deed zich voor als enquêtrice, kreeg zo toegang tot hun woning, en toen de man haar betrapte toen ze sieraden probeerde te stelen, duwde ze hem om, een val waaraan de man overleed. Als ze de presentator de kleding van de dader hoort beschrijven, herkent ze het jasje. Als ze zich omdraait en de compositietekening ziet, herkent ze haar dochter: ‘Ik twijfel zo aan alles dat het haar tot een vreemde maakt. Een vertrouwde vreemde die een oude man doodt en vervolgens in staat is zijn vrouw een oorbel af te rukken. Waar ik me het minst raad mee weet is dat ze kan leven met wat ze heeft gedaan.’

Je zou kunnen zeggen, wat verschillende recensenten al deden, dat dit een typische Herman Koch-setting is, maar dan ga je er grof aan voorbij dat, o bijvoorbeeld, Tolstoj en Couperus ook al romans schreven over deftige mensen die zich niet deftig gedragen en zo hun eigen moraliteit moeten bevragen. Niemand heeft hier patent op. Het is juist dat wat literatuur zijn kracht geeft.

Voor de hand zou liggen dat Van Keulen dieper in de moraliteit van haar personages graaft, maar ze laat Paula juist een sprong terug in de tijd maken. Ze herinnert een spontane diepe vriendschap die ze op de middelbare school had, eind jaren zeventig, met een nieuw meisje in de klas, Charlie. Ze kwam uit een chique Shell-gezin, ze woonden in een statig pand op de Keizersgracht, na eerder in exotische buitenlanden te hebben gewoond. Hun vriendschap is broeierig, te intiem, haar oudere broer Tobias bemoeit zich ermee. Ze raakt mateloos gefascineerd door de familie, door de altijd zieke moeder, die zich door een vreemde gebedsgenezer-achtige laat behandelen, ene dr. Adami. Zelf laat ze Charlie niet bij haar thuis komen; ze schaamt zich voor haar arbeidersklassemoeder. Zo snel en abrupt als de vriendschap begon, eindigt ze. Charlie verhuist. Venezuela deze keer.

‘Ze komt evenwichtig en blijmoedig over. Zou ze onder die schil doortrapter zijn, meedogenloos zelfs?’

Met een gebroken hart blijft Paula achter, ze mist haar zozeer dat ze onder valse voorwendsels dr. Adami bezoekt. Ze krijgt meer dan ze zou willen: hij trekt haar kaarten, en tot drie keer toe trekt hij alleen zwarte kaarten. Klaverzeven. Schoppenvrouw. Klaveraas. Zuchtend leest hij ze: ‘Een rode bijkomst had die teniet kunnen doen, maar schoppenvrouw overschaduwt en straft af… Over de rest kan ik zwijgen, die is niet van belang… Je zoekt geluk, maar het geluk kiest zijn eigen weg… Luister daarom naar me en volg mijn raad… Neem nooit kinderen, het zou je slecht bekomen…’

Wat maakt een familie een familie? Het duurt even voordat de lange flashback teruggrijpt naar het heden, voordat je doorhebt wat Charlie, Tobias en dr. Adami met de rovende dochter te maken hebben, voordat de soms nogal losse onderdelen van de roman bij elkaar optellen. Van Keulen slijpt een scherpe ironie in haar verhaal, eentje die Paula zelf niet doorheeft. Helemaal aan het begin, als Paula ontdekt wat haar dochter heeft gedaan, vraagt ze zich af of ze haar wel kent: ‘Ze komt evenwichtig en blijmoedig over. Zou ze onder die schil doortrapter zijn dan ik haar ken, meedogenloos zelfs? Heeft ze het om of door iemand gedaan? Is ze ergens door beïnvloed? Heb ik niet goed genoeg opgelet?’

De ironie is dat ze niet genoeg in de spiegel heeft gekeken. Want dochterlief is evident een kind van haar ouders. Haar goedburgerlijke vader doet ogenschijnlijk zonder enig moreel bezwaar zaken met maffiafiguren (al maakt Paula en passant melding dat hij eens met een paniekaanval naar het ziekenhuis moest worden gebracht – waardoor de vraag rijst: waarom was hij in paniek?). Zelf loog ze tegen haar moeder, tegen haar beste vrienden, tegen Adami, en tegen haar man. De dochter is onmiskenbaar een kind van haar ouders – en zelfs haar grootouders, want als Emmy zich eenmaal verantwoordt, klinkt ze in al haar zelfbeklag precies als Paula’s moeder, met wie Paula in een klein, gehorig, armetierig appartementje opgroeide.

Wanneer Paula in een soort diffuse woede wraak wil nemen op haar lot als moeder, zoekt ze de inmiddels bejaarde Adami op. Een scheldpartij volgt. ‘Canaille’, noemt hij haar. Op een bepaalde manier lijkt hij opnieuw een definiërend oordeel over haar te vellen. Canaille: gespuis, gepeupel, iemand uit een lage, sociale klasse.

Dat is wat het gezin van Paula is. Ondanks de barolo, de parmezaan, de minestrone en de stedentrips naar New York en Rome: onder de deftige kleren blijven ze onbetrouwbaar volk, schorem, crapuul. Met raak, schijnbaar moeiteloos proza zet Van Keulen een schoppenvrouw neer die in de spiegel van haar gezin kijkt, en uiteindelijk alleen maar duisternis ziet.


Beeld: (KONSTANTINOS PAPAMICHALOPOULOS)